dinsdag 1 februari 2005
A comic strip this, or a graphic novel rather, if it was not for the fact that Campbell makes fun of that phrase in this book. Then, he is highly ironic about anyone involved in that niche of the arts’ world. Or the graphic novel scene for that matter.
Alec. How to be an artist shows the coming of age of a young British draughtsman and writer; it’s a story loosely based on the author’s autobiography.
Campbell has a seemingly simple, sketchy style of drawing. Apart from his own illustrations he uses examples out of the works of countless others as well, and photocopied photo’s to tell his story. Oh, and words. Many words. The drawings are sometimes not much more than ironic illustrations to the captions above them.
I found the first chapters of this book hard to get into. It is more a novel indeed, instead of a classic strip. Well, not that I mind that, but it seems that the chapters in the last half of the book are much better paced. And then it works, as a novel about how a man became an artist. Plus that Campbell is simply able to show who and what influenced him, and what he considers to be great graphic novels is a bonus too.
I mean, it is all there. The disappointment after the first real book publication. The colleague that does get rich. The more experienced draughtsman who prefers to draw sketches for fans on festivals on coloured paper so they cannot be copied easily. The scene.
The life.
This book shows a bit of what strips could become, as a grown up medium.
Eddie Campbell: Alec. How to be an artist
128 pages
Eddie Campbell Comics © 2001
in: a-z, strips/graphic novels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Eddie Campbell-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
woensdag 2 februari 2005
The first poem out of his collection Leaves of Grass, reprinted in this booklet to celebrate Penguin’s 60th anniversary. It’s lyrical, though the lines don’t rhyme. It is about a writer indeed, and what he sees outside. And I just never could get into it. Didn’t read a memorable line, and everything Whitman describes, failed to impress me.
This one just was not for me.
Walt Whitman, Song of myself
88 pages
Penguin 60s Classics 1995 © 1855 originally
in: a-z, poëzie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Walt Whitman-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 3 februari 2005
McPhee is a master in a genre virtually unknown in the Netherlands: the documentary on paper. He is a journalist — an understated, measured, and precise journalist — but his articles can easily be as long as 30,000 words. Most of them have been published in the New Yorker.
I admire almost anything McPhee wrote since the 1960’s, except for the detailed books on geology, also because of his experiments with the narration. There really is more than one way to tell a story, and John McPhee always gives perfect examples how.
This Reader offers pieces and chunks of articles he wrote between 1976 and 1996. Highlight for me, time and time again, is the story about a bush pilot named John McPhee, who wrote letters to the New Yorker the other John McPhee was “using” his name.
A delight, this anthology.
John McPhee, The Second John McPhee Reader
With an introduction by David Remnick
394 pagina’s
The Noonday Press © 1996
in: aanbevolen 2005, a-z, media, bundels, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
vrijdag 4 februari 2005
In 1991 schreef de poëziecriticus Guus Middag eens in zeven haasten een verhaaltje voor de kinderpagina van NRC Handelsblad. Het begon met de regel “Ik maak nooit iets mee”, en eindigde met een gedichtje van Toon Hermans dat hij toevallig uit zijn hoofd kende. Een nieuw genre was geboren.
In dit boek zijn 31 van die verhaaltjes verzameld. Altijd met de woorden beginnend dat Middag nooit iets meemaakt, en steevast eindigend met een gedicht.
Het is door dit boek dat ik de natuurpoëzie van de dichter Chris van Geel ben gaan lezen; een man die me voordien een te vermijden figuur scheen [bijvoorbeeld door de roddels van Adriaan Morriën]. Dus als introductie tot de poëzie heeft het zelfs voor mij gewerkt.
Herlezen van een boek bedoeld voor kinderen geeft de hersenen natuurlijk wel even vrijaf. Maar dat is wel prettig, voor een keer. Guus Middag schrijft overigens verre van kinderachtig. Zeker niet.
Guus Middag, Ik maak nooit iets mee
En andere avonturen
136 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij © 1995
in: boeken over schrijven, a-z, jeugd, bundels, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Guus Middag-pagina
zaterdag 5 februari 2005
Ook het dagblad Trouw is dus overgegaan op een kleiner formaat. Doorgaans wordt dat tabloid wordt genoemd. Maar tabloid-formaat is gewoon een wat patserig marketingwoord voor A3′tje. Net als dat krantenmensen ineens het traditionele A2′tje een broadsheet zijn gaan noemen.
Rot toch op.
Nu heeft dat A2-formaat éen groot voordeel boven het A3′tje; de pagina werd namelijk altijd doormidden gevouwen voor transport. En juist die niet al te scherpe vouw op het midden van de pagina zorgde ervoor dat het krantenkatern dat je aan het lezen was bij elkaar bleef. Het A3′tje mist die subtiele samenhang, en is al ernstig uitgezakt voor er drie pagina’s van zijn omgeslagen.
Voor wie ervan houdt de krant vast te hebben bij het lezen, natuurlijk. Maar ik vind dat nu eenmaal wel prettig. Ellebogen op de armleuning geplaatst, krant verticaal gehouden.
Ach ja, ik had het over Trouw. Ooit de scherpst vormgegeven krant van Nederland was dat. Met alleen maar schreefloze letters, en redactionele pagina’s die strikt in vieren waren opgedeeld. Geen enkel stuk liep door tot onder de vouw, ieder artikel bleef op zijn kwart van de pagina.
Maar punt voor punt is dat strakke schoonheidsideaal losgelaten, en nu hebben we dit. Het A3′tje. Dat nog maar éen grote non-descripte nieuwsfoto op de voorpagina heeft die door het onderschrift gered moet worden. Pas daarin wordt duidelijk dat het hier vakantiegangers betreft die zijn ingesloten door de hoge sneeuw. Twee nieuwsberichten staan er verder nog op, en voor de rest is het alleen maar aankondiging.
Deze Trouw van zaterdag vijf februari kende drie katernen. Dat waren het het algemene krantendeel, het katern dat “De verdieping” heet - waar wel twee nietjes doorheen gejast zijn om de boel bij elkaar te houden - en tenslotte “de weekendgids”.
Die weekengids bevatte op de voorkant aankondigingen van nieuws waar ik nu echt op te wachten zat:
Knuffelen op een knuffelparty is niet alleen feestelijk
Mannen kunnen ook kleding van bouwvakkers dragen
Ouderen zijn dol op modeltreinen, nu de jeugd nog
Helaas bevonden ook de boekenpagina’s zich in dit katern, zodat ik het toch nog open heb moeten slaan.
De andere twee katernen bevatten opvallend weinig advertenties; wat op zich ook een indicatie is van hoe het er nu eigenlijk met een krant voorstaat. Opening van “De verdieping” is éen van die twee nieuwsberichten op de voorpagina van de krant. Het opgewarmde nieuws dat de farmaceutische industrie geld geeft aan patiëntenverenigingen, om die te steunen in het lobbywerk hun kwaal maar flink onder de aandacht te brengen. Tja, voor wie naïef blijft, is alles nieuws moet ik hierbij maar denken.
Alleen het interview met Arabist Hans Jansen over Islam-angst heb ik met enig plezier gelezen. Het laatste gesprek met Nel Benschop daarentegen had om mij ook niet gepubliceerd hoeven te worden. Toch zal het ongetwijfeld door het Trouw-publiek gevroten zijn.
Trouw, zaterdag 5 februari 2005
63ste jaargang nr 15471
Uitgeverij PCM © 2005
in: a-z, periodieken, media
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Trouw-redactie-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 5 februari 2005
Een gelegenheidswerkje dit, de uitgave van tien niet eerder gebundelde gedichten ter gelegenheid van de Nationale Gedichtendag 2005. Maar het wel erg dunne boekje is overal serieus besproken, en daarbij steeds in de hoogte gestoken. Kouwenaar had zich weer eens overtroffen.
Ik weet het evenwel niet.
Kouwenaar probeert werelden op te roepen door verhalen samen te ballen in slechts enkele woorden:
men scheert zich zijn vader
uit: stilleven
In een gedicht dat eindigt in de dood, en dat godbetere stilleven heet, zal ieder woord ongetwijfeld op twee, nee op drie verschillende manieren zijn uit te leggen. Ziet de dichter steeds meer zijn vader in de spiegel verschijnen als hij zich scheert? Of is die vader dood en brengt iedere scheerbeurt de dichter een dag nader tot het einde? Scheert hij zich weg?
Maar, ben ik geïnteresseerd in deze cryptokronkels? Neen, want ze zeggen niets wat ik niet ook al eens bedacht had. Ook de schijnbaar verborgen mededeling is niet bijster interessant, noch memorabel verwoordt.
Het is zulk een zuinig woordgekeutel, dit. Maar zelfs nog harder persen op de taal zal op deze wijze nooit een diamantje geven.
Gerrit Kouwenaar, Het bezit van een ruïne
12 pagina’s
Em. Queridos Uitgeverij © 2005
in: a-z, poëzie, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerrit Kouwenaar-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 6 februari 2005
De zevende en laatste aflevering van het eenmanstijdschrift Feuilletons dat Brouwers in de jaren negentig volschreef was dit. De schrijver is inmiddels terugverhuisd naar België, en besteedt ditmaal veel aandacht aan een tal minder bekende tot zelfs vrij obscure Vlaamse auteurs. Van Ferdinand Victor Toussaint van Boelaere tot Wies Moens of Joris Vriamont. Namen die even oplichten door Brouwers belangstelling voor hen, maar die mij niet overtuigen moeite te gaan doen om hun werk te achterhalen. Van Vriamont bijvoorbeeld hoeft niemand ook meer te weten dan dat hij ondeugende verhaaltjes schreef die door de tijd achterhaald zijn geraakt. Of dat hij daarin “occiput” gebruikte, of “de dekoratieven bladkroon uwer vulven” als hij lyrisch van de kut reppen moest.
Boeiender waren voor mij enkele autobiografische aantekeningen over het hotel dat Brouwers’ vader indertijd in Maastricht heeft gedreven. Waarmee dat jongetje dat in een hotel woonde in het boek Zomervlucht ineens wat meer reliëf heeft gekregen.
Voor het overige hoort dit duidelijk tot de marginalia in zijn oeuvre, en zijn er veel interessanter boeken van Brouwers te lezen.
Jeroen Brouwers, Terug thuis
Verhalen, leerervaringen, voetnoten
176 pagina’s
Uitgeverij Noli me tangere © 1998
in: a-z, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jeroen Brouwers-pagina
zondag 6 februari 2005
Het grootste deel van mijn volwassen leven had ik een abonnement op De Volkskrant. Eerst voornamelijk omdat het zo prettig was die dikke zaterdagkrant gewoon thuis bezorgd te krijgen, daarna misschien omdat ik in de krant geloofde, maar tenslotte alleen nog om me er aan te ergeren.
Het abonnement opzeggen bracht rust, maar deed me ook enige dagelijkse kostgangers verliezen die ik wel graag zag komen. Remco Campert, als hij niet over drs. Mallebrootje schreef, Martin Bril met de helft van zijn columns, en dat ene stripje achterin van Peter de Wit over die hardvochtige psychiater.
Maar gelukkig wordt het werk van columnisten en striptekenaars na een tijdje ook in boekvorm uitgebracht. Alleen heb ik van Sigmund niet het idee dat die strip leuker wordt door een paar honderd afleveringen bij elkaar te zetten. Dit in tegenstelling bijvoorbeeld tot het werk van Hein de Kort. Maar bij De Wit vallen ineens de sjablonen op; de makkelijke ideetjes, de kleine variaties in de grappen rond de vaste bijfiguren.
Er stonden voor mij twee afleveringen in deze bundel waar ik om heb kunnen lachen. In beide was er sprake van een zekere schrijver A.F.Th.. Maar goed. Twee geslaagde grappen, dat is al meer dan de meeste bundels mij bieden.
Peter de Wit, Sigmund: Twaalfde sessie
72 pagina’s
Uitgeverij De Harmonie © 2003
in: a-z, humor, bundels, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Peter de Wit-pagina
zondag 6 februari 2005
Ik kan weinig verschillen ontdekken tussen het echtpaar Piet en Riet dat dagelijk in het Parool staat, of de Dirk en Desiree die namens Hein de Kort iedere week in Nieuwe Revu optreden. Er zullen ongetwijfeld redenen voor zijn dat ze anders heten. Maar in beide gevallen gaat bestaan de stellen uit een dikke wat onnozele sloof van een vrouw die het houdt met een klein schlemielig ventje.
In elk geval is er iets in de humor van De Kort wat maakt dat albums veel grappiger zijn dan losse dagelijkse of wekelijkse afleveringen van zijn strips en cartoons. En ook in dit boek gaat weer op dat de som groter is dan de delen. Maar in dit geval is mijn oordeel kort. De Piet en Riet van een paar weken terug was veel grappiger dan deze bundeling.
Hein de Kort, Dirk & Desiree. Leuk is anders
48 pagina’s
Uitgeverij M © 2004
in: a-z, humor, bundels, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hein de Kort-pagina
maandag 7 februari 2005
Zuiderent koos uit de 88 bundels die werden ingezonden voor de VSB Poëzieprijs 2003 de volgens hem honderd beste gedichten. En ziet, werkelijk niemand rijmt meer. Vele vrije versen hebben bovendien nog het meest van hakkelig proza weg.
Desalniettemin trof ook ik wel wat aardigs aan in deze bundel, al gaan die gedichten het anecdotische waarschijnlijk niet te boven. Maar goed, ik mag me waarschijnlijk niet eens poëzieliefhebber noemen, gezien mijn onverschilligheid voor vrijwel alles wat er uit een staalkaart als deze te kiezen is. Indruk maakten dan toch het gedicht “Harvey Kennedy” van Huub Beurskens, twee homerische vergelijkingen van Louis Lehmann, en “Errata*” van Rudy Kousbroek:
Voor ‘kussen’ lees: ‘kussens’,
Voor ‘vliegen’ lees: ‘liegen’,
Voor ‘van jou’ lees: ‘van niemand’,
Voor ‘nood’ lees: ‘wet’.
Voor ‘nu’ lees: ‘later’,
Voor ‘later’ lees: ‘nooit’,
Voor ‘weten’ lees: ‘vergeten’,
Voor ‘waarom’ lees: ‘daarom’.
Voor ‘stenen’ lees: ‘brood’,
Voor ‘trouwen’ lees: ‘branden’,
Voor ‘jong’ lees: ‘oud’,
Voor ‘zwijgen’ lees: ‘goud’.
‘Twee’ moet zijn ‘een’,
En geen vraagteken meer achter ‘meer’.
* In de geest van Paul Muldoon
Ad Zuiderent ed., De 100 beste gedichten van 2003
158 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2004
in: a-z, bundels, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ad Zuiderent red.-pagina
maandag 7 februari 2005
Of hoe een volledig Nederlandstalig boek waarschijnlijk alleen voor mensen met enige kennis van het Fries te genieten zal zijn. Rink van der Velde schreef in jaren zeventig een tweewekelijkse kroniek in de Leeuwarder Courant over het denkbeeldige dorpje Bokwerd. Zogenaamd ging het daarbij om artikelen die rechtstreeks waren overgenomen uit het lokale weekblad het Bokwerder Belang. Steller daarvan was ene Wabbe Wisses Rzn. Deze poogde steevast om zich in deftige volzinnen uit te drukken, met als handicap dat hij daarbij ook nog eens zijn moedertaal Fries steeds letterlijk naar het Nederlands overzette.

Toendertijd waren de kronieken een commentaar op actuele politieke gebeurtenissen en de milde bespotting van duidelijk waarneembare maatschappelijke tendensen; de emancipatie, de intrede van het geitewollensokkengebroed in het onderwijs; het idee dat de verzorgingsstaat de mensen nu te veel verwent. Ik vreesde ook even een typisch jaren zeventig boek onder ogen te krijgen. Maar het viel me mee hoeveel van de behandelde thema’s tijdloos zijn. De kolderieke opsomming van de bestuurlijke functies die de lokale winkelman Doeke Vaartjes vervult, en al de beloningen daarvoor, zou zo weer in de krant geplaatst kunnen worden.
Dit boek gaat uiteindelijk misschien wel vooral over het eeuwige gevoel in het dorp achtergesteld te worden ten opzichte van de hoofdplaats – of is het toch het gevoel minderwaardig te zijn dat Friesland heeft tegenover de Randstad?
Voor mij zit de unieke waarde van Bokwerd for ever in de manier waarop een idiomatisch rijk maar soms nogal cliché-matig Fries gebruikt is om voor Nederlands te acteren. Ter illustratie, de eerste drie alinea’s uit de kroniek “Privé-club”.
Zoals uit ’n annonce in ons vorige nummer blijken deed, hebben wij hier in Bokwerd thans een z.g. privé club en wel in de boerderij waar voorheen Heine Grupstra op zat, welke in de sanering is gegaan en zoals wij allen weten heeft er eerst een commune in gezeten, maar dat is al redelijk gauw op de non gelopen en toen meer als een jaar leeg gestaan, maar thans is de plaats mooi opgeknapt en wij hadden al eens gedacht: wat zal dat? Want wij hadden bij de streek al enige geruchten gehoord.
En ja hoor, daar kwam twee weken geleden de man, welke wij daar al vaker hadden zien omstruinen, bij ons en wilde graag een advertentie in ons blad. Wij hadden dadelijk wel voor het verstand, dat dit spul luizen had en zeiden, dat wij dit toch eerst wel eens even in ons om wilden gaan laten en in overleg treden met Dorpsbelang, wat hij hem wel indenken kon. Dat wij hebben het eerst even met het dagelijks bestuur over gehad, hetgeen aanvankelijk verdeeld was.
Doeke Vaartjes was van bedenken, dat iedereen het zelf maar weten moet. De boerderij staat ’n aardig eind uit de mensen, dat geen één heeft er last van aldus Doeke Vaartjes. En er is helemaal geen nieuws onder de zon, want vroeger had men ook in de dorpen een huisje van houdaan, waar vrouwen toehielden met een winkeltje onder de schort, maar toen hield men dat stil en nu plaatst men een annonce in de nieuwsbladen. […]
Rink van der Velde, Bokwerd for ever
164 pagina’s
Uitgeverij Friese Pers Boekerij 2004 © 1979 oorspronkelijk
in: a-z, humor, bundels, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rink van der Velde-pagina
maandag 7 februari 2005
Kousbroek polemisch tegen religie. Omdat de meeste van deze anathema’s al in NRC-Handelsblad hadden gestaan, heb ik indertijd nooit naar de verzameling in het boek getaald. In de krant las ik ze ook maar half.
Daar zijn ook wel redenen voor. Rudy Kousbroek kan nog zo zijn best doen religie belachelijk te maken, mij als ongelovige hond raakt dat toch geen moment. Bovendien maak ik een groot verschil tussen iemand’s persoonlijke geloofsbeleving, en de geïnstitutionaliseerde vormen van religie. Omdat het bij de georganiseerde vorm van geloof nooit zo zeer om de God[en] alleen gaat, maar juist ook om macht en alle indoctrinatie die tot de controlemechanismen van die macht behoren. Ik vertrouw de schrijver dan ook niet zodra hij zich afvraagt hoe het toch komt dat godsdiensten het hogere zo graag eerbiedigen door bij aardse problemen van het slechtste van de mens uit te gaan. Zo naïef kan Kousbroek toch niet zijn?
Rudy Kousbroek beschrijft in éen van zijn boeken hoe hij als twaalfjarige in een angstig doorwaakte nacht zijn geloof in God is kwijtgeraakt. Hij heeft dus ooit wel geloofd, wat betekent dat hij uiteindelijk nu toch met de felheid van een bekeerling anderen de dwalingen hunner wegen probeert te laten inzien:
Een beetje geloven bestaat niet.
Anderen melden hem dan dat de meeste katholieken weinig anders doen dan een beetje geloven; sterker nog, dat de meeste gelovigen waarschijnlijk weinig meer doen dan een beetje geloven. Maar voor Kousbroek maakt dat niet uit. Een beetje corrupt is ook al corrupt. Waar de rot eenmaal inzit, is alle bederf al aanwezig. Boem, paukenslag.
Enfin, merkwaardig dan toch hoe een goed geschreven boek, met vele ware opmerkingen, me vrijwel geheel onverschillig laat.
Rudy Kousbroek, Hoger honing
112 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1997
in: a-z, religie, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rudy Kousbroek-pagina
woensdag 9 februari 2005
Feroaring fan lucht [Verandering van lucht] is het bestverkochte origineel Friestalige boek ooit. De achterflap van deze paperback rept van 34.000 exemplaren, wat omgerekend naar het Nederlandse taalgebied zoiets als een oplage van boven het miljoen zou zijn. Maar goed, flapteksten zwetsen wel meer, en deze trekt een mij onaangename parallel tussen de familie Flodder en het gezin van Durk en Foekje Lugtigheid en hun twaalf kinderen. De omslag is me sowieso een gruwel.
Deze uitgave brengt bovendien de originele versie niet, want ergens rond 1990 heeft de schrijver geprobeerd de inhoud wat begrijpelijker te maken voor mensen die normaal liever televisie kijken dan lezen. In de cursief gedrukte hoofdstukken is hij dan ook ineens nogal aanwezig; een postmodern te noemen schrijverstruc. Van der Velde is namelijk bang dat niemand meer begrijpen zal wat een buitenmens is en doet, omdat ze dan al bijna niet meer voorkomen.
Toch is Rink van der Velde nu juist een verteller, en gaat het verhaal in dit boek over éen van de meest ingrijpende veranderingen in de menselijke geschiedenis. De trek van het land, uit de natuur, naar de stad. Daarbij wordt duidelijk dat een veldman niet in de fabriek past omdat daar geen natuur te vinden is, en dat families die de vrijheid gewend zijn in het maatschappelijke keurslijf van een verstedelijkte omgeving gauw voor asociaal versleten kunnen worden.
Feroaring fan lucht speelt zich ergens af tussen het eind van de jaren vijftig en het midden van de jaren zestig. De sla was duur voor een kwartje, de Tweede Wereldoorlog lag nog in het levend geheugen, maar de verzorgingsstaat met al zijn betutteling had zich inmiddels ook al aangediend. Dat was mede de reden waarom de hoofdpersoon Durk Snoad [= snugger/eigenaardig] al gauw blijvende rugproblemen kreeg, en daarvan een uitkerinkje trok.
Ik merkte bij het lezen het boek meteen ook al verteltechnisch te beoordelen, wat zelden een goed teken is. Mijn idee daarbij is dat het verhaal wat traag op gang komt, en ook dat het gedeelte te lang duurt dat zich afspeelt in dat oude onverklaarbaar bewoonde rattenklooster aan die zandweg in het bos. Daarna geeft Van der Velde ook nog eens heel ergerlijk toe het moeilijk aannemelijk te kunnen maken waarom de familie dan toch naar een doorzonwoninkje in het nabijgelegen Drachten verhuist, en krijgt het verlangen terug naar de bouwval te willen eigenlijk weer te weinig aandacht.
Het is misschien ook wel dat ik liever lees wat iemand doet om zijn ongeluk te ontlopen [vanuit de stad telkens even terug de natuur in], dan dat het me interesseert hoe iemands vrijheid overschaduwd wordt door bedreigingen van buiten.
Niettemin, een vermakelijk boek bij tijd en wijle.
Rink van der Velde, Feroaring fan lucht
207 pagina’s
Uitgeverij De Friese Pers boekerij 2004 © oorspronkelijk 1971
in: a-z, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rink van der Velde-pagina
woensdag 9 februari 2005
Een selectie uit de boeken, artikelen en columns van deze Leidse historicus, uitgekozen op leesbaarheid. Daaronder bespiegelingen over algemene ontwikkeling, geschiedschrijving na de Tweede Wereldoorlog, de relatie tussen Nederland en Frankrijk, de historicus Fernand Braudel [Annales], en hoeveel wijn er gekocht moet worden voor een prettige kelder.
Dat was allemaal niet onaardig. Wesseling heeft een prettig dedain voor methodiek en theorie. Tegelijkertijd hadden zijn uitspraken in deze bundel ook weer te weinig weerhaakjes om bij mij te blijven hangen.
Beschaafd vermaak. Zoiets.
H.L. Wesseling, De draagbare Wesseling
Samengesteld en ingeleid door Willem Otterspeer
373 pagina’s
Uitgeverij Prometheus © 2002
in: a-z, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de H.L. Wesseling-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 10 februari 2005
Deze verzameling opstellen viel me niet mee bij eerste lezing, dus helemaal onbevangen stond ik er niet tegenover bij deze tweede poging jaren later.
Maar misschien dat ik er te veel van verwacht had indertijd. Het was voor het eerst in tijden dat er weer eens een bundel met beschouwingen over algemene onderwerpen van Komrij verscheen. In de boeken Pek en zwavel en Lood en hagel was vooral oud werk herdrukt. Toegegeven, daarnaast verschenen ondertussen ook poëziebeschouwingen en wat verhalende prozaboeken van zijn hand. Maar ik kan Komrij’s romans of verhalenbundels niet zonder problemen uitlezen. Die zijn zo veel minder geslaagd dan zijn beschouwend werk. Zijn kracht ligt er niet.
Vreemd pakhuis verscheen ook bij een andere uitgever dan voorheen. En in die zin moet ik opmerken dat ik het papier van deze uitgave wel erg snel vind vergelen, en er mij ook te veel lettertekens per regel worden gebruikt.
Dat helpt allemaal niet mee.
Dus ja, mijn oordeel van die eerste lezing blijft staan. Het is niet zijn beste bundel, al betekent dat wel dat dit boek nog altijd heel wat meer fraaie verwoordingen en scherpe waarnemingen bevat dan bijna alles wat er verder verschijnt. Het is alleen net of ik die beschouwingen over bijvoorbeeld poëzie of die over poep elders al eens puntiger en beter bij hem heb gelezen.
Gelukkig maakte het recente boek Demonen veel meer indruk. Misschien had ik dat beter kunnen gaan herlezen.
Gerrit Komrij, Vreemd pakhuis
Verspreide stukken
274 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij © 2001
in: a-z, bundels, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerrit Komrij-pagina
vrijdag 11 februari 2005
Wat te zeggen van een stripalbum waarin alleen maar afleveringen gebundeld zijn die ik al eens in de krant gelezen heb? Allereerst hoe me opvalt dat de periode tussen 12 v 2003 en 14 i 2004 niet zo lang geleden is dat ik de grapjes al heb kunnen vergeten. Zo’n boek is dus snel uit.
En anders dan bij de eerste en tweede verzamelbundel van S1ngle stonden er ook al geen afleveringen in die te gewaagd waren voor in de krant, en nu hun eerste publicatie beleefden.
Wel is er een reeks afleveringen waarin meestal mannen optreden die zich via de website hebben aangemeld voor een date met een van de drie vrouwelijke hoofdpersonen Fatima, Nienke of Stella.
Maar de meeste ruimte geeft dit album aan de liefdesrelatie van Fatima - zij die altijd maar met éen oog wordt afgebeeld - en Ramone de Vries, een beginnende prof bij Ajax. Daarbij wordt een reeks heerlijke grappen over spelersvrouwen gemaakt, die zelfs Silvie Meis begreep blijkens de achterflap.
In Factor S1ngle ontbreekt helaas hoe Fatima die Ramon leerde kennen. Misschien omdat de makers later niet meer aannemelijk konden maken wat een duurbetaalde Ajax-prof nu in een metro deed, maar het kan ook zijn dat die afleveringen in de derde bundel zijn opgenomen.
Hanco Kolk en Peter de Wit, Factor S1ngle
112 pagina’s
Uitgeverij De Harmonie © 2004
meer »
in: a-z, humor, bundels, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hanco Kolk en Peter de Wit-pagina
zaterdag 12 februari 2005
Hoera, eindelijk eens iets van een vrouw. Dit jaaroverzicht was tot nu toe zonder meer misogyn te noemen, terwijl ik me verder toch zelden schuldig maak aan vrouwenhaat.
Mislukt aan dit boek is eigenlijk alleen de titel, met dat drie keer “je” erin. Voor de rest was ik prettig verrast, al kostte het moeite eraan te wennen dat Gerrie Hondius geen omkaderingen gebruikt in haar strips. Dat maakt het vreemd genoeg moeilijk te zien wanneer een verhaaltje begint, en waar het ophoudt. Verder mikken de verschillende episodes eerder op de milde glimlach der herkenning dan op de gulle lach, maar dat kan ik geen probleem vinden.
Net als nogal wat andere vrouwenstrips schijnt dit boek voornamelijk autobiografisch te zijn. En het zou misschien weleens aardig zijn om te vergelijken wat mannen in verhalen of strips over zichzelf kwijt willen, en waar vrouwen de nadruk op leggen. Het hondse gedrag van een paar mannen in deze verhalen van Hondius, vervulde mij in elk geval met plaatsvervangende schaamte.
Gerrie Hondius, Als je je niks verbeeldt dan ben je niks
144 pagina’s
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar © 2000
meer »
in: a-z, humor, [auto]biografisch, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerrie Hondius-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 12 februari 2005
Wat had ik eigenlijk van Herman de Coninck gelezen voor zijn overlijden in 1997? Een gedicht of wat misschien? Hij staat in de Dikke Komrij.
Waarschijnlijk moet ik gewoon toegeven dat hij me pas opgevallen is na zijn dood, en de publiciteit die dat meebracht. Door het boek Taal zonder mij van zijn weduwe Kristien Hemmerechts, die daarin een uniek monument in woorden voor hem oprichtte.
Sindsdien heb ik enkele van zijn essaybundels tweedehands kunnen kopen, en zijn verzamelde poëzie aangeschaft. De Coninck heeft me daardoor anders naar enkele gedichten leren kijken.
Maar is dat genoeg om ook zijn biografie te willen lezen? Vind ik hem interessant genoeg om letterlijk elk kattebelletje van zijn hand te kunnen appreciëren?
Dat waren vooraf toch mijn gedachten voordat ik aan dit breviarium begon. Want, behalve Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers vielen alle brievenboeken die me ooit onder ogen kwamen me eigenlijk tegen.
Uiteindelijk ging deze best, misschien omdat ik er niet al teveel van verwachtte. Voor een deel kwam dat door de eerlijkheid van de schrijver, die duidelijk zijn voorkeuren had en deze ook goed kon verwoorden. Maar als collectie is het toch een allegaartje; een selectieve keuze van 444 brieven en briefjes uit een corpus van ongeveer 7.000.
Die brieven zijn wel weer voortreffelijk geannoteerd. Elke eigennaam die er voor het eerst in voorkomt wordt uitgelegd. Zo werd er een noot aan gewijd dat Suske en Wiske een stripverhaal is van Willy Vandersteen, of Delhaize een Belgische supermarktketen.
Als ik toch iets aan wil merken: in mijn exemplaar zijn enkele katernen slordig scheef afgesneden, waardoor de regels licht omloog lopen naar het einde.
En toch ook, het enige wat ik aantekende onder het lezen was het lijstje met de tien beste gedichten ooit dat De Coninck ergens voor opgeven moest. Die verdienen weer een aparte exploiratie:
- Vasalis: ‘Er zijn dingen die alleen het oppervlak beroeren’
- Rutger Kopland: ‘Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin’
- Hans Faverey: ‘Hoe zij recht staat; dat zie ik’
- Gerrit Kouwenaar: ‘Daags voor de vrede zond onze almachtige’
- Eva Gerlach: ‘De kracht van de verlamming’
- Hugo Claus: ‘Dichter’
- Richard Minne: ‘Soms tussen tulpen bloeit een tulp vreemdsoortig’
- Judith Herzberg: ‘Burengerucht’
- Remco Campert: ‘Lamento’
- Fritzi ten Harmsen: ‘Interpretatie van het uitzicht’
Herman de Coninck, Een aangename postumiteit
Brieven 1965 – 1997
862 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2004
in: a-z, boeken over schrijven, bundels, poëzie, cultuur, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman de Coninck-pagina
zondag 13 februari 2005
Herinner me er bij gelegenheid nog eens aan McLuhan te quoten, als die probeert te omschrijven wat de media nu precies zijn en doen. Het lukte hem niet.
Niemand kan dat waarschijnlijk ook. En op het moment al helemaal niet meer, nu zo langzamerhand alle traditionele media ook online vertegenwoordigd zijn, en daarbij dat internet niet eens alleen als distributiekanaal benutten.
Bovendien is er dat tweewegverkeer online. Of het simpele feit dat alles wat een privé-persoon op een website zet door de hele wereld te bekijken is.
De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) probeert aan de spraakverwarring over wat de media nu precies zijn en doen te ontkomen door zich enkel op de functies te concentreren. Daarbij onderscheidt deze raad er zes:
- de nieuwsvoorzieningsfunctie;
- het bieden van mogelijkheden voor opinievorming & achtergrondinformatie (platformfunctie);
- de functie van vermaak (amusement & vermaak);
- de functie van uitingen van kunst & cultuur;
- de functie van de ‘specifieke’ informatievoorziening;
- de functie van commerciële (advertentie-)uitingen en andere vormen van op gedragsverandering gerichte beïnvloeding (zoals overheidscampagnes).
Ik mag graag naar dit soort indelingen kijken, omdat deze zoiets als overzicht pretenderen te brengen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) had ook al zo’n fijne indeling vorig jaar. Want volgens het SCP zijn de functies van de media er vier:
- informeren en opiniëren;
- gezelschap bieden en verbondenheid creëren;
- socialiseren en cultureel integreren;
- amuseren.
Alleen al door deze twee indelingen te vergelijken, vallen de gebreken in beide op. De SCP ziet niet dat de media nogal wat ruimte biedt aan reclame en andere vormen van propaganda – de WRR onderkent daarentegen niet duidelijk dat de media delen van het publiek kan binden en tot gezelschap kan zijn.
Maar goed, het definitieve inzicht hoefde de WRR ook niet te formuleren. Het enige wat deze Raad als opdracht kreeg was het kabinet te adviseren welke uitwerkingen de ontwikkelingen in het medialandschap op het beleid zouden hebben. En te signaleren in hoeverre er mogelijkheden zijn voor de overheid om te reguleren of op een andere manier daadwerkelijk in te grijpen.
Die mogelijkheden zijn traditioneel nogal beperkt. Vandaar dat mediabeleid ook bijna altijd alleen maar omroepbeleid was.
Blijkt de WRR alleen over het hoofd te hebben gezien dat ook het auteursrecht grote kansen biedt tot regulering. Neem nu de broadcast flag in de Verenigde Staten. Is er een smerige oorlog aan de gang in de wereld, waarin overheden een nogal beslissende rol spelen, maakt dat in Nederland blijkbaar helemaal geen indruk voor een rapport dat pretendeert vooruit te kijken.
Maar goed. Wat zijn dan eigenlijk de belangrijkste eisen waaraan de media zouden moeten voldoen? Laat ik die vraag eens stellen. Al was het maar om me even van de vervelende taak te verlossen het werkelijke medialandschap in Nederland zo goed mogelijk te beschrijven en interpreteren.
Is er een ideaal te formuleren? Of strandt zelfs dat op de wetten in de weg en de praktische bezwaren?
Een ideaal zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat iedereen de standpunten van zijn politieke beschouwing of religieuze overtuiging terug moet kunnen vinden in media. Zolang die wettelijk oirbaar zijn, natuurlijk.
Maar dan nog.
In het rapport Focus op functies van de WRR is er veel aandacht voor het begrip pluriformiteit. Maar wat bedoelt de Raad daarmee? Nogal zelfverzekerd staat er:
Pluriformiteit is zowel een zeer centrale waarde in het mediabeleid, alsmede een van de meer veranderlijke waarden in termen van de (politieke) invulling ervan. Afhankelijk van politieke omstandigheden en marktontwikkelingen varieert de interpretatie van deze waarde sterk.
blz 31
In het rapport wordt vervolgens deze indeling gehanteerd:
- pluriformiteit van aanbieders (vaak aangeduid als pluraliteit);
- pluriformiteit ‘binnen’ aanbieders (inhoudelijke variatie van het aanbod van een en dezelfde producent);
- pluriformiteit (of diversiteit, variatie, onderscheidendheid) van het aanbod zelf in termen van inhoud en genres;
- pluriformiteit van de vraag.
blz 93
Maar vervolgens krijgt dat geen concrete invulling. Nee sterker nog, met de pluriformiteit in de media gaat het eigenlijk steeds beter:
In algemene zin kan worden geconcludeerd dat pluriformiteit als waarde van groot belang blijft, maar dat pluriformiteit als publiek belang geen versterking vraagt, omdat veel nieuwe ontwikkelingen de realisatie van deze waarde uitdrukkelijk begunstigen. Een tocht op internet of een bezoek aan een tijdschriftenkiosk leert dat er sprake is van een veelkleurig aanbod. Blijvende monitoring is natuurlijk ook hier nodig, daar de ontwikkelingen zich vooral bij nieuwe media zoals het internet nog onvoldoende hebben uitgekristalliseerd.
blz 95
Internet brengt de zegen dus, zonder dat ook maar geformuleerd wordt welke problemen dat dan zou oplossen.
Laat ik een concreet voorbeeld noemen. Er zijn nog 467 gemeenten in Nederland, met 467 ambitieuze colleges van burgemeester en wethouders. Maar hoe krijgen de inwoners van die gemeenten over al die plannen te horen? Als er geen lokaal huis-aan-huisblad is, en alleen een lokale radiozender die financieel afhankelijk is van een gemeentelijke subsidie? Tellen de websites van de lokale politiek partijen dan ineens mee?
Kortom, de grote vraag is of te meten is of de media voldoende pluriformiteit bieden. Want, daarvoor zullen dan waarschijnlijk toch inhoudelijke gronden opgesteld moeten worden. Terwijl overheden inhoudelijk niets kunnen sturen, vanwege die vrijheid van meningsuiting of die van drukpers.
Het Centraal Planbureau schrijft in het rapport Onderweg naar morgen [mediabeleid is een soap, hoe treffend], dat op dezelfde dag verscheen als de WRR-studie:
Het is niet goed te bepalen of de markt het ‘juiste’ niveau van pluriformiteit, verscheidenheid en onafhankelijkheid tot stand brengt. Het ‘juiste’ niveau is immers niet gepreciseerd. Wel kunnen we aangeven wanneer het risico dat de markt faalt groter is. Wat pluriformiteit en onafhankelijkheid betreft, is dit risico groter als het media-aanbod advertentiegefinancierd is.
blz 45
Ik begrijp dus niet goed wat de WRR nu allemaal beweert. Het klinkt allemaal wel aardig, maar op de keper beschouwd is het zo weinig, nu ja, ‘wetenschappelijk doordacht’.
WRR, Focus op functies
uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid
196 pagina’s
Amsterdam University Press © 2005
in: a-z, politiek, media, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de WRR-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 13 februari 2005
Ooit zag ik een diep ontroerde Joost Prinsen het lied ‘Ben Ali Libi’ voordragen op televisie. Dat was indrukwekkend. Maar kwam dat dan door de tekst, of is het door de emotie in de voordracht over het lot van die arme Joodse variète-artiest?
Vragen zijn bij meer liedjes te stellen die in deze bloemlezing zijn opgenomen. Is ‘De oude school’ indrukwekkend doordat ik de tekst zo vaak gehoord heb in de uitvoering van Don Quishocking, of is het lied zo goed omdat het dat cabarettoontje heeft overleefd?
In dit multimediale tijdperk zou een bloemlezing van Willem Wilmink’s beste liedjes misschien vergezeld moeten gaan van video’s of in elk geval geluidsopnamen mee moeten geven. Maar zo denken uitgevers nog niet, helaas.
Enfin, in deze bloemlezing staan vooral gedichten en vertalingen van poëzie. En ik nam het boek door op zoek naar het ene gedicht dat me altijd ontgaan was, en nu ineens een onuitwisbare indruk zou maken.
Dat stond er helaas niet in. Maar het was geen straf dit boek te lezen.
Willem Wilmink, Het kind is vader van de man
Een bloemlezing uit eigen werk
196 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 1989
in: a-z, poëzie, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Willem Wilmink-pagina
maandag 14 februari 2005
Gombrowicz schreef spottend het intro voor alle dagboeken van wie dan ook:
Maandag
Ik.
Dinsdag
Ik.
Woensdag
Ik.
Donderdag
Ik.
Maar daarom nam ik dit boek niet opnieuw ter hand. Het is tijd om Ferdydurke weer eens te herlezen. En ik herinnerde me dat Gombrowicz in dit dagboek op verschillende manieren terugkijkt naar dat boek. Zo zei het hem helemaal niets meer, zeven jaar nadat hij de tekst voor het laatst had ingekeken. Maar toch werkte de inhoud nog, in een hele andere cultuur, zo merkte de auteur, toen hij met hulp van vrienden het boek uit het Pools omzette naar het Spaans.
Terloops kreeg ik het motto aangereikt voor dit boeklog:
Dus, oordeel niet. Beschrijf slechts uw reacties. Schrijf nooit over de auteur noch over zijn werk, slechts over uzelf in uw confrontatie met het werk of de acteur. Over uzelf heeft u het recht te spreken.
Maar, over uzelf schrijvend, schrijf dan zo dat uw persoon aan gewicht, betekenis en leven wint, dat zij tot uw beslissend argument wordt. Schrijf du niet als een pseudo-wetenschapper, maar als een kunstenaar. Kritiek moet even strak gespannen en vibrerend zijn als het werk dat zij aanraakt – anders laat zij slechts het gas ontsnappen uit een ballon, wordt zij tot een slachting met een stomp mes, tot ontbinding, anatomie, graf.
En als ik toch aan het citeren ben:
Zij: ‘U hebt een makkelijk leven.’ Ik: ‘Waarom denkt u dat ik een makkelijk leven heb?’ Zij: ‘U hebt talent! U kunt schrijven wat u wilt en u ontvangt daarvoor erkenning en verschillende gemakken in het leven.”
Ik: ‘Maar weet u dan niet hoeveel moeite het schrijven kost? Zij: ‘Wanneer men talent heeft, valt iemand alles licht.’ Ik: ‘Maar “talent” is toch een leeg woord; om te schrijven moet men iemand zijn, zonder ophouden aan zichzelf werken, zelfs met zichzelf strijden, het is een voortdurende ontwikkeling…’ Zij: ‘Hi, waarom zou u werken, wanneer u talent hebt. Wanneer ik talent had, zou ik ook schrijven.’
Tenslotte:
France zegt: talent is alleen maar groot geduld. Gide: talent is angst voor de nederlaag. Als talent angst en geduld is, ontbreekt het mij niet aan talent.
Witold Gombrowicz, Uit het dagboek van Witold Gombrowicz
176 pagina’s
Moussault’s Uitgeverij Amsterdam © 1967
in: a-z, [auto]biografisch
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Witold Gombrowicz-pagina
dinsdag 15 februari 2005
Dit is het boek waarin Renate Rubinstein zich voor het eerst openlijk uitsprak over haar ziekte. Ze leed toen al zeven jaar aan multiple sclerose, maar vermeed iedere verwijzing daarnaar in de toch vrij persoonlijke columns die ze schreef voor Vrij Nederland. Het was ook een te groot onderwerp, waar te veel over te zeggen viel, om even af te doen in een column of wat.
Rubinstein vertelt in dit boek droog zakelijk over haar aftakeling, en al wat daarbij komt kijken; zoals de lelijkheid van de rolstoelen en scooters die haar mobiel moeten houden. Maar meer nog is Nee heb je een gedachtenoefening over wat ziek zijn is en wat gezond. Een conclusie daarover luidt dat buitenstaanders vrijwel onmogelijk over een ander kunnen oordelen, omdat hun zogenaamd objectieve blik alles banaliseert. Ieder individu past de werkelijkheid inwendig toch al aan om daarin te kunnen functioneren, en zieken zullen dat als zij lijden nog iets sterker doen. Niet wat allemaal niet meer kan, wordt dan de maat, maar alles wat nog wel mogelijk is. En het plezier dat ook dit nog brengen kan.
Renate Rubinstein, Nee heb je
90 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff 1994 © 1985 oorspronkelijk
in: a-z, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Renate Rubinstein-pagina
woensdag 16 februari 2005
Wat jammer toch dat Renate Rubinstein zo weinig boeken heeft geschreven naast haar columns, dacht ik bij het lezen van deze bundel. Het parlando waarin ze schrijft, maakt haar éen absoluut tot éen van mijn favoriete schrijvers in het Nederlands. Haar dwarsheid levert daarbij ook nog eens een permanente les op in hoe iemand altijd zelf moet durven kijken.
Maar juist bij een verzameling columns wreekt zich dat zo veel onderwerpen die ze aansnijdt een kleine twintig jaar later al volledig uit het bewustzijn verdwenen zijn. Na de Koude Oorlog veranderde de wereld, al is in haar stukken over Israel dan nog wel veel zoals toen.
Dus bleef de helft van dit boek nog over om te lezen. Haar stukken over het dagelijkse leven en die over literatuur. En daarin reikt ze toch minder ver dan in Nee heb je.
Renate Rubinstein, Tijd van leven
201 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff 1994 © 1987 oorspronkelijk
in: a-z, bundels, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Renate Rubinstein-pagina
donderdag 17 februari 2005
Vintage De Kort. Liet me merkwaardig onverschillig. Voorlopig maar even geen boeken van Hein de Kort meer lezen.
Hein de Kort, Liggend naakt met staande schemerlamp
geen paginanummering
Uitgeverij C.I.C. / Hein de Kort © 1991
in: a-z, humor, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hein de Kort-pagina
vrijdag 18 februari 2005
Mag iemand publiek worden gevraagd naar zijn mening over een boek waarin hij wordt aangevallen?
Dat lijkt me wel.
Mag de ondervraagde daarbij verzwijgen dat hij in het boek als een schertsprofessor wordt opgevoerd?
Dat is al minder kies, want daardoor vertrouw ik zijn oordeel niet meer.
Paul Cliteur werd gevraagd naar zijn mening over het pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid van Geert Mak. En hij vond het maar niets, dat boekje. Maar, was dat oprecht gemeend, of kwam het toch omdat Mak juist in hem éen van de ergste paniekzaaiers van dit moment vermoedt?
Cliteur viel bovenal over de vergelijking die Geert Mak maakte tussen de stijlmiddelen die Ayaan Hirsi Ali hanteert in haar film Submission en een eerder voorbeeld daarvan, zoals toegepast door Joseph Goebbels in Der ewige Jude.
Nu is dat hele stijlmiddel niet anders dan een cliché in de reclame geworden. Hirsi Ali toonde mishandelde moslimvrouwen en projecteerde selectief teksten uit de Koran op hun blote huid. Maar menig product wordt in een commercial ook aangeprezen op de blote huid van vrouwen, door daarbij selectief wat teksten te debiteren. Dit noemen we propaganda. En ook als er een idee mee verkocht moet worden in plaats van een product blijft het propaganda.
Nee, net zoals het heel makkelijk is om iemand te verwijten dat die de Tweede Wereldoorlog erbij sleept om gelijk te krijgen, geldt dat andersom eigenlijk ook. Wie zegt dat een argument niet deugen kan omdat er te makkelijk vergelijkingen met Nazi-praktijken zijn getrokken, heeft daarin alleen gelijk als die ene vergelijking op zichzelf staat.
Maar Geert Mak maakt in zijn pamflet bewust zware vergelijkingen. Met hoe de taal in het publiek debat veranderde tijdens de opkomst van de Nazi’s, met de propaganda tijdens de snelle omslag tot een burgeroorlog in Servië. Hij probeert ons voor te houden hoe het denkklimaat in een land verziekt kan worden, door het publiek vooral maar angst aan te jagen.
Vandaar die oproep kwetsbaar te durven zijn.
Maar heeft hij die parallellen nodig? Moet er naar Nazi’s of Balkanoorlogen verwezen worden om wat er hier gebeurt helderder te krijgen?
Het punt voor mij is dat al die blatende politici zichzelf al zo belachelijk hebben gemaakt, bijvoorbeeld door hun oproepen iedereen die van een terreurdaad wordt verdacht meteen van zijn burgerrechten te ontdoen. Neukt niet dat internationale verdragen dit verbieden. Ik heb die parallellen niet nodig, maar kan tegelijkertijd wel zien waarom Mak ze heeft gebruikt. Retoriek is soms gewenst. Maar, dat levert mij dan ook de merkwaardige conclusie op dat ik het volkomen met Geert Mak eens ben, en toch ook zijn pamflet als propaganda beschouw met alle uitwassen die daar bij horen.
Bovendien staan er een aantal feitelijke onjuistheden in de tekst. Die “gouden tondeuse” voor de grootste landverrader op de website van Theo van Gogh bijvoorbeeld, werd maandelijks uitgereikt door Bernadette de Wit. De vermoorde filmer wilde er zelf niets mee te maken hebben. Toch gebruikt Mak het gegeven in zijn pamflet om Van Gogh tot querulant te maken.
Dat is allemaal niet nodig. Enfin.
Geert Mak, Gedoemd tot kwetsbaarheid
95 pagina’s
Uitgeverij Atlas © 2005
Zie ook het hele Dossier gedoemd tot kwetsbaarheid
in: basisbibliotheek, typisch hollands, a-z, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Geert Mak-pagina