Focus op functies ~ WRR

► door: A.IJ. van den Berg

Herinner me er bij gelegenheid nog eens aan McLuhan te quoten, als die probeert te omschrijven wat de media nu precies zijn en doen. Het lukte hem niet.

Niemand kan dat waarschijnlijk ook. En op het moment al helemaal niet meer, nu zo langzamerhand alle traditionele media ook online vertegenwoordigd zijn, en daarbij dat internet niet eens alleen als distributiekanaal benutten.

Bovendien is er dat tweewegverkeer online. Of het simpele feit dat alles wat een privé-persoon op een website zet door de hele wereld te bekijken is.

De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) probeert aan de spraakverwarring over wat de media nu precies zijn en doen te ontkomen door zich enkel op de functies te concentreren. Daarbij onderscheidt deze raad er zes:

  1. de nieuwsvoorzieningsfunctie;
  2. het bieden van mogelijkheden voor opinievorming & achtergrondinformatie (platformfunctie);
  3. de functie van vermaak (amusement & vermaak);
  4. de functie van uitingen van kunst & cultuur;
  5. de functie van de ‘specifieke’ informatievoorziening;
  6. de functie van commerciële (advertentie-)uitingen en andere vormen van op gedragsverandering gerichte beïnvloeding (zoals overheidscampagnes).

Ik mag graag naar dit soort indelingen kijken, omdat deze zoiets als overzicht pretenderen te brengen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) had ook al zo’n fijne indeling vorig jaar. Want volgens het SCP zijn de functies van de media er vier:

  1. informeren en opiniëren;
  2. gezelschap bieden en verbondenheid creëren;
  3. socialiseren en cultureel integreren;
  4. amuseren.

Alleen al door deze twee indelingen te vergelijken, vallen de gebreken in beide op. De SCP ziet niet dat de media nogal wat ruimte biedt aan reclame en andere vormen van propaganda — de WRR onderkent daarentegen niet duidelijk dat de media delen van het publiek kan binden en tot gezelschap kan zijn.

Maar goed, het definitieve inzicht hoefde de WRR ook niet te formuleren. Het enige wat deze Raad als opdracht kreeg was het kabinet te adviseren welke uitwerkingen de ontwikkelingen in het medialandschap op het beleid zouden hebben. En te signaleren in hoeverre er mogelijkheden zijn voor de overheid om te reguleren of op een andere manier daadwerkelijk in te grijpen.

Die mogelijkheden zijn traditioneel nogal beperkt. Vandaar dat mediabeleid ook bijna altijd alleen maar omroepbeleid was.

Blijkt de WRR alleen over het hoofd te hebben gezien dat ook het auteursrecht grote kansen biedt tot regulering. Neem nu de broadcast flag in de Verenigde Staten. Is er een smerige oorlog aan de gang in de wereld, waarin overheden een nogal beslissende rol spelen, maakt dat in Nederland blijkbaar helemaal geen indruk voor een rapport dat pretendeert vooruit te kijken.

Maar goed. Wat zijn dan eigenlijk de belangrijkste eisen waaraan de media zouden moeten voldoen? Laat ik die vraag eens stellen. Al was het maar om me even van de vervelende taak te verlossen het werkelijke medialandschap in Nederland zo goed mogelijk te beschrijven en interpreteren.

Is er een ideaal te formuleren? Of strandt zelfs dat op de wetten in de weg en de praktische bezwaren?

Een ideaal zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat iedereen de standpunten van zijn politieke beschouwing of religieuze overtuiging terug moet kunnen vinden in media. Zolang die wettelijk oirbaar zijn, natuurlijk.

Maar dan nog.

In het rapport Focus op functies van de WRR is er veel aandacht voor het begrip pluriformiteit. Maar wat bedoelt de Raad daarmee? Nogal zelfverzekerd staat er:

Pluriformiteit is zowel een zeer centrale waarde in het mediabeleid, alsmede een van de meer veranderlijke waarden in termen van de (politieke) invulling ervan. Afhankelijk van politieke omstandigheden en marktontwikkelingen varieert de interpretatie van deze waarde sterk.

blz 31

In het rapport wordt vervolgens deze indeling gehanteerd:

  1. pluriformiteit van aanbieders (vaak aangeduid als pluraliteit);
  2. pluriformiteit ‘binnen’ aanbieders (inhoudelijke variatie van het aanbod van een en dezelfde producent);
  3. pluriformiteit (of diversiteit, variatie, onderscheidendheid) van het aanbod zelf in termen van inhoud en genres;
  4. pluriformiteit van de vraag.
blz 93

Maar vervolgens krijgt dat geen concrete invulling. Nee sterker nog, met de pluriformiteit in de media gaat het eigenlijk steeds beter:

In algemene zin kan worden geconcludeerd dat pluriformiteit als waarde van groot belang blijft, maar dat pluriformiteit als publiek belang geen versterking vraagt, omdat veel nieuwe ontwikkelingen de realisatie van deze waarde uitdrukkelijk begunstigen. Een tocht op internet of een bezoek aan een tijdschriftenkiosk leert dat er sprake is van een veelkleurig aanbod. Blijvende monitoring is natuurlijk ook hier nodig, daar de ontwikkelingen zich vooral bij nieuwe media zoals het internet nog onvoldoende hebben uitgekristalliseerd.

blz 95

Internet brengt de zegen dus, zonder dat ook maar geformuleerd wordt welke problemen dat dan zou oplossen.

Laat ik een concreet voorbeeld noemen. Er zijn nog 467 gemeenten in Nederland, met 467 ambitieuze colleges van burgemeester en wethouders. Maar hoe krijgen de inwoners van die gemeenten over al die plannen te horen? Als er geen lokaal huis-aan-huisblad is, en alleen een lokale radiozender die financieel afhankelijk is van een gemeentelijke subsidie? Tellen de websites van de lokale politiek partijen dan ineens mee?

Kortom, de grote vraag is of te meten is of de media voldoende pluriformiteit bieden. Want, daarvoor zullen dan waarschijnlijk toch inhoudelijke gronden opgesteld moeten worden. Terwijl overheden inhoudelijk niets kunnen sturen, vanwege die vrijheid van meningsuiting of die van drukpers.

Het Centraal Planbureau schrijft in het rapport Onderweg naar morgen [mediabeleid is een soap, hoe treffend], dat op dezelfde dag verscheen als de WRR-studie:

Het is niet goed te bepalen of de markt het ‘juiste’ niveau van pluriformiteit, verscheidenheid en onafhankelijkheid tot stand brengt. Het ‘juiste’ niveau is immers niet gepreciseerd. Wel kunnen we aangeven wanneer het risico dat de markt faalt groter is. Wat pluriformiteit en onafhankelijkheid betreft, is dit risico groter als het media-aanbod advertentiegefinancierd is.

blz 45

Ik begrijp dus niet goed wat de WRR nu allemaal beweert. Het klinkt allemaal wel aardig, maar op de keper beschouwd is het zo weinig, nu ja, ‘wetenschappelijk doordacht’.

WRR, Focus op functies
uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid
196 pagina’s
Amsterdam University Press, 2005

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden