dinsdag 1 november 2005
Herman Brusselmans heeft dus gewoon nog eens kort haar gehad. Wat schattig.
In Weg met de literatuur! zijn twee vroege werken van de schrijver verzameld. De geschiedenis van de wereldliteratuur [1989] en De geschiedenis van de Vlaamse letterkunde [1988]. Om die wereldliteratuur was het mij te doen, want dat was de titel van de boekenrubriek die Brusselmans schreef voor De Morgen.
Ik herlas dit boek om te zien of Brusselmans vroeger beter was dan nu. Of het terecht is dat ik toen nog weleens boeken van hem kocht, en las.
En ja, hij kon erg goed zijn eind jaren tachtig.
Al is het nu ook weer niet heel moeilijk te schelden over slecht geschreven boeken, maar Brusselmans liet me meerdere keren lachen. Hij verleidde me bijna tot de gedachte hoe leuk het zou zijn om op dit boeklog ook over al dat halfgebakken proza dat maar uitgegeven wordt te gaan schrijven. De ellende is alleen dat ik daarvoor al die troep ook nog eens zou moeten lezen.
W.F. Hermans zei over het recenseren van slechte boeken dat het als sneeuwruimen was. Uit zichzelf verdwijnt het allemaal ook wel. Maar ik ben blij dat er boeken zijn die getuigen hoe amusant het ruimen zijn kan.
Herman Brusselmans, Weg met de literatuur!
Een baanbrekende studie
315 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 1997
in: a-z, boeken over schrijven, bundels, reference, cultuur, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman Brusselmans-pagina
vrijdag 4 november 2005
Vertalingen zijn sneller ouderwets dan originelen, dat was éen reden om dit boek eens te lezen. Is Douwe Kalma’s (1896-1953) Friese vertaling van Shakespeares werk überhaupt nog te begrijpen? Want, bracht hij zijn tijdgenoten de oerteksten dichterbij?
Of vertaalde Kalma vooral deze klassieke gedichten om te kunnen zeggen hoe rijk het Fries wel niet is dat het zijn eigen versies van Shakespeare’s werken kent?
Ik vrees het laatste. Zelfs in deze vorm, in de moderne Friese spelling gezet door Eric Hoekstra, staan de vertaalde sonnetten verder van mij af dan de Engelstalige originelen. Hoewel die eeuwen ouder zijn.
Zoals Hoekstra in zijn inleiding aangeeft: Kalma vertaalt soms wat preuts. Maar dat is het niet. Ik heb meer het idee dat er bij de vertaling een galm en plechtstatigheid insluipt die de originelen niet hebben.
Waarschijnlijk komt dat omdat ik in mijn hoofd Shakespeare’s Engels vereenvoudig tot iets dat ik begrijpen kan. Maar toch. Als ik vertalingen van bijvoorbeeld Bert Voeten vergelijk met die van Kalma, dan helpt het Nederlands me om het Engels beter te begrijpen. Die Friese versies doen dat niet.
** Zie ook de website van ELF, waar de sonnetvertalingen weldra ook elektronisch beschikbaar komen.
William Shakespeare, De Sonnetten
yn de oersetting fan Douwe Kalma
208 paginas
Bornmeer & Stichting ELF © 2005
in: a-z, vertaald, poëzie, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de William Shakespeare-pagina
zaterdag 5 november 2005
Gedichten doen me meer dan bundels. Zelden bevalt me een cyclus zo goed dat de som meer is dan de delen alleen. Maar voor De fjoerbidders [vuurbidders] moet ik een uitzondering maken.
In dit nogal nadrukkelijk vormgegeven boek staan dertig achtregelige gedichten, verdeeld over vijf songs. Elk van die songs heeft een motto, ontleend aan een tekst uit de popmuziek. En, afzonderlijk kan ik de gedichten eigenlijk nauwelijks lezen. Daarvoor is Soepboer’s taal te karig; brengt ze niet genoeg informatie over. Het ene gedicht moet het andere wel aanvullen.
Dan blijkt de cyclus over de liefde te gaan, dat oud verhaal. Er is een ongelukkige driehoeksverhouding. Met de vertellende ik-persoon als verliezende partij, in dat flatje bij die stinkende suikerfabriek [bij iedereen wel zo ongeveer bekend die de weg in Groningen weet].
Ook de taal versterkt dat gevoel van onmacht. Er staan ongrammaticale zinnen in de verzen, en Engelse woordjes; blijkbaar omdat de eigen taal niet genoeg over heeft. Mij noodzaakte dit wel om de gedichten hardop voor te lezen, om ze beter te kunnen begrijpen.
En dan moet me van het hart: door de compactheid van de gedichten,en de grote letter waarin ze zijn afgedrukt, heeft deze uitgave ook wel iets van een voorleesboek.
** zie ook Soepboer’s website over dit boek.
Albertina Soepboer, De fjoerbidders
43 paginas
Utjouwerij Bornmeer © 2003
in: a-z, poëzie, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Albertina Soepboer-pagina
zondag 6 november 2005
Eén van de boeken waarvan ik blij ben dat het in mijn kast staat, is er twee. De beide in leer gebonden deeltjes van The Oxford Library of Classic English Short Stories. Tezamen zijn deze goed voor zo’n negenhonderd pagina’s tekst. Dat is een hoop, maar door de keuze om de verhalen in twee deeltjes te presenteren, zijn de boekdelen goed hanteerbaar gebleven. En prettig te lezen.
Wat me meteen opviel aan De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen is dat dit boek allesbehalve prettig leest. Er zijn 1600 paginas in een band gepropt, de bladspiegel is te breed, er staan te veel zinnen op een pagina, en nieuwe verhalen komen zonder enige rust meteen na de voorafgaande. Daardoor begint er ook weleens een verhaal ongelukkig helemaal onderaan de bladzijde [Willem Melchior, Kogeltjes].
Terwijl het boek rijkdom belooft, is het zo volgepropt dat het juist een goedkope indruk maakt.
Daarnaast is er natuurlijk dat andere bezwaar tegen bloemlezingen. De eeuwige vraag: waarom heeft de samensteller uitgezocht wat die heeft uitgezocht? Bij een heel aantal van de opgenomen schrijvers had ik andere verhalen uitgekozen. Maar waarom? Omdat ik vooral het mooiste uit wil kiezen, en niet iets dat misschien meer representatief voor het geheel?
Vraag is ook wat het doel van zo’n bloemlezing als deze is, waar rijp en groen door elkaar staat, en grootmeesters naast debutanten prijken. Al schijnt Zwagerman bij de samenstelling vooral de vroege verhalen te hebben gekozen, omdat die de wereld voor het eerst met een nieuwe stem lieten kennismaken.
Een ode aan het verhaal aan genre heet dit boek te zijn. In Nederland is het kortverhaal altijd ondergewaardeerd, omdat verhalen hier nog altijd als vingeroefeningen gezien schijnen te worden. Ach ja. De doorsnee Nederlandse roman is nu eenmaal een meesterwerk in het zo hoogaangeschreven genre. Wat deugt er wel aan de waardering van boeken hier?
Mijn algemene bezwaar tegen deze bundel, en de keuze van Zwagerman om vooral vroeg werk op te nemen, is dat de Nederlandse en Vlaamse literatuur van de laatste decennia daarmee erg puberaal wordt. Jonge schrijvers schrijven over jonge mensen. Andere mensen zijn ze nog niet geweest. Maar het wereldbeeld van jonge mensen is bijna voorspelbaar zwart-wit. Met autoriteiten als ouders en leraren, zonder die verplichting van werk en vaste lasten. En ook met voorspelbare angsten.
Ik ben nogal uitgekeken op verhalen met zulke vaste en in mijn ogen gemakkelijke sjablonen. Net als dat ik bijna geen boek over de Tweede Wereldoorlog lezen kan, zonder me te ergeren aan al te makkelijke goed-fout tegenstellingen. Sorry, maar dat weten we nu wel.
Dus. Als dit werkelijk het beste is wat we hebben, dan kan die Nederlandse literatuur grotendeels maar beter worden opgeheven ook.
Desalniettemin, er stonden toch enkele verhalen in dit boek die me nieuwsgierig maakten naar meer. Ondanks alle hierboven opgesomde bezwaren. Ondanks dat een los verhaal tussen die van andere schrijvers wel erg op zichzelf staat, en nauwelijks profiteert van de gemoedstoestand die ontstond na wat daarvoor gelezen werd. Kwaliteit of eigenheid verloochent zich niet. Alleen is vier of vijf prikkelingen op 250 geen grote oogst.
Maar misschien is dat wel het enige doel van bloemlezingen. Dat de lezer daarna gericht andere boeken gaat opzoeken, profiterend van de selectie die een ander al deed. Alleen onderscheidt een zorgvuldig samengestelde bundel als deze zich daarmee dus niet van zo’n slordig vakantieboekje als De twintig beste verhalen over de liefde, of dergelijke tinnef.
Terwijl bijvoorbeeld The Oxford Library of Classic English Short Stories bewijst dat het wel kan: een bijna liefdevolle introductie bieden tot het kortverhaal. Dat is dit boek niet. Want, daarvoor staat er teveel in.
De Nederlandse en Vlaamse literatuur
vanaf 1880 in 250 verhalen
Samengesteld door Joost Zwagerman
1599 paginas
Uitgeverij Prometheus © 2005
in: a-z, bundels, verhalen, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Joost Zwagerman red.-pagina
dinsdag 8 november 2005
Hoe uitgevers ook mogen denken over Google Print, ik zou er veel voor geven om de inhoud van al mijn boeken ergens elektronisch doorzoekbaar te hebben.
Dat scheelt zo veel tijd.
Alissa en Adrienne is een boekje met observaties over de dochters van Adriaan Morriën, van toen die nog klein waren. Het zijn de verwonderde en soms geamuseerde waarnemingen van een vader, die vastleggen wilde wat nu juist zo snel verandert.
Ik meende me te herinneren dat Morriën ergens in dit boek opmerkingen over het schrijversschap maakt, geïnspireerd door een kindergesprek dat hij opvangt. De wijsneus en dwarskijker in het gesprek is uiteindelijk toch de kunstenaar, zoiets.
Zo’n citaat was niet te vinden. Zal het wel bij Carmiggelt hebben gestaan, die ook zo liefdevol over zijn kinderen en kleinkinderen heeft geschreven.
Enfin. Een van de observaties uit dit aardige boek dan maar, waarin ik vooral dat ‘vanmorgen ook al ‘ prachtig vind:
Op een middag kwam Alissa bij mij en zei: Ik ben verliefd.
- Werkelijk? vroeg ik.
- Ja, vanmorgen ook al, antwoordde zij.
Zij vertelde mij dat een jongen uit haar klas haar had gevraagd of zij met hem wilde gaan.
- Wat betekent het, dat een jongen met een meisje gaat? vroeg ik haar.
Zij antwoordde: Zij gaan samen naar een park en gaan daar op een bank zitten.
- Hebben jullie dat al gedaan? vroeg ik.
- Wij zijn wel in een park geweest, antwoordde zij, maar er zaten allemaal oude vrouwen op de banken.
Adriaan Morriën, Alissa en Adrienne
96 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot 1990 © oorspronkelijk 1957
in: a-z, [auto]biografisch, verhalen, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Adriaan Morriën-pagina
woensdag 9 november 2005
Ik las deze verzamelbundel parallel aan Zwagerman’s bloemlezing uit 125 jaar Nederlandstalige verhaalcultuur. En genoot hier meer van. Het was alleen al prettig niet steeds te hoeven wennen aan weer een andere schrijver met weer een eigen idee van hoe te vertellen.
Bovendien kan Koch heel grappig zijn. Dat miste in die bloemlezing ook wat, terwijl de literaire pretentie daar juist wel weer ruim aanwezig was.
En anders dan de verhalen over tobbende pubers uit Zwagerman’s keuze, wil ik alleen maar meer lezen over de tieners die Koch beschrijft. Nu kan dat, want er is ook nog die roman: Red ons, Maria Montanelli.
Maar zo bedoel ik het niet.
Het is niet heel moeilijk om grappig te doen door mensen belachelijk te maken. Maar dat is iets heel anders dan grappig zijn. Koch beheerst de kunst schrijnende situaties zo te beschrijven dat als er slachtoffers gemaakt worden, dit ook als volkomen terecht voelt.
[In dit boek zijn twee eerder verschenen bundels samengepakt - De voorbijganger en Geen agenda - met wat verspreid verschenen ander werk.]
Herman Koch, Schrijven & drinken
De verhalen tot nu toe
288 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 2001
in: a-z, humor, bundels, verhalen, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman Koch-pagina
vrijdag 11 november 2005
Boeken zijn op verschillende manieren te lezen. De meest gebruikelijke is om je geheel over te geven aan de auteur, en erop te vertrouwen dat die je op aangename wijze van kaft tot kaft zal leiden. Ik kan dat maar zelden. Bij mij is lezen niet zelden juist een gevecht tegen de schrijver.
Waarom zou ik een schrijver vertrouwen? Waarom kloppen diens beweringen? En misschien wel de belangrijkste vraag: wat staat er allemaal niet in het boek, en waarom is dat dan wel?
In die zin bestaan er ook nauwelijks onbruikbare boeken voor mij; alles dat mij aanzet tot nadenken, en daarmee mijn inzichten vergroot, heeft nut gehad.
Moderniteit en overheidsbeleid werd geschreven als reactie op de kritiek van Pim Fortuyn. Want, klopte het wat die zij over de falende overheid? En als de overheid faalt, waar ligt het dan aan?
Om dit te onderzoeken hebben zeven verschillende auteurs, allen werkzaam in de bestuurswetenschappen, elk een beleidsterrein onderzocht dat meestal al jaren problemen oplevert. Dit zijn:
- de WAO;
- het universitaire stelsel;
- de gezondheidszorg;
- de arbeidsvoorziening;
- veiligheid;
- de integratie;
Conclusie is daarbij niet zelden: dat de overheid door zijn eigen beleid ook zelf steeds nieuwe problemen oproept. Maar tegelijkertijd is het niet waar dat er alleen maar gefaald wordt. Dat dit idee bestaat, komt volgens de auteurs ook omdat het publiek steeds makkelijker onmiddellijk bereid lijkt dat beeld van die falende overheid te accepteren.
Wat ik bij die conclusies evenwel deerlijk miste, was een werkelijk adequate analyse van hoe de politieke besluitvorming in Nederland werkt. Er wordt te veel vanuit theorie gedacht; beleid loopt altijd achter op ontwikkelingen, zo staat in dit boek. Ja, dat klinkt logisch, maar vraag je dan ook af waarom dat komt, denk ik dan.
Het openbaar bestuur is hier bijvoorbeeld bijna totaal vervlochten met politiek. Dat alleen al heeft enorme consequenties. Omdat in Nederland een klein land is, waarin alleen coalities regeren, komen politici en bestuurders elkaar telkens tegen, ook al zijn ze misschien dan van positie gewisseld. Een enorm probleem lijkt mij dat hierdoor bijna niemand op zijn persoonlijke falen af te rekenen is. Dit kan namelijk de prettige samenwerking in de toekomst bemoeilijken.
Als gevolg daarvan worden de gevolgen van beleid waarschijnlijk ook te zelden geanalyseerd, want waarom zou men? Of omgekeerd: welk nut heeft visie, als het hebben van een visie alleen maar de verplichting oproept anderen eerst te moeten overtuigen omdat zij nog allemaal niet zo denken?
Daarnaast komt in de probleemanalyses in dit boek te zelden aan bod waar de gevestigde belangen precies zaten, en wat voor invloed die hebben op voorgestelde beleidswijzigingen.
Wat bij mij tot de vrij harde conclusie leidt: als overzicht van de ontwikkelingen op de probleemterreinen biedt dit boek veel. Maar dat is niet het moeilijkste. Pluk een kaartenbak, of een ander archief leeg, en zo’n verhaal is vrij makkelijk te schrijven. In die zin is veel in dit boek eerder journalistiek dan wetenschap.
Het echte inzicht biedt dit boek dan ook niet. Misschien omdat de auteurs zich te zeer beperken tot het beschrijven van de ontwikkelingen alleen. Maar waarschijnlijk toch omdat ze te veel over het bestuur in Nederland als vanzelfsprekend aannemen, en daarom niet meenemen in het verhaal.
Maarten Arentsen en Willem Trommel ed., Moderniteit en overheidsbeleid
Hardnekkige beleidsproblemen en hun oorzaken
232 pagina’s
Uitgeverij Coutinho © 2005
in: a-z, typisch hollands, kennis, politiek, essays, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Maarten Arentsen en Willem Trommel ed.-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 12 november 2005
Kousbroek’s fascinatie voor de werking van het geheugen werd al eens eerder aangestipt op dit boeklog, bij de bespreking van het liber amicorum Het magistrale vernuft. In de inmiddels klassieke bundel Het Meer der herinnering zijn acht van de vierentwintig essays gewijd aan het onthouden.
Maar wat daarover te zeggen?
Het is lang niet de eerste keer dat ik dit boek las. Kousbroek’s gebundelde vervloekingen [anathema’s] zijn een onderdeel van mijn geestelijke vorming geweest. Maar ik merk nu dat ik hem niet eeuwig zal kunnen herlezen. Zijn werk heeft me veel gegeven, maar ik ben verder nu.
De essays brengen tal van interessante observaties, over cultuur. Maar daar houdt het ook mee op. Het zijn weliswaar scherpe diagnoses, als er al een geneeswijze voor de gesignaleerde kwaal geopperd wordt, is die soms merkwaardig naïef. Ben ik toch al te veel historicus geworden om dat niet op te merken.
Lees ik Kousbroek misschien wel vooral nog om zijn eloquente gemopper, eigenaardig genoeg. Niet om wat ik uit zijn betogen eventueel vergeten ben inmiddels.
Rudy Kousbroek, Het meer der herinnering
Anathema’s 5
174 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1984
in: a-z, essays, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rudy Kousbroek-pagina
maandag 14 november 2005
‘Verspreide ergernissen’ en ‘Verzamelde ergernissen’, zo heten twee van de delen in deze inmiddels klassieke bundels essays. Kousbroek moppert wat af in dit boek. Over de Nederlandse radio onder meer, de reclame, en vooral over de spellingshervorming van toen; de vervloekingen daarover krijgen zelfs een apart deel.
Maar zie, opvallend aan veel van deze stukken is toch hoe tijdloos ze zijn. Medio 2006 verandert volgens het nieuwe Groene boekje de voorkeursspelling in ‘ideëeloos’; en hoe ‘n toepasselijk woord is dit wel niet. Dat voorbeeld doet mij bovendien denken aan dat redeloos, radeloos, reddeloos; van het rampjaar.
En nog altijd is er gemiddeld genomen vrijwel niets op de Nederlandse radio te horen dat de moeite van het beluisteren waard zou zijn, ondanks dat er sinds Kousbroek’s beklag een klassieke zender bijkwam. Maar er wordt te veel op de radio geluld, uitgezonderd dan op de stations die steeds de twintig verschillende liedjes draaien die toevallig in de mode zijn.
Ondanks dat Kousbroek vaak reageert op wat ooit de actualiteit was, lukt het hem toch zo te doen dat er universele gedachten over naar voren komen.
De waanzin regeert nog altijd. De redenen daarvoor opgemerkt te hebben, is knap.
Rudy Kousbroek, De waanzin aan de macht
Anathema’s 4
200 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 1979
in: typisch hollands, a-z, essays, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rudy Kousbroek-pagina
dinsdag 15 november 2005
Wat had ik dit graag een goed boek gevonden, en wat is het dat niet. Van Stine Jensen had ik nog nooit een letter gelezen toen ze me al intrigeerde. Ze kwam weleens op de radio bij Theodor Holman, in het programma dat tegenwoordig 747live heet. En haar heldere, bijna ouderwets beschaafde stem alleen al maakte dat ik wat ze maar zei als waarheid aannam, ook al klopte het helemaal niet.
De sirene waar ik blind op afvaar, is blijkbaar een intelligent formulerende vrouw.
Grappig ook was dat ik me Stine Jensen een hele tijd voorstelde als een lange en elegante, wat oudere dame met donker haar. Terwijl ik inmiddels weet dat het een niet zo heel groot blond Deens meisje is. De radiouitzending van 747live kan via een webcam bekeken worden.
Eerder dit jaar besprak ik hier al Jensen’s dissertatie, en die viel me toen niet mee. Maar bij dissertaties gaat het nog om het onderzoek vooral, niet om de formulering. Of of de tekst logisch is opgebouwd.
Toch waren al die kleine desillusies bij elkaar niet zo groot als de teleurstelling over dit boek nu. Dat is te lang, want er staat te veel in wat er niet toe doet.
Nu heeft Jensen de neiging om als een ekster bewijsjes van elders weg te halen veel vaker, en soms werkt dat ook. In de essays die ze, meestal over boeken, schrijft voor NRC-Handelsblad maken de voorbeelden die ze hanteert haar bijna erudiet.
Zo, in een boek bijeen, maken die talloze verwijzingen naar boeken, films en TV-series ineens een willekeurige indruk. Alsof Jensen uit een overvloed even kiest wat toevallig wel voor haar betoog van pas komt. Terwijl ze als filosofe toch zou moeten weten dat duizend bewijzen voor iets nooit overtuigender kunnen zijn dan éen bewijs tegen.
Maar ook daar valt nog wel mee te leven. Veel erger vind ik dat in een uitermate persoonlijk boek, over wat tijdens een vakantie opbloeide tussen haar en een Turkse kapper, zij zichzelf toch onzichtbaar probeert te maken. Het is alsof ze het al dapper genoeg vond om dit onderwerp te behandelen. Die liefde tussen zo verschillende culturen. Want, wat vindt een hoogopgeleide westerse vrouw in een halfgeschoolde, eigenlijk alleen Turks pratende moslimman?
Ze vertelt dat allemaal wel, maar laat mij niet genoeg zien. Zonder dat ik daarmee nu bedoel sappige details te missen. Maar er gaat volgens mij iets mis bij de synthese van de wetenschapper en de vrouw in haar; er wordt mij te veel gepoogd te objectiveren wat soms toch niet meer dan een hoogst particuliere emotie kan zijn. En het pantser dat daardoor ontstond, stoorde me.
Stine Jensen, Turkse vlinders
Liefde tussen twee culturen
277 pagina’s
Uitgeverij Promotheus © 2005
in: a-z, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Stine Jensen-pagina
donderdag 17 november 2005
Morriën schreef een tijd miniatuurtjes voor de achterpagina van NRC-Handelsblad. En zo, als de schrijver over het kleine en doorgaans te zelden opgemerkte lees ik hem ook het liefst.
Of beter is misschien: als chroniqueur van de zinnenprikkeling in het alledaagse. Toen hij nog leefde viel hem vaak de kritiek ten deel een vieze oude man te zijn, omdat hij niet nalaten kon te schrijven over wat er mooi is aan vrouwen. Wij staan oudere mannen blijkbaar niet toe die gedachten te uiten.
Literatuurreceptie is ook een spiegel van waar een tijd zich druk om maakte.
Opvallend voor mij aan dit boek was dat Morriën’s poëzie in deze context, tussen de verhalen en miniatuurtjes door, zo’n stuk vlakker leek dan in zijn bundels. Blijkbaar kan ik niet zo maar poëzie lezen; is er een prozastand waarmee ik boeken doorneem.
Als verzameling vind ik zijn bundel Het kalfje van de gnoe waarschijnlijk rijker, hoewel dit boek mij toch ook weer vijf, zes momenten intens genoegen bood. Die taal! Dat kijken…
Adriaan Morriën, De vinger van een dooie mof
Verhalen, miniaturen, gedichten
238 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot © 1994
in: [auto]biografisch, a-z, bundels, verhalen, poëzie, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Adriaan Morriën-pagina
zaterdag 19 november 2005
Er zijn vele categorieën aan uitgaven die normaal op dit boeklog niet aan bod zullen komen. Het zelfhulpboek is daar éen van, al heb ik dit jaar wel een parodie op het genre gelezen.
Vijftig manieren waarop ik mijn leven verpestte is onmiskenbaar een zelfhulpboek, en wel éen gebaseerd op de harde Amerikaanse school van de doctor Phil’s en andere wondergenezers van op de televisie.
Het genre herinnert me aan die klassieke aflevering uit de strip Peanuts. Waarin Charlie Brown over zijn depressieve gedachten wil praten met Lucy, die daarbij de dokter speelt. Waarop zij hem eenvoudig antwoordt: “snap out of it.”
Als het toch eens zo simpel was.
François de Waal legt in dit boek aan de hand van vijftig steekwoorden uit wat hij allemaal fout deed in zijn leven, tot een cruciale periode rond zijn veertigste, toen hij het licht zag en een beter mens werd. Ook dit genre van de zelfbekentenissen is heel bekend; het komt nog altijd veel voor in de programmering van de Evangelische Omroep. Mensen hoerden, snoerden, en roerden, maar plotseling kwam Jezus in hun leven, en alles was weer goed.
Daarom valt het in dit boek op dat De Waal nu juist niet vertelt welke crisis hem ertoe aanzette te willen veranderen. Niet dat ik daar nu per se op te wachten zat, maar het ontbreken van die kennis creëerde toch een leegte. De steeds terugkerende betooglijn in het boek bleef een donut, met zo’n gapend gat in het midden. Natuurlijk moet een mens niet jaloers zijn, of blind almaar meer geld willen hebben, maar hoe ontdekte de schrijver deze wijze levenslessen toch?
Enfin, er is een website over het boek ingericht. Daar zullen vast antwoorden te vinden zijn. O, het was een relatiecrisis.
Rest mij te zeggen dat dit typisch een boek is voor mensen die normaal nooit lezen, maar gewend zijn hun inzichten aan TV-deskundigen te ontlenen. Voor hen zal het vast verdieping brengen. En ach, misschien zijn de simpelste waarheden ook wel het diepst, wat kan ik daar tegen inbrengen?
Ik nam dit boek enkel ter hand om de cartoons van Kamagurka, maar die bleken merendeels ook al eens elders gepubliceerd te zijn, voor zover mij bekend.
François de Waal, Vijftig manieren waarop ik mijn leven verpestte
en hoe jij dat kunt voorkomen
met tekeningen van Kamagurka
161 pagina’s
Scriptum psychologie © 2005
in: leerboeken, a-z, [auto]biografisch, reference
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de François de Waal-pagina
maandag 21 november 2005
Er is niet veel Friese literatuur die ik nog weleens herlezen wil. Liever nog kauw ik wat op Wumkes’ vertaling van de Bijbel, omdat het Fries daarin zo mooi is.
Belangrijkste uitzondering op die regel is de gedichtencyclus De Foksejacht van Jan Wybenga. Die hoort bij het najaar, zoals de jacht bij het najaar hoort. Al gaat de cyclus ook en misschien wel vooral over de laatste periode in het leven van een solitaire man, met een wat schimmig verleden.
De vos is natuurlijk ook een traditioneel literair symbool. Ik vraag me alleen af of Wybenga de Griekse dichter Archilochus kende, die schreef dat de vos vele dingen weet, maar de egel éen groot ding. In de 20e eeuw zijn die regels nog weer beroemd geworden door een essay van de politieke denker Isaiah Berlin. Alleen, dat thema zie ik in deze rijke bundel nog niet zo maar terugkeren.
Merkwaardig bij al mijn appreciatie blijf ik alleen vinden dat geen enkel gedicht op zichzelf tot mijn favoriete poëzie hoort. Dat het echt de soms heel verschillende stemmen samen uit alle gedichten zijn die de ervaring maken.
lees een fragment hier
Jan Wybenga, De foksejacht
63 pagina’s
De Oare útjouwerij © 1989
in: a-z, poëzie, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jan Wybenga-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 24 november 2005
Favorieten kunnen stuk gaan. Een lievelingsboek te vaak gelezen, favoriete muziek te vaak gehoord. Daarom is het zo fijn dat er boeken als deze bestaan, met zo’n enorme rijkdom dat ze blijven verrassen. Elke herlezing weer. Ondanks het geringe aantal pagina’s.
Galeano koos voor de beknoptheid in dit boek, maar doet dit zo dat hij soms hele romans schrijft in slechts enkele welgekozen zinnen.
Mondeling overgeleverde geschiedenissen zijn het, die zich op dat éne continent afspelen. Zuid Amerika. Al zijn er ook uitstapjes naar Barcelona, Quebec, of een Amsterdamse kroeg.
Vaak gaan de verhalen over de dood, maar daarmee even goed over het leven.
En als de toon te zwaar wordt komt er altijd weer een prachtige anecdote, bijvoorbeeld over hoe armoede tot uitvindingen leidt. Eén van mijn lievelingsverhalen gaat over een stel arme immigranten in een kille Londense flat, die niet genoeg muntgeld hebben om de gasmeter te voeden. Dan bedenken ze de perfecte misdaad, en maken muntgeld na van ijs. Kunnen ze het binnen warm hebben als op een Caraïbisch eiland, zonder dat de meteropnemer hun vals spel ontdekt.
Maar, het mooiste compliment dat ik een schrijver kan geven: ik betrap mijzelf er vaak op bewust formuleringen te lenen uit dit boek. En als hij stelt dat schrijven een manier is om anderen te omhelzen, dan doe ik dat dus dan ook.
Eduardo Galeano, Het boek der omhelzingen
Beelden en woorden uit Latijns Amerika
148 paginas
Novib/ Van Gennep © 1992
in: a-z, politiek, aanbevolen 2005, vertaald, verhalen
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Eduardo Galeano-pagina
zaterdag 26 november 2005
Sommige dingen spreken voor mij als wetenschapshistoricus voor zich. Dingen als dat kennis zelden waardenvrij wordt gebruikt, om maar iets te noemen. Dat maakt het bijna grappig om een bundel essays als deze te lezen waarin wetenschappers uit andere disciplines dit nu ook eens uitgebreid gaan uitleggen.
Tegelijk geeft dit ook meteen aan waar een enorm probleem zit: mensen kunnen slecht leven met onzekerheid. Of met voorlopige hypotheses. Het wetenschappelijke ideaal van onpartijdigheid verenigt zich slecht met de menselijke psyche.
Ook laat deze bundel iets anders zien. In zekere zin wordt Nederland wel steeds meer een democratie. Het publiek pikt onderzoeksresultaten niet zo maar meer, zelfs als ze van gereputeerde wetenschappers afkomen. Argumenten moeten er zijn, autoriteit alleen is niet genoeg meer om een standpunt te kunnen opdringen.
En dat is mede weer een gevolg een crisis in het openbaar bestuur, al wordt die in dit boek niet zo genoemd. Het politiek beleid in deze polderdemocratie overtuigt maar zelden uit zichzelf. Er spreekt meestal zo weinig visie uit, door de vele compromissen, dat het verkocht moet worden in plaats zichzelf te verkopen.
En vele wetenschappers laten zich lenen om beleid verkoopbaar te maken.
Andere wetenschappers, al dan niet betaald door actiegroepen, zijn dan weer bereid om aan te tonen dat hun collegea het mis hebben. En zo blijft het werk in de wereld voor een hele hoop mensen, terwijl deze processen allemaal niet bijster veel met wetenschap of kennisvermeerdering te maken hebben. Mij levert het vooral de vraag op, waarom er zo weinig tegen deze morele corruptie van kennis wordt geageerd.
Door het grote tal verschillende auteurs zijn de bijdragen in deze bundel sterk wisselend van kwaliteit. Ook vroeg ik me af waarom er bijvoorbeeld zo veel aandacht naar stamcellenonderzoek gaat, terwijl daarover hier nauwelijks publiek debat is. Anders misschien dan in de VS, waar religie de argumentatie weer veel meer beïnvloedt.
De paar korte artikelen van amper een bladzijde of wat waren voor mij het meest prikkelend, al maakte het beknopte slotartikel over de invloed van televisie op de publieke opinie dan weer sterk de indruk nog even te zijn toegevoegd terwijl de drukpersen al liepen.
De samenstellers van deze bundel met kennisvragen roepen op tot meer reflectie, maar vergeten bijvoorbeeld vervolgens te signaleren dat reflectie hier in de politiek helemaal niet mag. Ook dat is weer een cultuurkwestie. In Nederland bekijkt alleen de Rekenkamer nog weleens wat beleid heeft uitgehaald, budgetmatig. Maar dat is het enige.
Kennis-vragen in de polder
Jaarboek KennisSamenleving. Deel 1- 2005
282 paginas
Uitgeverij Aksant © 2005
in: typisch hollands, economie, a-z, kennis, essays, politiek, bundels
[+] zie de gerelateerde titels |
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 27 november 2005
Dit boek heeft als kern de lezing over wetenschap die paleontoloog Stephen Jay Gould in 2000 hield, toen hij president werd van de American Association of Science (AAAS). Maar Gould [1941 - 2002] vond het erg zich zo te moeten beperken in zijn voordracht. Daarom greep hij de gelegenheid aan om nog eens flink uit te wijden in dit boek.
Ik vind dat vaak prachtig. Maar dat is een hoogst particuliere opvatting, over een auteur met hoogst particuliere ideeën. Gould behandelt in dit boek de ontwikkeling van de wetenschappen sinds zo ongeveer de Middeleeuwen, en doet dit vooral door via details naar grotere verbanden te zoeken.
Dat is de essayist in hem. En ik moet wel opmerken dat zijn essaybundels beter zijn. Die dwang om zich binnen een beperkte ruimte tot éen onderwerp te beperken, maakt van Gould een betere schrijver. Dit boek is namelijk enorm rijk aan informatie, maar nogal arm aan een bindende structuur.
Als wetenschapshistoricus ben ik toch niet helemaal onbekend met zijn thema, maar veel van wat Gould aanhaalt was nieuw voor mij. Behalve dan zijn uiteindelijke conclusies weer.
En een zekere neerbuigendheid over de letteren en de menswetenschappen bezit Gould toch wel, in zijn betoog eenmaal in de 20e eeuw aangekomen. Maar goed, zoiets vind ik alleen maar leuk, en maakt het lezen van een boek als dit tot een extra genoegen.
Stephen Jay Gould, The Hedgehog, the Fox, and the Magister’s Pox
Mending the gap between Science and the Humanities
274 pagina’s
Harmony Books © 2003
in: geschiedenis, a-z, religie, biologie, cultuur, filosofie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Stephen Jay Gould-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog