donderdag 2 maart 2006
De Franse schrijver Jules Renard is vooral bekend gebleven door de uitspraken in de dagboeken die na zijn dood zijn gepubliceerd. Ik heb daar op mijn andere weblog ook weleens uit geciteerd.
Natuurlijke historietjes bevat tachtig korte verhaaltjes die vooral gaan over wat er aan beesten te zien is in en om een Franse boerderij eind negentiende eeuw. Al gaat Renard ook even naar de dierentuin, en wijdt hij ook een beschouwinkje aan de walvis:
Ze heeft baleinen genoeg in haar mond om zich een corset van te maken; maar met zo’n middel…!
Mij viel op hoeveel me al bekend was uit dit boekje; hoe zeer de opmerkingen van Renard door Nederlandse schrijvers zijn opgepikt, en nog eens herkauwd.
Dat kan. Maar ik ben het vermogen wat kwijt om naar beesten te kijken alsof het net mensjes zijn, en dus met Renard mee te gaan. Voor mij is inmiddels de mens vooral beest.
Jules Renard, Natuurlijke historietjes
144 paginas
Uitgeverij Meulenhoff © 1980
Vertaling van: Histoires naturelles © 1896
in: a-z, jeugd, vertaald, verhalen, reference
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jules Renard-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 4 maart 2006
Nooit ben ik me bewuster dat een krantenabonnement een relatie is, als ik weer eens een krant lees die al een tijd niet meer wordt thuisbezorgd. Jarenlang werd Het Parool me iedere dag thuisgebracht, en toen was ik er ineens op uitgekeken. Heel merkwaardig.
Toegegeven, de krant trok zich steeds verder terug in de stad Amsterdam, en de interessantste redacteurs en columnisten verdwenen. Maar er werden grote veranderingen aangekondigd. Het Parool was nog niet over op A3-formaat, maar dat zou niet lang meer duren. Net als dat de krant zelfstandig zou worden, door uit het PCM-concern te stappen. Spannende ontwikkelingen.
En toch kon me dat niets meer schelen.
Misschien dat ik nu beter de onrust kan formuleren dan toen. Het Parool is een leuke krant, maar dat leuk en dat krant is mij niet meer genoeg. Er staat niet genoeg in dat me interesseert. Er staat vrijwel niets in dat me verrast. Inmiddels lukt het me vrijwel dagelijks een vijf sterrenmenu bij elkaar te lezen via internet. Daar kan zo’n krant, die zich op een veel algemener publiek richt dan ik wens te zijn, nooit tegenop.
In Het Parool van zaterdag was er veel aandacht voor de komende gemeenteraadsverkiezingen. Dat spreekt. Mij vermocht dat niet te boeien, arrogante lezer die ik er ben.
Ik las eens een halve column hier, een interviewtje daar, en had deze dikke zaterdagkrant binnen een kwartier uit.
Jammer. Heb ik niet eens een oordeel over de poging van Het Parool om het krantenlezen anders te maken, en lange artikelen zo te splitsen dat een lezer er op vier vijf manieren aan beginnen kan. Mij viel namelijk niet op of de redactie die aanpak nog hanteert.
Het Parool van zaterdag 4 maart 2006
66ste jaargang nr 18721
132 pagina’s
in: a-z, periodieken, media
[+] zie de gerelateerde titels |
zondag 5 maart 2006
Net als met een krant gaat een lezer met een tijdschrift een relatie aan. Belangrijkste voorwaarde is daarbij dat een tijdschrift zich min of meer voorspelbaar gedraagt, en daarbij toch nog weet te verrassen. Zo af en toe.
Ook op Nieuwe Revu had ik ooit een abonnement. Het bood zo’n fijn tegenwicht tegen alle opiniebladen die ik las, plus alle vakliteratuur nog daarbij. Tot me ineens de sjablonen opvielen die bij het maken van dat blad meespeelden. Elk jaar opnieuw kwamen op dezelfde tijd dezelfde onderwerpen langs. Die voorspelbaarheid was dodelijk, voor het abonnement.
Maar ziet, zo heel af en toe is het best de moeite waard weer eens een exemplaar te kopen. Of in mijn geval: in de trein te zien liggen zonder eigenaar en daarom oppikken.
In dit nummer ging een groot stuk over gemeentepolitiek, maar natuurlijk niet al te diepgravend. Er was nogal wat aandacht voor georganiseerde misdaad, zonder dat daar nu werkelijk iets nieuws over geschreven werd; behalve dan dat wat poppetjes meer reliëf kregen. De Familie Doorzon bestaat nog altijd als strip, en is nog altijd niet leuk. En Hein de Kort kan nog altijd niet tekenen.
Alleen heeft Mart Smeets blijkbaar tegenwoordig geen vaste column meer.
In ruil daarvoor mocht Smeets ditmaal een stuk schrijven over de gouden medaille die schaatser Bob de Jong won op de Spelen in Turijn. Ook in dat stuk stond niets in dat ik niet ergens anders al eerder had gelezen. En dan heb ik al dat Olympische gedoe nog vrijwel genegeerd ook.
Geruststellend allemaal, als het niet zo saai en voorspelbaar was.
Nieuwe Revu 9
1 maart t/m 7 maart ’06
68 pagina’s
Uitgeverij Sanoma
in: a-z, periodieken
[+] zie de gerelateerde titels |
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 7 maart 2006
Het schijnt dat de Nederlandse Spoorwegen zelf een maandblad uitgeeft, dat treinreizigers onderweg iets te lezen biedt. Maar mij is blad al jaren niet meer onder ogen gekomen. In plaats daarvan vind ik aldoor wel allerlei andere tijdschriften in de trein. Zoals dit puntgave exemplaar van een Libelle uit oktober 2005.
Daarvan vraag ik me af of iemand het die dag per ongeluk heeft laten liggen, of dat het blad al al die maanden met de trein meereist.
Nu leest mijn moeder de Libelle. Nog altijd. En dus las ik die ook toen ik nog thuiswoonde, omdat ik daar alles las en nog niet genoeg had. Eenmaal de deur uit kwam me geen Libelle meer onder ogen.Toch bleken toon en aanpak van dit blad me bijna meteen weer bekend, want onveranderd tijdloos. Ik had ook eerst niet door een exemplaar uit oktober te lezen, in plaats van maart. Pas bij de horoscoop achterin daagde me iets.
Wel zijn sommige onderwerpen in de hedendaagse Libelle anders dan ik mij herinner. Twintig jaar geleden werd er vast niet over plastisch chirurgie geschreven als een mogelijke optie: Zou u wat laten veranderen?
Ook kan ik me niet herinneren dat moeders zich toen openlijk zorgen maakten over het seksleven van hun vijftienjarige dochters, anders misschien dan om hun zwangerschap te voorkomen.
Maar goed, taboes schuiven op. Geruststellend gebabbel in damesbladen blijft.
Libelle 41
8 oktober t/m 14 oktober 2005
96 paginas
Uitgeverij Sanoma © 2005
in: a-z, periodieken
[+] zie de gerelateerde titels |
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
woensdag 8 maart 2006
Dit boek deed me beseffen dat ik te veel Portnoy in een te korte tijd aan het lezen ben. En dat is zonde. Daardoor proef ik minder scherp dan zou kunnen.
Vliegende vellen is volgens mij haar beste boek met beschouwend proza. Over haar fictie ben ik minder stellig, want daarvan ken ik nog niet alles.
Toch genoot ik er minder van dan had gekund. Omdat me al zo veel variaties op dezelfde thema’s onder ogen waren gekomen, de laatste weken.
Prettig was wel dat dit zo’n heerlijk eclectisch boek is. Hoge cultuur prijkt er naast onderwerpen die doorgaans tot de lagere cultuur gerekend worden. Of het nu over de betekenis van Roland Barthes gaat, Wordtsworths Intimations, of de horror om op een eeuwig trillend massagebed te liggen, het komt in dit boek allemaal voorbij. Over Nederland en het Nederlands gaat het ook ergens nog. En prachtig vond ik haar anthropologische beschrijving van kinderen, alsof het ruimtewezens zijn.
Voor alles wat ze doen willen ze publiek
Van achteren lijken ze op aangeklede chimpansees
Dit is typisch een boekje dat ik later dit jaar nog eens moet herlezen, zonder een directe herinnering aan wat ze verder nog schreef.
Ethel Portnoy, Vliegende vellen
Schetsen en verhalen
195 paginas
Uitgeverij Meulenhoff © 1983
in: aanbevolen 2006, a-z, essays, vertaald, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ethel Portnoy-pagina
vrijdag 10 maart 2006
Het lijkt soms of ik op deze pagina’s alleen maar mopper over de boeken die me onder ogen kwamen. Dat is niet zo. Ik schrijf hier namelijk nooit over de boeken waarover ik echt wat te mopperen heb. Het lukt me al niet die krengen uit te lezen. En uitlezen is een eerste vereiste om hier te worden besproken.
Als het me toch de moeite waard was over zo’n boek te schrijven, had het iets.
Toch moet ik nu maar eens een uitzondering maken, en een boek bespreken dat werkelijk heel matig is. Zo slecht is het zelfs, dat ik het met plaatsvervangende schaamte las.
W.F. Hermans schreef eens het aforisme:
… een van die romans, die je nauwelijks durft uit te lezen, voortdurend denkend: als ik zelf ook eens zo beroerd schreef in het oog van een ander…
Zo’n gevoel bekroop mij met dit boek.
Nu kan ik hier een cabaretnummer maken en dit boek ontleden. Maar dat is het me niet waard. Laat ik twee opmerkingen maken. Ik vind doping een fascinerend onderwerp, en heb er op mijn andere weblog een hele categorie berichten aan gewijd. Ik ken nogal wat krankzinnige maar waargebeurde verhalen over doping. Had de schrijver daar maar gewoon een paar van uitgeschreven, dan was zo’n boek al honderd keer beter geweest als al de fantasietjes nu.
En schrijftechnisch geredeneerd: goede schrijvers vertellen scenisch. De lezer krijgt alle ruimte in die scenes mee te gaan, maar wordt niet alles aangereikt. Door zelf de ontbrekende informatie aan te vullen, leeft hij of zij zich in.
Slechte schrijvers vertellen vooral resumerend; vatten de hele tijd ontwikkelingen samen op een manier die er voor de lezer nauwelijks toe doet, omdat die van zo’n opsomming niets extra’s meekrijgt. Het blijft enkel bij mededelingen. Water onder de brug.
Dit boek heeft een nog heel slechte schrijver. Ik zal het daarom misschien nog weleens ter hand nemen, als het niet zo vlot met mijn eigen schrijfwerk. Om me gesterkt te weten wat voor rotzooi er gewoon uitgegeven wordt.
Henny Wouters, Doping en engelen
Absurde verhalen uit de sportwereld
160 pagina’s
Uitgeverij De Vijver © 1998
in: a-z, sport, verhalen, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Henny Wouters-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 11 maart 2006
Tijdschriften worden altijd gemaakt voor bepaalde doelgroepen, en het lijkt me dat ik niet helemaal tot de doelgroep van dit blad behoor. Misschien diskwalificeert me dat als recensent. Toch helpt dit inzicht me wel dit blad beter te karakteriseren.
Computer Idee is als de Viva voor de PC-gebruiker; een vooral gezellig babbelblad in de ietwat te drukke opmaak die van oudsher al bij computerbladen schijnt te horen. Als vanzelfsprekend wordt er vanuit gegaan dat de lezer Microsoft Windows gebruikt, en nog jong genoeg is om het normaal te vinden getutoyeerd te worden.
Ik behoor maar heel soms tot dat grote publiek, terwijl ik toch helemaal geen nerd ben. Maar bij het lezen frustreert dat. Het is net als bij een krant als De Telegraaf of het AD; ook daar staan weleens interessante opmerkingen in voor mij, maar net als het spannend wordt, gaat de journalist weer over op algemeenheden.
Hap slik weg, was dit. Zonder te voeden. Maar evenmin overviel me het zuur.
Computer Idee 6-2006
76 pagina’s
Uitgeverij Sanoma © 2006
in: a-z, [web] technologie, periodieken
[+] zie de gerelateerde titels |
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 13 maart 2006
Dit boek biedt een somber stemmend verslag van de strijd van een man en een vrouw tegen de Nederlandse bureaucratie. Waarin bestuurders nooit verantwoordelijkheid wensen te nemen uit angst precedenten te scheppen. Waarin logica of gezond verstand er geheel niet toe doet. Waarin regels als vanzelfsprekend regels zijn, maar alleen volgens de kokerblik van een jurist.
De strijd zou ook vergeefs zijn geweest, als die niet dit boek had opgeleverd, dat als waarschuwing dient wat er gebeurt als procedures heilig worden, en vergeten wordt waar deze voor staan.
Smeets’ Russische vrouw Olga Polsatsjova komt uit liefde voor hem in Nederland wonen in 1994. En ze wil hier werken. Het liefst natuurlijk in het specialisme waarvoor ze is opgeleid. In Moskou heeft ze jaren een kliniek geleid waarin allergiepatiënten werden behandeld.
Bovendien heeft ze over de behandeling van allergieën tal van wetenschappelijke artikelen geschreven. Daarnaast schreef ze toch al twee dissertaties. In Nederland blijken al die kennis en ervaring uiteindelijk evenveel waard als het propedeutisch diploma medicijnen. Want, dat is op den duur het enige waar ze vrijstelling voor krijgt, als ze uit nood dan maar opnieuw gaat studeren om hier als arts erkend te worden.
De beroepsgroep in Nederland houdt niet zo van buitenstaanders.
Interessantst voor mij aan de strijd die vooral Hubert Smeets voert, is dat hij een stap verder kon gaan dan de meesten. Smeets kende een paar politici, waarschijnlijk vanuit zijn werk voor NRC-Handelsblad. En het lukte hem die politici voor de zaak te interesseren.
Maar dat maakte helemaal niet uit. Hoogstens raakten de autoriteiten die werkelijk iets hadden kunnen betekenen in deze zaak alleen maar geïrriteerd door die extra druk.
Dat stemt extra somber.
Als klein kritiekpuntje op dit boek moet me toch van het hart dat alle verwikkelingen voor mij als buitenstaander wel wat ingewikkeld waren. Het ware prettig geweest als ergens een soort chronologische tabel had gestaan met een overzicht van welke instantie wanneer precies benaderd werd met wat voor verzoek.
Zoals in dikke Russische romans vol verwikkelingen ook altijd wel ergens een geslachtentabel voorkomt, om in na te zoeken wie wie ook weer met welke koosnaam aansprak. Al had Smeets dan weer weinig reden om koosnaampjes voor zijn opponenten te bedenken.
Enfin.
Hubert Smeets, Welkom in het Koninkrijk
Gevangen in de medisch-juridische bureaucratie
160 pagina’s
Uitgeverij Mets & Schilt © 2002
in: typisch hollands, a-z, kennis, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hubert Smeets-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
woensdag 15 maart 2006
Arthur Japin schreef ditmaal het geschenk voor de jaarlijkse Boekenweek. En dat zullen we weten ook. Nooit eerder heb ik een schrijver meegemaakt die zo aanwezig was in de media als voornoemde Japin.
Geen televisieprogramma kon ik aanzetten, geen krant openslaan. Of hup, daar was Arthur Japin weer in beeld.
Voor wie dat allemaal ontgaan mocht zijn, of desondanks nog altijd te weinig afweet van Arthur Japin, biedt de Openbare Bibliotheek dezer dagen uitkomst. Daar is gratis de Boekenweektest 2006 Arthur Japin te bekomen. Dit boekje bestaat uit een blik in het fotoalbum van Arthur Japin, met wat praatjes bij die plaatjes, en nog wat losse artikelen over deze man. Daarin wordt precies dezelfde informatie over Japin nog eens in net wat andere woorden naverteld.
Aan het slot van dit boekwerk staat een prijsvraag waarin de lezer zijn kennis mag etaleren over Arthur Japin, waarbij fijne prijzen te winnen zijn. De weelde kan niet op.
Hoofdprijs is: een antwoord op uw meest dringende vraag aan Arthur Japin.
Wel bekome. De Boekenweektest 2006 Arthur Japin is mij te hoog gegrepen.
Boekenweektest 2006
Arthur Japin
64 paginas
Stichting CPNB © 2006
in: boekenweekboeken, a-z, [auto]biografisch
[+] zie de gerelateerde titels |
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
woensdag 15 maart 2006
Gisterochtend schijnt een eerste editie van deze krant gratis rond te zijn gedeeld op de stations, aan reizigers die toch liever de Metro hadden. Mij lukte het toen niet zo’n exemplaar te bemachtigen. Maar omdat op de krant van vandaag toch nog Jaargang 1. nummero 1 staat, schrijf ik er nu alsnog over.
Het gebeurt namelijk niet alle dagen dat er een geheel nieuwe krant uitkomt. Laat staan dat er een krant verschijnt die zich speciaal richt op de jongere hoogopgeleide professional, die geen abonnement meer op een papieren dagblad heeft.
Als ik ooit tot een doelgroep heb gehoord waarvoor een nieuw product op de markt is gebracht, danwel nu voor nrc.next.
Alleen heb ik blijkbaar andere redenen om geen papieren kranten meer te lezen dan de uitgever denkt. Mij zijn bijvoorbeeld de pagina’s van de meeste kranten te onoverzichtelijk geworden. Er staat te veel op.
Maar ziet, nrc.next heeft het gepresteerd om de krantenpagina nog onoverzichtelijker te maken, door ineens wel heel veel verschillende elementen op de pagina’s te proppen. Grafisch vind ik de gekozen bladindelingen niet sterk. Steeds komen van die korte gelijkvormige blokjes tekst terug, waarvan mij niet duidelijk is waarom ik die lezen moet.
Nu wordt deze krant in sommige kringen al nrc.nijntje genoemd, vanwege de doelgroep aan lezers. Maar als dit nrc.nijntje is, dan moet de avondeditie van deze krant zich hernoemen tot nrc-halfomhalf. Sommige artikelen uit deze ochtendeditie komen namelijk gewoon ’s avonds terug.
Ook de grap van Fokke & Sukke is in ochtend- en avondkrant identiek.
Het meest stoorde deze overlap me vandaag bij het grote opiniestuk uit nrc.next. Dat is een zeldzaam onnozel artikel van een mevrouw Myrthe Hilkes. Zij wenst onder meer voor twaalf uur ’s nachts geen bloot meer te zien op de clipzender MTV. De schrijfster stelt gespecialiseerd te zijn in jongerencultuur, en ontleent daaraan het gezag op schrille toon te waarschuwen dat tegenwoordig alle tienermeisjes zich in ruil voor een breezertje laten nemen, omdat die stakkers van kinderen dat leren van de TV.
Mevrouw heeft duidelijk de laatste dertig jaar geen les gegeven op een LBO- of VMBO-school. Mevrouw is blijkbaar plots door signalen uit de werkelijkheid overvallen. En zelfs voor een opiniërend artikel bevat haar werkstukje wel heel weinig cijfers en feiten.
NRC Handelsblad bracht dit oerdomme artikel ook al zo prominent. Zij het dat die krant nog wat andere opiniestukken had.
Nu moet ik een krant niet afrekenen op mijn ergernis over éen artikel, dat ook nog van een buitenstaander komt. Maar het punt is dat ik verder niet zo heel veel voor nrc.next vindt spreken. Ja, het lijkt me een volwaardige krant, met alle rubrieken die van een goede krant te verwachten zijn. Zelfs die extra Intermediair-achtige pagina Loopbaan is te begrijpen als een concessie aan de doelgroep.
Maar nrc.next blijft gewoon een krant. En het nut van een krant is me niet duidelijk meer, met zijn gewoonte om van alles wat te brengen en van niets eens diepte.
Goed, geen keuze maken, is ook een keuze. Maar niet éen voor unieke kwaliteit.
kranten die eerder besproken zijn op dit weblog:
- Het Parool van zaterdag 4 maart 2006
- Algemeen Dagblad DNL van zaterdag 3 september 2005
- Volkskrant, weekend 26 en 27 februari 2005
- Trouw, zaterdag 5 februari 2005
nrc.next jaargang 1 no. 1
36 pagina’s
PCM Uitgevers © 2006
in: a-z, periodieken, media
[+] zie de gerelateerde titels |
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 16 maart 2006
Het boekenweekgeschenk van 2006 gaat over een abnormaal kleine man, genaamd Lemmy. En helaas riep dit boekje bij mij alleen maar vragen op.
Waarom toch dit verhaal?
Wat wilde Japin zeggen met De grote wereld waarvoor per se die dwerg nodig was? Anders dan dat hij genoeg fantasie heeft om te beschrijven hoe het is om abnormaal klein te zijn in een wereld ingericht op grotere mensen?
Natuurlijk hebben schrijvers vaker dwergen gebruikt in boeken. En bijvoorbeeld bij Oskarchen in Grass’ Blechtrommel heeft zijn kleinheid een functie in het verhaal. Maar van dit boekje heb ik geen moment het idee gehad dat er een noodzaak voor dit onderwerp was.
Ik word door dit boekenweekgeschenk slechts bevestigd in het vooroordeel dat Japin een nogal uitleggerige schrijver is. En mij zijn de verzwijgers liever.
Die hele Boekenweek is ook niet voor lezers, die is er voor om boeken te verkopen. En dat is iets anders.
Arthur Japin, De grote wereld
91 pagina’s
Stichting CPNB © 2006
in: boekenweekboeken, a-z
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Arthur Japin-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 16 maart 2006
Het boekenweekessay dit jaar komt van TV-presentator Paul Witteman, die daarin zijn licht schijnt over het onderwerp muziek. Dat leverde een vertelling op die voornamelijk autobiografisch is.
Witteman kan onder meer bogen op een mislukte studie aan het conservatorium, en stamt van moederskant uit de o zo muzikale familie Andriessen. Maar de belangrijkste reden waarom hij dit essay mocht schrijven, zal ongetwijfeld zijn dat hij een bekende TV-persoonlijkheid is.
Goed, hij schijnt ook een column over klassieke muziek te schrijven in De Volkskrant. Maar zelfs die positie lijkt me voort te komen uit het niet geheel toevallige feit dat Witteman bekend van televisie is.
En hij keuvelt wel aardig hoor, op papier. Maar verder is het allemaal weinig bijzonder. Tenzij iemand het bijzonder vindt dat een bekende Nederlander heel geserreerd wat persoonlijke ontboezemingen durft te publiceren. Of dat een prominente PvdA-stemmer uitlegt dat de mens maakbaar is, omdat eenieder muzikaliteit bij de geboorte meekrijgt.
Enfin, wat me dan misschien toch nog wel even bijblijft van dit boekje, is hoe irritant bescheiden Witteman de hele tijd doet over zijn eigen muzikale verrichtingen. Want, zoals het woord luidt, hij heeft ook gewoon veel om bescheiden over te zijn.
Paul Witteman, Erfstukken
64 pagina’s
Stichting CPNB © 2006
in: boekenweekboeken, a-z, essays, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Paul Witteman-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 18 maart 2006
Genre-fictie zoals deze Christelijke novelle leidt aan voorspelbaarheid. Dat maakt het nu eenmaal genre-fictie. Van een boek als dit is gegeven dat God op een zeker moment nadrukkelijk aanwezig zal zijn. Dat verwacht de lezer, en dit vertrouwen mag niet worden beschaamd.
Er is ook niets mis met voorspelbaarheid in fictie. Jongen ontmoet meisje kan duizend maal opnieuw verteld worden, zonder te vervelen. En de spanning in thrillers is vaak nog net te verdragen, omdat de afspraak stilzwijgend luidt dat de held ondanks alles toch zal overleven. Niets fijner ook dan van opluchting mogen uitademen, al mag James Bond van mij nu werkelijk wel eens echt sneuvelen.
De vaststelling dat een boek genre-fictie is, ontheft het ook van nogal wat verantwoordelijkheden. Zo hoeft de vertelling niet literair te zijn, als die maar vlot is. En pretenties hoeft de schrijver ook al niet te hebben.
Maar dit boek leidt er nogal onder dat de schrijver te veel op éen dreun schrijft, en bij de ontknoping doorschiet tot een pathetiek waarvan ik dacht dat die met de keukenmeidenroman was uitgestorven. Dat de schrijver van zijn hoofdpersoon een slechte vrouw heeft willen maken, was me ook wel duidelijk zonder dat herhaald in uitgeschreven visioenen nog eens te illustreren.
Slechts op éen punt verrastte dit actieboek van de Christelijke vakboekhandel me wel. Het is namelijk een heel mooi vormgegeven boekje, waarin de Optima voor de verandering wel een prettige leesletter blijkt te kunnen zijn.
Leendert van Wezel, Bladstil
Novelle
88 pagina’s
Uitgeverij De Banier © 2006
Uitgave in samenwerking met de
Brancheorganisatie voor het
Christelijke Boeken- en Muziekvak
in: boekenweekboeken, a-z, religie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Leendert van Wezel-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 19 maart 2006
Waarvoor ruimden de Nederlandse radio en televisie de meeste tijd in tijdens de nieuwsuitzendingen vorig jaar?
Ik weet dat niet goed. Nieuws uit de hele wereld komt bij mij tegenwoordig automatisch binnen via internet. Wat de vaderlandse journalistiek daaruit selecteert ontgaat me. Maar mocht ik later nog eens willen nagaan waar Nederland zich druk op maakte, dan bieden de boekjes met de Volkskrant-columns van Remco Campert en Jan Mulder waarschijnlijk een heel aardig overzicht.
Ter illustratie: in dit deeltje maakte onder meer het referendum over Europa indruk op hen, net als de vogelgriep, en het komende WK voetbal in Duitsland.
Maar dat ‘later’ schrijf ik hier toch met enige nadruk. Want mij valt op dat persoonlijke kroniekjes als deze misschien op de dag zelf in de krant interessant zijn, maar dan snel aan waarde verliezen. Merkwaardig genoeg is een bundel als deze over tien jaar waarschijnlijk beter te lezen dan nu. Misschien ook omdat dan het plezier meespeelt dat een vage herinnering aan iets voor even weer scherper wordt.
Door de jaren heen merk ik steeds vaker de columns van Campert met aandacht te lezen, en die van Jan Mulder al na een paar alinea’s te beëindigen.
Mulder leidt aan voorspelbaarheid.
Daar is soms niets op tegen. Maar voor een columnist lijkt het me een doodzonde.
CaMu 2005
Het jaaroverzicht van Remco Campert & Jan Mulder
316 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij © 2006
in: a-z, bundels, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Remco Campert & Jan Mulder-pagina
maandag 20 maart 2006
Het voordeel van een humoristisch boek is dat het verhaaltje niet veel hoeft voor te stellen, als er maar een goede grap of wat in staat. Zelfs de hoop op een lach kan iemand al aanzetten om verder te lezen.
Het nadeel van een humoristisch boek is dat alles wordt afgemeten aan de kwaliteit van de grappen, zelfs al zijn die gevat in een briljant verhaal.
Wee dus de schrijver die me ooit eerder om zijn werk heeft laten lachen, zoals Herman Koch er éentje is. Zijn Red ons Maria Montanelli blijft een onvolprezen hoogtepunt in die oneindige reeks Nederlandse boeken over pubers, en school.
Eten met Emma gaat evenwel over een schrijver. Of eigenlijk twee schrijvers zelfs. Dat is ook al zo’n onderwerp waar te veel vervelende boeken over verschenen zijn. Al maakt dit het wel een goed thema om te persifleren.
Mijn probleem met dit boek is dat ik steeds al zag aankomen welke kant de persiflage uit zou gaan. Of het nu om de holle ambitie van de ene schrijver ging, of het tenenkrommend slechte proza van die bestseller-auteur.
Het leek me maakwerk, dit boek. Een soort invuloefening die met beperkte inspiratie gedaan is. Niet vervelend, maar ook geen moment memorabel.
Herman Koch, Eten met Emma
190 pagina’s
Pandora Pockets © 2005, oorspronkelijk 2000
in: a-z, humor, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman Koch-pagina
dinsdag 21 maart 2006
Op de website van Peter Sloterdijk staat als een nieuwtje vermeld dat hij de Sigmund Freud-prijs voor wetenschappelijk proza heeft gewonnen. Daar moest ik om giechelen. Sigmund Freud in éen adem noemen met wetenschappelijk proza vind ik nogal gewaagd. Misschien is dat zelfs wel net zo ironisch als het besef dat de Nobelprijs voor de Vrede elk jaar betaald wordt met het geld van een dynamietfabrikant.
Maar zo’n Sigmund Freud-prijs toont wel aan wat sommige mensen voor wetenschappelijk proza aanzien. Dat is een boek als dit dus. Wat nogal onleesbaar uitpakt, zelfs voor een lezer die bogen kan op jarenlange ervaring in het bestuderen van Duitse filosofische teksten. Ooit was dat onderdeel van mijn opleiding. Helaas.
Hoogst irritant is een retorische truc van Sloterdijk om te doen of een idee van hem van zelf spreekt. ‘Niemand zal in ernst bestrijden’ staat er dan. ‘Tegen deze achtergrond valt heel makkelijk in te zien’, ‘dit alles maakt duidelijk’, ‘Het is dus evident’. ‘Vanzelfsprekend’. ‘Natuurlijk’.
En dat is nog maar éen bezwaar. Het grootste probleem voor mij bij het lezen van dit boek was dat Sloterdijk in een Duitse filosofische traditie staat, die ik verafschuw. Mij is heel goed duidelijk dat het moeilijk moet zijn om in taal te verwoorden waar nog niet eerder taal voor bestond. Maar daarom hoeft zo’n poging nog niet zulk opgeblazen gezever als op te leveren als in dit boek staat.
Neem een fragment als het begin van hoofdstuk 29:
De ‘mensheid’ komt allerminst tot stand door het libidineuze verlangen om een alomvattende vereniging te worden en zich daartoe de benodigde media te verschaffen. Het antropologische convent is veeleer het resultaat van de opgedrongen contacten van het kolonialisme en, na de verdwijning daarvan, door de dwingende netwerkvorming, die zich presenteert als fysiek goederenverkeer, kredietstelsels, investeringen, toerisme, cultuurexport, wetenschappelijke uitwisseling, wereldpolitiek interventionisme en ecologische normexpansie. De eisen van de actuele Tweede Oecumene openbaren zich niet zozeer hierin dat mensen overal moeten toegeven dat ook de mensen op andere plaatsen huns gelijken zijn (ofschoon het aantal van degenen die dat openlijk of stiekem ontkennen, aanzienlijk blijft), als wel hierin dat ze de toenemende samenwerkingsdruk moeten verdragen, die hen met het oog op de gemeenschappelijke risico’s en supranationale bedreigingen tot een zichzelf opdringende commune samenperst. […]
Sloterdijk heeft het nooit over wat een normaal mens ziet - of desnoods een historicus waarneemt - als die het over een ontwikkeling als globalisering heeft. Hij verzint metaforen en probeert daar de werkelijkheid in te persen.
Deze werkwijze kan best iets opleveren, als zo’n metafoor ineens zicht geeft op wat tot nu toe altijd verborgen was. Maar taal kan in die aanpak heel makkelijk een keurslijf vormen, waar de feiten zich maar naar te voegen hebben.
En dat gebeurt in dit boek.
Als dit boek iets illustreert, dan wel dat Sloterdijk een merkwaardig idee over historische feiten heeft. Zo laat hij de mondialisering beginnen in 1492 bij Columbus, en eindigen bij Bretton Woods in 1944. Toen er afspraken over de financiële relaties van de grote industrielanden werden gemaakt om voortaan crises te voorkomen, en het kapitalisme zijn zegetocht kon beginnen.
Dat kan nog.
Maar vervolgens kiest hij uit die vierenhalve eeuw geschiedenis nogal hapsnap wat hem toevallig goed uitkomt in het betoog. En, terwijl het al moeilijk genoeg is om te reconstrueren wat er gebeurde, mikt Sloterdijk nog aanzienlijk hoger. Het is hem te doen ons om de mechanismen te tonen onder alle ontwikkelingen, maar wel terwijl hij die mechanismen al bedacht heeft.
En dit lijkt me valsspelen, wetenschappelijk gezien. Of ook wel: fictie bedrijven.
Peter Sloterdijk, Het kristalpaleis
Een filosofie van de globalisering
312 pagina’s
Uitgeverij SUN © 2006
Vertaling van Weltinnenraums des Kapitals.
Für eine philosophische Theorie der Globalisierung © 2004
in: geschiedenis, a-z, politiek, vertaald, filosofie, Deutsch [& übersetzt]
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Peter Sloterdijk-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 23 maart 2006
Ja, ik weet even terug gezegd te hebben voorlopig geen boeken van Ethel Portnoy meer te lezen. Maar dit is geen persoonlijke Portnoy, zoals die anderen. Dit boekje bevat een kleine honderd moderne legenden die zij in de loop der jaren verzamelde. En die vertellingen zijn in alle gevallen tot de kern teruggebracht; nogal sober opgeschreven.
Vaak worden deze anecdotes ‘urban legends’ genoemd. Maar Portnoy protesteert tegen deze benaming. De legenden spelen zich immers niet perse in een stedelijke omgeving af.
Wel komt in de verhaaltjes vaak terug wat de oerangsten in een cultuur lijken te zijn. Restaurants en snackbars doen maar wat met ons eten, dat is bijvoorbeeld zo’n idee. Bij de Chinees staat er regelmatig stiekem rat op het menu. Of hond. En sprekend over honden: hot-dogs zijn al helemaal niet te vertrouwen. Wat ze daar toch instoppen…
Die laatste legende leverde hier het begrip ‘Broodje aap’ op, dat tegenwoordig ook in Van Dale staat.
Met Portnoy deel ik de fascinatie dat soms al oeroude verhalen als deze er toch steeds weer in slagen ergens als nieuws gepresenteerd te worden.
wordt vervolgd
Ethel Portnoy, Broodje aap
De folklore van de post-industriële samenleving
171 pagina’s
Uitgeverij De Harmonie © 1978
in: a-z, geschiedenis, humor, vertaald, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ethel Portnoy-pagina
vrijdag 24 maart 2006
Veertien jaar na Broodje aap bracht Ethel Portnoy deze nieuwe verzameling moderne legenden uit. Enkele verhalen daaruit tonen iets wat er in de tussentijd veranderde.
Zo is AIDS ineens opgedoken als fatale nieuwe ziekte. En sterker nog, iedere AIDS-patiënt is zo rancuneus aan de ziekte te lijden, dat ze flink hun best doen onschuldigen te besmetten. Volgens deze legenden.
Nu deed de Nederlandse overheid het indertijd geloven dat vooral scholieren kans liepen om AIDS te krijgen. Alle publiekscampagnes werden vooral op hen gericht; dit om mannelijke homo’s maar niet te stigmatiseren. Het hele culturele klimaat droeg er indertijd ook aan bij van AIDS een doem te maken, terwijl dat idee inmiddels toch wel wat verwaterd is. Hier tenminste.
Broodje aap met is in éen opzicht beter dan Broodje aap. Portnoy lukte het namelijk nu wel soms de bronnen aan te geven van een verhaal. Of om te melden wanneer zo’n legende als kort nieuwsbericht ergens de krant gehaald had.
Bovendien komt ze in dit boek tot de conclusie dat veel van de legenden niet alleen volksverhalen zijn, maar ook teruggeleid kunnen worden tot bestaande cultuuruitingen. Soms zijn dit dan subplotjes uit antieke Griekse tragedies, maar steeds vaker ook is zo’n legende weinig anders dan een slecht naverteld geïsoleerd lijntje uit een film.
Maar goed, tegenwoordig zijn er websites als Snopes, waarop duizenden moderne legenden verzameld zijn, en stuk voor stuk ontkracht worden. De belangstelling voor de nieuwe folklore is sinds 1978 enorm toegenomen.
Portnoy’s boek toont aan, mede doordat het nog als boek werd uitgegeven, hoezeer cultuuruitingen of cultuurangsten met hun tijd samenhangen.
Ethel Portnoy, Broodje aap met
Een verdere bijdrage tot de folklore
van de post-industriële samenleving
183 pagina’s
Uitgeverij de Harmonie © 1992
in: a-z, geschiedenis, humor, vertaald, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ethel Portnoy-pagina
zaterdag 25 maart 2006
Filosofie gaat nooit over de werkelijkheid, filosofie gaat alleen over de ideeën die er over de werkelijkheid bestaan. Dit onderscheid moet ik nu maar eens zo verwoorden. Ideeën over de werkelijkheid kunnen namelijk veranderen zonder dat er in de werkelijkheid iets vergelijkbaars plaatsvindt. Maar zo’n wisseling in besef gaat meestal langzaam. Daartoe moeten soms eerst hele generaties dood gaan.
De werkelijkheid kan ook heel goed veranderen zonder dat onze ideeën daarover nu zo anders worden. Die stilstand in het denken is de laatste twintig jaar zichtbaar, maar die geldt eigenlijk al voor de hele twintigste eeuw.
Er is een crisis in de filosofie, alleen al omdat de discipline te zeer een vak is geworden voor beroepskrachten die buitenstaanders liever weren.
Maar ziet, zo af en toe verschijnt er een boek dat belooft nu eens iets aan de door mij geconstateerde gebreken te doen. Oosterling kondigt aan te beschrijven wat er allemaal verandert, en deze ontwikkelingen daarbij ook nog eens te duiden.
Daar slaagt hij alleen niet in. Daarvoor is zijn betoog te warrig, en citeert hij vooral te kritiekloos te veel te verschillende denkers om mijn vertrouwen te houden.
Bovenal erger ik me aan filosofen die woorden misbruiken, door deze een lading te geven die alleen maar bestaat in de taal waarin zij toevallig schrijven. Bekijk bijvoorbeeld eens hoe Oosterling interessant doet met het woord ‘middelmaat’, en vraag u af hoe u onderstaande passage in het Engels of Frans zoudt vertalen.
De kernnotie ‘middelmaat’ is verre van eenduidig. Het middel kan zowel subject als object van de maat zijn: het kan de maat aangeven of zelf afgemeten worden. De maat op zijn beurt is evenmin eenduidig hij manifesteert zich nu eens als beweging, dan weer als afmeting. Hoeveel een middel - prozac, cocaïne, auto, gsm - gebruikt wordt, is doorgaan geen weloverwogen keuze van individuen, maar een situationeel ingegeven routine. Dit betekent dat het middel in passieve zin object van een specifieke afmeting kan zijn en tegelijkertijd in actieve zin de maat aangeeft. Over deze dubbele betekenis handelt dit essay.
Henk Oosterling, Radicale middelmatigheid
143 pagina’s
Uitgeverij Boom © 2000
in: a-z, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Henk Oosterling-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 27 maart 2006
Dit is een elementair boek voor iedereen die een mening hebben wil over de politiek in Nederland. Het bevat zoveel basisinformatie over de rot in het openbaar bestuur dat ik het verplicht zou voorschrijven aan de lezers van mijn weblogs, als dat kon.
Dat zou nogal wat uitleg schelen.
Toch is het ook weer geen perfect boek. En bovenal laat het me treuren over het lage niveau van de journalistiek in Nederland.
Niet spreken met de bestuurderbevat elf lange journalistieke reportages. Van Westerloo schreef die grotendeels tijdens de opkomst van Pim Fortuyn als politiek fenomeen, maar vooral ook daarna. Hij mocht vlieg op de muur zijn bij onder meer de gemeenteraad in Arnhem, de PvdA-fractie onder Melkert, en ook de Eerste Kamer. Later sprak hij nog met gemeenteraadsleden in Rotterdam, en met wat nieuwe jonge kamerleden die aantraden na de verkiezingen die het kabinet Balkenende ii opleverde.
Maar daar gaat het niet eens om. Die meeste reportages zijn niet zo plaatsgebonden; vergelijkbare verhalen hadden vaak ook elders opgetekend kunnen worden. De teneur was dan niet anders geweest: in Nederland zijn openbaar bestuur en politiek totaal met elkaar vervlochten. Dit betekent dat dezelfde mensen het ene moment bestuurder zijn, een paar jaar later controleur, en dan weer adviseur. Zo’n systeem heeft een sterk afstotend vermogen om buitenstaanders te weren. In nabije buitenlanden heet zo’n systeem zelfs corrupt.
Van Westerloo schrijft helaas niet met zo veel woorden op wat dit betekent: maar politici en bestuurders kunnen in Nederland nergens meer op worden afgerekend. Dat hoort niet tot de mores; die mensen moeten eeuwig met elkaar verder kunnen, of anders wel met de partijen waar ze toe behoren.
Wel is zijn thema dat de politiek en het openbaar bestuur hier autistisch is, met als gevolg dat alle visie ontbreekt. Daardoor wordt er te veel tijd besteed aan bijzaken, en geneuzel. Meest schrijnende voorbeeld in dit boek: in de PvdA-fractie onder Melkert waren er veertien kamerleden woordvoerder over het onderwerp minderheden. Daarbij had de éen zich gespecialiseerd in de gezondheid van minderheden, en ander in het onderwijs aan minderheden, en een derde in het welzijn van de minderheden…
Dit boek dringt me ook twee conclusies op over de media in Nederland. De eerste is: Van Westerloo heeft hier zo ongeveer de beste reportages verzameld die er de laatste jaren in Nederland geschreven zijn. Toch is geen in aanpak en uitwerking heel bijzonder, vergeleken met wat ik uit de Amerikaanse of Britse journalistieke traditie ken. Gedegen vakwerk is het, maar niet meer dan dat.
Iedere krant of ieder tijdschrift moet reportages van dit niveau kunnen brengen. Dat dit niet gebeurt, stemt somber.
En ook: met de kennis die Van Westerloo de lezer biedt over het falen van het openbaar bestuur in Nederland, wordt ook duidelijk dat een heleboel journalistiek slechts meehelpt een schijnwerkelijkheid in stand te houden. De democratie hier is een mythe. Dat besef stemt nog somberder.
Gerard van Westerloo, Niet spreken met de bestuurder
366 pagina’s
Uitgeverij De Bezig Bij © 2003
in: geschiedenis, a-z, typisch hollands, aanbevolen 2006, politiek, bundels, media, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerard van Westerloo-pagina
woensdag 29 maart 2006
Dit is een prachtig boekje. Ik heb er maar éen ding op aan te merken, maar dat komt omdat het opgenomen materiaal niet in een geut geschreven is. Het grootste deel bestaat namelijk uit columns die tussen 1995 en 2000 verschenen in de wetenschapsbijlage van NRC-Handelsblad. Dit betekent dat een voorbeeld weleens opnieuw terugkeert; dat Icke weleens dezelfde basiskennis opnieuw moet uitleggen.
Storen doet dat niet.
Integendeel. In zo’n verzamelbundel valt ook op wat door de jaren heen de hang-ups van een schrijver zijn. En voor wie dan dezelfde klachten heeft, leest een heel prettig boek. Zoals ik dat deed.
Een van de thema’s in deze bundel is de kritiek van astrofysicus Icke op de manier waarop het onderzoek in Nederland gefinancierd wordt. Wetenschappers moeten voor hun onderzoeksprojecten namelijk telkens weer aanvragen doen, die dan in het teken dienen te staan van wat een politieke meerderheid toevallig relevant vindt.
En die politieke coalitie wil ook al steeds plannen op uitkomst, wat in de politiek al onmogelijk is maar in de wetenschap helemaal niet werkt.
Icke wijst meermaals aan tot welke krankzinnige verhoudingen dat leidt. Wetenschap is een keihard métier. Feiten zijn feiten. Al heel lang wordt het verkondigen van onzin meteen afgestraft door buitensluiting uit de wetenschappelijk gemeenschap. Dus is het merkwaardig dat politici, of managers, zonder enige vakkennis te bezitten ook nog eens menen te kunnen oordelen of onderzoek relevant is.
Vilein merkt Icke ergens op: Einstein zijn is geweldig. Maar nog mooier is het om Einstein te kunnen sturen.
Maar vergeet het geneuzel over de belabberde situatie in Nederland vooral, en lees dit boek vooral als een prachtige inleiding in waar de harde wetenschap zich op dit moment mee bezig houdt. Icke is er heel goed in begrijpelijke voorbeelden te vinden, en schrijft buitengewoon helder.
Eindelijk begrijp ik het verschil tussen fermionen en bosonen, om maar eens iets te noemen
Vincent Icke, De eekhoornformule
Over weten en wetenschap
178 pagina’s
Aula i.s.m. Uitgeverij Prometheus © 2003
in: a-z, aanbevolen 2006, kennis, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Vincent Icke-pagina
vrijdag 31 maart 2006
Wat verlang ik een schrijver? Die elementaire vraag dringt zich altijd weer op als ik een boek lees waaruit talent tot schrijven spreekt, maar dat mij werkelijk volkomen koud laat. Tongkatis weer eens zo’n boek.
Moet de schrijver me met interest terugbetalen op de emoties die ik investeer? Is het zoiets simpels?
Er moet emotie bij me opgeroepen worden in elk geval, al was het maar zoiets als de elementaire wens om te weten wie het gedaan heeft. Anders blijft een boek een zakelijke tekst, met enkel wat kale mededelingen. Maar een probleem voor mij met dit boek is dat het zo zo’n best doet om fabuleerkunst te zijn. De personages erin blijven schema’s van personages, en worden nooit mensen. De realiteit waarin die archetypes leven is sprookjesachtig, extreem, en wordt geen moment meer dan een bordkartonnen decor.
Punt is, mij doen zulke schrijftrucjes niets.
Peter Verhelst, Tongkat
Een verhalenbordeel
343 pagina’s
Uitgeverij Prometheus 2002, oorspronkelijk © 1999
in: a-z, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Peter Verhelst-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog