Inhoud februari 2007:

Vincent Icke · Passie en precisie

Kees Dorst · Understanding Design

Jean-Philippe Toussaint · Badkamer

S. Montag · Over de afwas, de doodstraf, dienstmeisjes, Dinky Toys en nog het een en ander

Nick Hornby · Complete Polysyllabic Spree

Ingmar Heytze · Voordeel van de twijfel

Ingmar Heytze · Hier heeft de oudste steen gelijk

Hunter S. Thompson · Fear and Loathing in America

Jip Golsteijn · 1 met stip

Steve Jones · Almost Like a Whale

Scott Adams · Joy of Work

Atte Jongstra · Avonturen van Henry II Fix

Paul Arnoldussen & Hans Renders · Jong in de jaren dertig

Land Coitha | eerste boek

Douwe Draaisma · Ontregelde geesten

Peter van Straaten · Grote jongens huilen niet

Bill Kauffman · Dispatches From the Muckdog Gazette

Ileen Montijn · Tussen stro en veren

Stephen King · On Writing

William Donaldson · Brewer’s Rogues, Villains and Eccentrics

Arnon Grunberg leest Karel van het Reve

Land Coitha | tweede boek

Rudy Kousbroek · Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam

Ileen Montijn · Leven op stand

Dick Francis · Blood Sport

Cornelis van der Wal · Hûn oan ’e himel

Henk van Renssen · Revolutieverzamelaar

Vincent Icke · Passie en precisie

Stel dat ik deze bundel vorig jaar gelezen had, in plaats van Icke’s boek De Eekhoornformule. Geen enkele twijfel dat ik dan een even enthousiast besprekinkje geschreven had als over die titel toen. De inhoud had haast woordelijk dezelfde kunnen zijn.

Maar nu, bij een volkomen vergelijkbaar boek, ontbreekt dat grote enthousiasme, opvallend genoeg.

Misschien komt dat omdat de columns en artikelen in deze bundel geselecteerd zijn uit een kortere periode, waardoor er minder weg te laten viel. Maar waarschijnlijker nog ligt het gewoon aan mij, en de onbehoorlijke eis die ik aan schrijvers stel om mij te blijven verrassen.

Ditmaal was de toon me bekend, en de stokpaardjes ook. Nu ontbrak de prettige emotie om iets nieuws te beleven. Die was er de vorige keer wel, al las ik de columns van Icke in NRC-Handelsblad toen ook al jaren. Ze voor het eerst verzameld zien, deed me wel wat.

Nu zal dit zonder twijfel éen van de meest intelligent geschreven boeken zijn die ik lees dit jaar. Maar misschien ben ik de laatste maanden wel te verwend geraakt door een Steve Jones, of een Bill Bryson. Die schrijven nog net een ietsje beter dan Icke. Bovendien is hun keuze ruimer aan onderwerpen uit de wetenschap.

Waardoor mijn conclusie voorzichtig moet luiden waarschijnlijk niet zo vreselijk veel belangstelling te hebben voor de kern van Icke’s weten; niet zo veel met die astrofysica aan te kunnen. Over dat onderwerp is me bekend wat ik er van weten wil. Met die Readers’ Digest samenvatting kan het volstaan.

Icke heeft mijn kijk op de exacte wetenschappen ook nooit veranderd. Ik heb dankzij hem wel een wat beter idee van wat we allemaal nog niet weten, en dat is altijd het belangrijkste.

meer Icke op boeklog

Vincent Icke, Passie en precisie
286 pagina’s
Uitgeverij Contact © 2004

in: a-z, [web] technologie, kennis

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Vincent Icke-pagina

Kees Dorst · Understanding Design

Vormgeving vindt plaats op elk niveau. Meest basaal is nog wel dat ik probeer hier heldere zinnen neer te zetten. Maar ik denk aanmerkelijk sneller dan ik typ. En ook al omdat deze woorden er in een paar minuten moeten staan, wil er nog weleens wat aan spelling of stijl mankeren.

Boeklog legt mij nu ook andere eisen op dan toen ik er mee begon. In eerste instantie was mijn bedoeling slechts om vast te leggen wat een boek me geven kon als ik het herlezen wilde, en wat juist helemaal niet. Dit blijft weliswaar een uitgangspunt, maar inmiddels bent u in vrij grote getale gaan meelezen. Dus merk ik almaar meer uit te leggen, want rekening te houden met een publiek.

Nu had ik van mijn andere weblog geleerd hoe prettig het is om informatie in een database op te slaan. De inhoud kan dan namelijk vrij simpel op verschillende manieren ontsloten worden. Dus zelfs toen boeklog nog een privé-dagboek was, werkte het al op dezelfde technologie als nu. Zij het, dat inmiddels meer mogelijk is. Ik ben blij dat bij het plaatsen van een besprekinkje als deze automatisch de alfabetische titellijst wordt bijgewerkt, en in dit geval ook de lijst met auteurs.

Die titellijsten zijn niet alleen voor mij belangrijk, maar ook om bezoekers een beter inzicht te geven wat hier allemaal beschikbaar is. Maar, hoewel die lijsten al bestaan sinds het herontwerp van de site vorig jaar zomer, wordt er pas massaal gebruik van gemaakt sinds ik plaatjes toevoegde aan de kop van deze pagina, met een zichtbare aanduiding.

Net zo, valt niemand op dat de naam van de auteur wel in de kop terugkomt in de resultaten van zoekopdrachten, of op archiefpagina’s, maar juist niet als mij dit niet nodig lijkt. Evenmin kijkt bijna niemand ooit onder ‘archief‘. Wat bezoekers niet direct zien, wordt zelden gezocht.

Ik schrijf dit nu allemaal op om aan te geven hoe zeer ik ervan doordrongen ben dat er regels bestaan om een bezoeker hartelijk welkom te heten. Al improviserend lukt het me ook wel om een paar van die vuistregels zo ongeveer af te leiden. En toch hoeft wat voor boeklog geldt, niet zo voor mijn andere weblog te zijn.

Het is de klasse van dit boek van Kees Dorst dat hij die ambiguïteit ziet en duidelijk aangeeft. Zeker, er zijn regels te geven waaraan een goed ontwerp moet voldoen. Maar al veel minder duidelijk is welke regels precies gelden bij een bepaald ontwerpprobleem, of wanneer die regels juist doorbroken moeten worden.

Ontwerpwedstrijden worden meestal gewonnen door degene die zich niet helemaal aan de letterlijke opdracht houdt.

Pas-afgestudeerde ontwerpers zijn er veel minder goed in spontaan iets te ontwerpen als studenten die net met de opleiding beginnen. Ze kennen te veel regels.

Ik was vooraf wat huiverig om een boek te lezen over ontwerpen zonder ook maar éen enkel toelichtend plaatje. En daarna vroeg ik me af of 150 betoogjes van altijd maar een pagina me meer konden bieden dan een lopend verhaal. Ook dat zijn weer ontwerpvragen. Ik ben gewend bepaalde informatie op een bepaalde manier tot me te nemen. Dus valt meteen op als het aanbod ineens iets anders is, hoewel het niets bleek uit te maken voor de indruk die de inhoud achterliet. Dat ook zette me tot denken aan.

Dit boek lijkt me daarom alleen al een goed boek.

Toch, misschien speelt bij mijn waardering mee dat ik ooit industrieel vormgeven wilde studeren, maar daarvoor meerdere keren werd uitgeloot. Een leerboek dat toont wat ik had kunnen leren, en daarmee geen enkel moment afschrikt, maakt ook melancholisch over mogelijk gemiste kansen en het eeuwige wat-als.

zie ook Dictatuur van het design

Kees Dorst, Understanding Design
207 pagina’s
BIS Publishers © 2003

in: leerboeken, beeldende kunst, a-z, [web] technologie, cultuur, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Kees Dorst-pagina

Jean-Philippe Toussaint · Badkamer

Toussaint heeft een nieuwe roman uit. Vluchten heet die in vertaling. En ik heb dat boek gekocht om het op te sparen voor het juiste moment. Ik verwacht er weer iets speciaals van. Een goede fles wijn gaat ook niet op een grauwe dinsdagmiddag open voor enkel de roes.

Gelukkig zijn er al die oude Toussaint’s nog, die ik wel mag lezen. Al was het maar om weer aan zijn toon te wennen. Want, zoals Buster Keaton filmde, zo schrijft deze geboren Brusselaar; beendroog, en uiterst flegmatiek. Ik kan daar vreselijk om lachen. Maar het is me nooit gelukt anderen aan te duiden waarom Toussaint lezen mij zo blij maken kan.

De badkamer was zijn debuut. Het is verreweg het grappigste boek over depressie dat ik ken - en daardoor misschien het meest inzichtrijk. Omdat de stoornis nooit zo benoemd wordt, maar de lezer het juist volkomen normaal vindt dat de hoofdpersoon zich terugtrekt uit het leven. Zich dagenlang in de badkamer opsluit, en het daar wel prettig vindt ook. Wie gek wordt, weet dat niet van zichzelf. En zolang hij het verhaal maar vertelt, hoeven anderen daar ook niets van te merken.

Onbeweeglijkheid is geruststellend, zo stelt de hoofdpersoon. Maar de wereld zit zo niet in elkaar. Alles stroomt de hele tijd maar door. Verandering is voor iedereen normaal, behalve volgens degene die daar vanuit rust naar kijken gaat.

Gelukkig bestaat er dan ook nog de liefde, ach ja de liefde, en die levert een reden op de badkamer definitief te verlaten nadat de hoofdpersoon zich daar voor de tweede maal in heeft teruggetrokken.

Groots, ondanks het geringe aantal bladzijden.

Jean-Philippe Toussaint, De badkamer
100 pagina’s
Uitgeverij Van Gennip 1986
Vertaling van La salle de bain

in: aanbevolen 2007, a-z, en français [& vertaald], humor

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jean-Philippe Toussaint-pagina

S. Montag · Over de afwas, de doodstraf, dienstmeisjes, Dinky Toys en nog het een en ander

Marcel van Eeden formuleerde ooit over de onderwerpen van zijn tekeningen dat hij gefascineerd werd door de tijd voor zijn geboorte. Ik heb dat totaal niet. Al kan ik me soms verbazen over het geringe aantal jaren tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en tot ik er was. Mij fascineert wel wat tijdens mijn leven al bestond, maar mij pas later opviel dan had gekund.

Al die moeite die ik nu moet doen om boeken te vinden die eerder gewoon in de reguliere handel te koop waren. Het lijkt wel of al mijn favoriete schrijvers inmiddels dood en vergeten zijn.

En iets wat ik ook merkwaardig vind, is het prestige dat sommige mensen hebben; waarvan ik dan maar moet aannemen dat die faam ook terecht is. Om me maar tot schrijvers te beperken, iemand hoeft maar éen maal iets te hebben gepubliceerd dat spraakmakend was in zijn tijd, en dat blijft heel lang aan hem kleven.

Zo heb ik me altijd wat verbaasd over de grote bewondering voor H.J.A. Hofland, die in 1999 zelfs tot journalist van de twintigste eeuw werd bekroond. In de tien jaar dat ik me toen serieus met journalistiek bezighield, was mij niets bijzonders aan zijn werk opgevallen. Als dat het beste was wat de Nederlandse journalistiek had voortgebracht, leek me dat geen reclame voor de creativiteit en intelligentie van onze kranten en tijdschriften. In mijn bespreking van zijn Tegels lichten klinkt ook al door hoe weinig tijdloos ik dat boek beschouw.

Wel moet ik toegeven verder weinig boeken van Hofland onder ogen te hebben gehad. Daarom las ik dit, van Hofland’s alter ego S. Montag. En meteen weer viel me weer op hoe tijdsgebonden zijn stukken zijn. De training van elke journalist om de waan van de dag na te jagen, verloochent zich blijkbaar nooit.

Toch werkte dat nu eens wel, in dit boek. Omdat Montag vooral reflecteert over welke dingen normaal zijn en welke niet, krijgt de lezer ook een prachtig beeld van hoe het was, omstreeks 1979.

En zie, de meeste ergernissen veranderen nooit, alleen zal de directe aanleiding inmiddels anders zijn.

S. Montag, Over de afwas, de doodstraf,
dienstmeisjes, Dinky Toys
en nog het een en ander

199 pagina’s
De Bezige Bij © 1980

in: typisch hollands, a-z, bundels

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de S. Montag-pagina

Nick Hornby · Complete Polysyllabic Spree

Er wordt weleens onderzoek gedaan naar wat mensen nu eigenlijk onthouden van het TV-journaal dat net is uitgezonden, of de inhoud van het weerbericht. De antwoorden op die simpele vraag vallen altijd tegen. Naar het nieuws kijken, of het weerbericht, is meer een ritueel dan iets anders.

Niet dat ik beter in elkaar zit. Drie kranten lees ik per dag, maar vraag me niet wat afgelopen vrijdag het belangrijkste nieuws was. Laat staan dat ik onthouden heb wat er dinsdag gebeurde.

Maar geef me de krant erbij, en ik zal nog vrij precies weten wat ik toen las, of wat mij juist helemaal niet is opgevallen.

Bestaansgrond voor dit boeklog is dat ik hier vrij kort na het lezen van een boek daar iets over opschrijf. Terwijl sommige boeken toch hun waarde soms pas na weken openbaren. Goed schrijven, is onthouden worden, volgens W.F. Hermans. Wat blijvend indruk maakt, kondigt zich niet altijd al zo bij de eerste kennismaking aan.

Auteur Nick Hornby schrijft maandelijks voor het tijdschrift Believer over wat hem bijbleef van de boeken die hij las in de weken daarvoor. Opdracht is wel dat hij positief blijven moet, daarbij. In The Complete Polysyllabic Spree zijn de columns gebundeld die gepubliceerd zijn van september 2003 tot juni 2006.

Nu schrijf ik hier eveneens over boeken, dus bijna automatisch zocht ik bij Hornby naar bevestiging. Wat las hij dat ik ken? Hoe doet hij de boeken af die hem verveelden? Waar is hij enthousiast over, en hoe uit hij dat dan?

Mij is vooral bijgebleven op dat Hornby nogal eens schmiert in zijn stukken; breed op het lezerspubliek schrijft zonder daarbij iets mee te delen. Lezen moet volgens hem ook vooral leuk zijn. Hij lijkt me weleens wat op routine te schrijven, om de lengte te halen die het artikel hebben moet.

Ook ben ik het erg vaak met zijn oordelen eens, als dat boeken betreft die ik ken. Dit is enerzijds prettig, want zo wordt Hornby een betrouwbare gids om me op titels te wijzen die me misschien wel liggen. En tegelijkertijd was het prettig geweest als we een keer of wat van mening hadden verschild. Nooit lees ik intelligenter dan als het erom gaat te bedenken wat de ander verkeerd ziet.

Door al dit was het een prettig boek om te lezen, maar zal ik me waarschijnlijk er al snel niets anders over herinneren dan dat het prettig om te lezen is, en aardige observaties heeft.

Blij daarom dat ik dit besprekinkje niet eind februari heb hoeven schrijven, voor een maandelijks overzicht.

Nick Hornby, The Complete Polysyllabic Spree
278 pagina’s
Viking © 2006

in: boeken over schrijven, a-z, bundels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nick Hornby-pagina

Ingmar Heytze · Voordeel van de twijfel

Bijna altijd hier gaat het over de inhoud van wat ik las, zelden over hoe die werd vormgegeven. Maar soms is dat onderwerp niet te vermijden. Als het design zich opdringt. Zoals hier.

Heel prettig aan dit boek is het omslag, vanwege de zachtheid. Er zit lucht in het kaft. Misschien is dat alleen voor kleine kinderen niet raar. Daar worden nog weleens plastic opblaasboekjes voor gemaakt, om mee in bad te spelen. Volwassen lezers moeten het altijd maar doen met van die standaard blokken hard papier.

Gemengde gevoelens heb ik over het idee om de pagina’s binnenin vorm te geven als een bureau-agenda, met de vijf werkdagen en een weekend in het bekende sjabloon verspreid over twee bladzijden. Het stoort me als de mededeling ‘dinsdag’ of ‘woensdag’ gewoon in de tekst staat, als die toevallig langer is dan in het vakje daarboven pastte. Tegelijkertijd is het een goede vondst de bladzijden niet in te vullen in de weken dat er niets gebeurde.

Ingmar Heytze was in 2000 de eerste huisfilosoof van het Centraal Museum in Utrecht. En wie zou dat niet willen zijn, denk ik na het lezen van dit boekje. Zijn functie hield het midden tussen het ongevraagd geven van advies, en het bij gelegenheid opdraven voor promotie, en nog zo wat meer. Amerikaanse ICT-bedrijven hebben weleens zo iemand in dienst die dan de titel ‘evangelist’ krijgt. Maar dat geldt dan meestal voor mannen die al half met pensioen zijn, na gedane verdiensten. Zij worden vrijgesteld om toch vooral met goede nieuwe ideeën te komen.

Heytze is niet echt te betrappen om grootste visies op de beeldende kunst, of het belang van musea voor een cultuur, in dit boek. Dat doet er ook betrekkelijk weinig toe. Een dagboek is het, met een voor mij herkenbare blik op het culturele leven. Filosofisch wordt het alleen nooit.

wordt vervolgd

Ingmar Heytze, Het voordeel van de twijfel
Een huisfilosofisch dagboek
voor het Centraal Museum

50 weken
Centraal Museum Utrecht © 2000

in: a-z, [auto]biografisch, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ingmar Heytze-pagina

Ingmar Heytze · Hier heeft de oudste steen gelijk

Erg diep ging ik gisteren niet in op de inhoud van Heytze’s huisfilosofische dagboek voor het Centraal Museum. Dat kwam omdat ik toen al hierin bezig was. En dit dagboek over zijn zomer van 2001 is interessanter.

Zoals hier wel vaker gesteld, tonen dagboeken en frequent bijgehouden weblogs vrij onbarmhartig of iemand schrijven kan of niet. Immers, eisen aan de vorm ontbreken. Dus komt het er echt op aan of de schrijver telkens weer interessante waarnemingen doet, of op een andere manier de lezer weet te boeien. Heytze lukt dit met gemak.

Merkwaardig aan dagboeken van boekauteurs, of dichters zoals Heytze, is alleen wel dat die altijd gaan over de activiteiten om het schrijven heen. Er moet ook nog geld binnenkomen, en worden geleefd. Zeldzaam zijn de dagboeken die inzicht bieden in het geworstel met het eigenlijke werk; waarin schetsen en aanzetten tot teksten staan, die pas in de loop van de tijd hun vorm gaan vinden.

Ook Ingmar Heytze laat in dit boek alleen de eindproducten van zijn schrijfwerk zien. Blijkbaar is weergeven hoe ook hij soms worstelt met de taal gênanter dan het schrijven over hoe het uitging met zijn lief, of dat hij Utrecht niet uit durft.

Hoe klein een auteur zich ook durft te maken, ergens wil hij toch altijd groot in blijven. Prioriteiten moeten er zijn. Of alles wel goed komt met de verzameluitgave van zijn gedichten roept ook heviger verwoorde angsten op dan de terreurdaden op 11 september van dat jaar. Maar, het zou ook van de toon van dit dagboek afwijken als dat moment ineens wel een doorwrochte politieke beschouwing had opgeleverd.

Ingmar Heytze, Hier heeft de oudste steen gelijk
Een zomerdagboek

159 pagina’s
Uitgeverij De Prom © 2002

in: a-z, [auto]biografisch, poëzie

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ingmar Heytze-pagina

Hunter S. Thompson · Fear and Loathing in America

Ruim een jaar heb ik erover gedaan om deze brievenbundel van kaft tot kaft door te nemen. Of misschien is beter om te zeggen dat ik er dertig keer weer in begonnen ben. Ondertussen bleek me dat ik de interessantste brieven al kende. Zo is Thompson’s correspondentie van toen hij meereisde met Nixon’s presidentscampagne verwerkt in het boek Fear and Loathing on the Campaign Trail. En dat had ik nu net al gelezen.

Nee, van brievenboeken bestaan er voor mij maar twee soorten.

Zeldzaam zijn de bundels waarin de schrijver zich nog van een opvallend andere kant toont dan in het overige werk is terug te vinden. Brouwers’ Kroniek van een karakter bijvoorbeeld telt tot die uitzonderingen, en hoort tot mijn favoriete boeken. Maar ik had ook de brievenboeken van Flaubert kunnen noemen.

Veel vaker zijn zulke bundels alleen interessant voor lezers die het andere werk van de schrijver al kennen. Die brengen slechts iets voor wie een honger naar autobiografische details heeft, of een idee wil krijgen over de tijd waarin de schrijver leefde. Of, als ik het negatiever formuleer, voor wie de moeite nemen wil nogal wat grint te wassen voor enkele korrels goud.

Deze brievenbundel van Thompson is ook voor de diehards. Ik dacht er zo éen te zijn, maar reken mij daar nu maar niet meer toe. Iemand kan ook te veel zeuren over zijn eeuwige geldgebrek, ontdekte ik, of het gebrek aan medewerking van redacties.

De meeste boeken zijn te dik, maar deze titel overdreef daar nogal in. En dan te bedenken dat dit het tweede deel is, in wat een reeks van drie moet worden.

Hunter S. Thompson, Fear and Loathing in America
The Brutal Odyssey of an Outlaw Journalist 1968 - 1975

758 pagina’s
Bloomsbury © 2001

in: a-z, politiek, [auto]biografisch, bundels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hunter S. Thompson-pagina

Jip Golsteijn · 1 met stip

Dit zou een leerboek kunnen zijn van hoe het niet moet, denk ik. Een catalogus van gemiste kansen. Het perfecte lesmateriaal voor alle journalisten die literaire ambities hebben, en nog eens een echt boek willen schrijven. Als wijlen Jip Golsteijn iets met deze roman heeft aangetoond, dan wel dat iemand die een uitslaande brand kan verslaan niet moet denken ook te kunnen schrijven. Dit is een werkelijk dramatisch slecht boek.

En dat mag jammer heten. Golsteijn was muziekjournalist voor De Telegraaf, en combineerde in deze roman zijn vakkennis over de platenindustrie cynisch met wat thrillerelementen. Mogelijkheden genoeg lijkt me, om iets aardigs op te leveren. En aan het materiaal ligt het ook niet. Maar helaas vergat Golsteijn de vrij elementaire wet dat meedelen niet hetzelfde is als pakkend vertellen.

Ik schreef er eerder over hier. Om te intrigeren moet een roman heel geleidelijk elementen aanreiken waardoor de lezer gaat meeleven, en weten wil hoe of het verder gaat. Als de vertelling alleen maar bestaat uit een opsomming van wat er allemaal gebeurd is, blijft er nooit iets hangen, en groeit er ook nimmer enige nieuwsgierigheid naar meer. Dan worden zelfs 108 pagina’s onmogelijk lang.

Skande.

Jip Golsteijn, 1 met stip
Roman uit de popwereld

108 pagina’s
Uitgeverij Alexander Jonckx © 1978

in: a-z, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jip Golsteijn-pagina

Steve Jones · Almost Like a Whale

Weinig boeken uit de literaire canon hebben me zo veel plezier gegeven als het lezen van klassiekers uit de wetenschap me bracht. Er is een groot verschil tussen kunst en kennis. Klassieke verhalen kunnen op elk moment in de geschiedenis geschreven zijn, maar veroorzaakten nooit die ommekeer die geleerden de laatste eeuwen wel in gang hebben gebracht. Het kan mij roeren de geboorte van een inzicht te zien.

Tegelijkertijd is het bijna onmogelijk om grote boeken uit de wetenschapsgeschiedenis onbevangen te lezen. De wereld is tegenwoordig anders dan voor de publicatie van zo’n werk, waardoor een ingevoerde lezer van nu vaak meer weet dan de schrijver deed.

Zo viel me indertijd bij het lezen van Origin of Species op dat Darwin wel zijn ideeën had, maar nog niet goed wist hoe het nu met erfelijkheid zat. Toch is juist een kwaliteit van dit boek dat de schrijver zo ruimhartig aangeeft waar hij vermoedt en niet zeker weet. Dat maakt de overtuigingskracht van zijn betoog alleen maar sterker.

Darwin’s klassieke Origin of Species is in het boek Almost Like a Whale bewerkt en aangevuld met de kennis van nu. Dus wordt nu wel uitgelegd welke rol genetica bij alles speelt. In dit boek is toch de oorspronkelijke hoofdstukindeling bewaard. Aan het eind van elk hoofdstuk volgt zelfs Darwin’s eigen samenvatting van toen, die dan vaak bevestigt hoe sterk dat origineel wel was.

Steve Jones, de schrijver van deze bewerking, heb ik hier al eerder uitgebreid de lof toegezwaaid. Maar dit boek is de minste van de drie die ik tot nu toe van hem las. Al blijft dat relatief. Het is nog aanmerkelijk veel beter dan wat me normaal onder ogen komt.

Mijn aarzelingen om dit boek onvoorwaardelijk te prijzen, komen waarschijnlijk toch door dat dwingende raamwerk van Darwin’s basisopzet. Pas in het titelessay, als Jones voor het eerst het oerboek loslaat, wordt even echt duidelijk hoe elegant hij zelf formuleert en denken kan. Dan swingt de tekst echt. Wat dit betreft is het prettig dat hij in het vergelijkbare boek Y veel meer zijn eigen stempel op de inhoud heeft gezet.

Toch bevat bijna elke pagina van Jones observaties die ik nog nergens zo zag. Ook in dit boek weer. Zoals een terloops zinnetje dat maar tien procent van het aantal cellen in ons lichaam ook werkelijk menselijk zijn. Het grootste deel van de rest bestaat uit bacteriecellen.

Lezen over wat leven is, blijft een reis met de meest verbazingwekkende ontdekkingen die er te maken zijn.

Steve Jones, Almost Like a Whale
The Origin of Species Updated

499 pagina’s
Black Swan © 2001, oorspronkelijk 1999

in: a-z, biologie, kennis, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Steve Jones-pagina

Scott Adams · Joy of Work

Het komt nog steeds voor dat ik blind boeken koop; enkel afga op het kaft en mijn goede ervaringen met de schrijver. Zo ging dat ook toen dit boek ergens in de ramsj lag. Het werd in de loop meegenomen. Thuis viel het alleen zwaar tegen, omdat het geen verzameling was van Dilbert-strips, zoals ik verwachtte, maar daarentegen nogal wat tekst bracht.

Het bleek echt een survival-handboek te zijn voor het kantoorleven. Ik weet daarom niet eens zeker of ik het ooit wel eerder gelezen heb.

Maar goed, tijden veranderen. Ik ben al jaren geabonneerd op The Dilbert Newsletter, die al een tijd niet meer verschenen is, en lees nu ook het weblog van Scott Adams. Geen van beide brengen strips. Maar de man kan ook heel grappig schrijven, en anders zijn er altijd wel lezers die merkwaardig materiaal insturen.

Dus las ik dit boek eindelijk eens helemaal door, in de hoop op comic relief. Ook omdat het me vooral in de winter weleens zwaar valt in mijn kantoor geen collega’s te hebben, om bijvoorbeeld dom tegen aan te praten over het weer.

Het heeft zo zijn nadelen om eigen baas te zijn voor het grootste deel van de tijd, en bijna alle werk altijd zelf te moeten doen. Toch is het goed om zo af en toe een dosis tegengif toegediend te krijgen, voor het zelfmedelijden al te zeer toeslaat. Om me weer eens te herinneren hoe erg het kon zijn een chef te hebben die geen enkel idee had wie ik ook weer was, of wat ik kon.

Of om mijn ergernis over het gluiperige onfatsoen van kantoorpolitiek weer eens op te rakelen.

Goed, dit boek leert overlevingstactieken aan. Maar dan nog. Je nooit meer een horige hoeven te voelen, of een slaaf gebonden aan éen werkplek. Dat lijkt mij het beste middel tegen stress.

Dit boek vertelt eveneens hoe je creatiever worden kunt, en meer plezier beleven. En soms is al dat Amerikaanse optimisme ook heel prettig om te lezen.

Scott Adams, The Joy Of Work
Dilbert’s Guide to Finding Happiness
at the Expence of Your Co-workers

264 pagina’s
Boxtree © 1998

in: leerboeken, economie, a-z, humor, strips/graphic novels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Scott Adams-pagina

Atte Jongstra · Avonturen van Henry II Fix

Dit zal ongetwijfeld een grappig en heel rijk boek zijn. Maar dat was het niet voor mij. Jongstra bevestigde alleen mijn overtuiging maar dat ik nooit historische romans moet lezen, omdat mij altijd iets opvalt dat direct al niet klopt. Dan geloof ik de auteur meteen niet meer, en is het me onmogelijk om nog van de vertelling te kunnen genieten.

Atte Jongstra benut voor dit boek een oervorm uit de romankunst. Voor het eind van de negentiende eeuw kon een verhaal namelijk nooit zo maar beginnen. De schrijver deed altijd eerst moeite om te bewijzen dat hij of zij niet gewoon iets verzonnen had. Er moest altijd eerst een manuscript gevonden worden, of een brief, of iemand moest op zijn sterfbed nog bekentenissen doen over iets ergs.

Mag ik trouwens onthutst constateren dat nogal wat literaire critici dit niet eens schijnen te weten?

In dit boek koopt Jongstra op een veiling een verzameling persoonlijk materiaal van Henry, de tweede heer Fix. Die leefde in Zwolle, rondom 1800, rentenierend op het kapitaaltje dat een voorvader tijdens de tulpenmania verworven had.

Tot zover niets aan de hand, al schijnt het een latere mythe te zijn dat hier ooit zo grof in tulpenbollen werd gespeculeerd. Maar dan laat Jongstra de tweede heer Fix zelf aan het woord, en gaat het grandioos mis voor mij.

Zo ik iets weet, dan claim ik toch enige expertise in hoe negentiende-eeuwers dachten en redeneerden. Ik heb tijden in archieven doorgebracht om hun brieven en persoonlijke aantekeningen te lezen. Ik heb diep moeten nadenken over hoe zij van ons verschilden om daar geen fouten in te maken in de artikelen die ik schreef.

Henry II Fix is niets anders een oppervlakkige eenentwintigste-eeuwse heer, die zich met een mombakkes van oude woorden en frasen vermomd om twee eeuwen jonger te lijken. Zijn schrijfstijl en grammatica zijn op z’n vroegst laat twintigste-eeuws.

Nu claimt Jongstra de stukken die hij vond hertaald te hebben. Maar dan nog klopt het niet dat de tweede heer Fix zo’n groot naar binnen gericht ego vertoont. Negentiende-eeuwers schreven niet zo over zichzelf; zelfs niet in hun dagboeken. De ‘geschiedenis van het ik‘ staat nauwelijks toe dat een Henry II Fix heeft bestaan.

Toegegeven, er zijn enkele uitzonderingen op die regel. Jongstra noemt er zelfs éen. Een geleerde als Gerolamo Cardano schreef wel degelijk in de zestiende eeuw al een autobiografie. Maar die was nog oneindig veel meer overtuigd van zijn genialiteit dan een Henry II Fix.

Enfin.

Dus, meteen toen dit boek een trucje bleek te zijn om leuk te schrijven over wat er allemaal in het begin van de negentiende eeuw gebeurde, ging ik het anders lezen. In plaats het verhaal te beoordelen - voor zover van een lopend verhaal sprake van was - ging ik kritisch beschouwen welke elementen Jongstra gebruikte en of hij iets had moeten toevoegen.

En dan denk ik dat er had veel meer natuur in het boek had gemoeten, bijvoorbeeld. Sterker nog, veel meer natuurfilosofie. Zwak is alleen al dat ik geen verwijzingen zag naar het Boek der natuur, die tweede Bijbel Gods. En dat in een boek over de zoon van een rariteitenverzamelaar.

Zo te lezen, is niet vreselijk prettig. Laat staan ontspannend. In de kille blik van een literaire patholoog-anatoom is geen enkele ruimte voor bewondering, of overgave. Ook al heb ik dan misschien zelf dit boek doodverklaard.

Atte Jongstra, De avonturen van Henry II Fix
384 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2007

in: a-z, geschiedenis, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Atte Jongstra-pagina

Paul Arnoldussen & Hans Renders · Jong in de jaren dertig

Het interview is bijna het moeilijkste genre in de journalistiek. Ik denk dat alleen de reportage nog net iets meer aan kwaliteiten vraagt. Maar helaas lijkt niets eenvoudiger dan het interview. Daarom zijn er helaas zo vreselijk veel talkshows op TV. Zeur maar net zolang tegen een ander aan tot die antwoord geeft, en hopla het lijkt of er een gedachtenwisseling plaatsvindt.

Bovendien hebben de mensen die op TV worden geïnterviewd meestal iets in de verkoop, wat evenmin bevorderlijk is voor het niveau.

Nee, omdat er zo verschrikkelijk veel slechte interviews uitgezonden worden, of gepubliceerd, is het nogal een verademing eens vraaggesprekken te lezen met mensen die niet op routine antwoorden. Een paar gesprekken uit deze bundel halen een hoog niveau.

Wel werd ik enigszins misleid door de titel. Die slaat namelijk op de leeftijd van de gesprekspartners - die vaak net na de Eerste Wereldoorlog zijn geboren - niet per se op die vreemde jaren dertig.

Bij het lezen bleek me trouwens ook dat ik de interviews al kende. Ze hadden al in Het Parool gestaan, in de tijd dat ik daar nog op geabonneerd was. Toch is het goed dat ze verzameld zijn, omdat sommige gesprekken elkaar aanvullen. Zelden heb ik terloops meer geleerd over het culturele leven in de stad Groningen voor de oorlog dan door dit boek. Het was een goede keuze om mensen te interviewen die iets in de cultuur hebben betekend. Al zal uit het rijtje gesprekspartners alleen schrijver Adriaan Morriën een beetje bekend zijn geweest.

Paul Arnoldussen & Hans Renders, Jong in de jaren dertig
Interviews

191 pagina’s
Uitgeverij Aspekt © 2003, tweede herziene druk

in: typisch hollands, a-z, geschiedenis, [auto]biografisch, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Paul Arnoldussen & Hans Renders-pagina

Land Coitha | eerste boek

Lezen kan mij grote opwinding brengen. Maar de emotie beperkt zich dan wel tot een abstract geestelijk genot. Beschreven erotiek doet me namelijk zelden iets, en sla ik tegenwoordig in boeken zelfs over. Schrijven moet wel het meest medium zijn dat het minst geschikt is om lichamelijke ervaringen aan anderen over te brengen zonder die belachelijk te maken. Des te bewonderenswaardiger als het sommige auteurs toch lukt sex op een manier te beschrijven die geil maakt. Bijna geeneen kan dat, ook al weerhoudt dat er vrijwel niemand van het niet toch te proberen.

Waarom dan toch een verzameling erotische verhalen gelezen? Daar waren verschillende redenen voor. Eentje was dat dit boeklog al eens door iemand preuts is genoemd. Verder kostte dit boek mij slechts een euro. En anders kan ik altijd verwijzen naar mijn grote cultuurhistorische nieuwsgierigheid. De verhalen in deze bundel werden midden jaren zestig geschreven, toen Zweden en Denemarken als eerste de wetten tegen pornografie afschaften. Toen ook was Nederland te klein toen mevrouw Phil Bloom op televisie haar blote borsten toonde. Tegenwoordig vinden we misschien alleen haar make-up wat raar. Tijden hebben tijden.

Bovendien moet ik een van de drie delen uit deze reeks ooit gelezen hebben toen geschreven porno me nog wel iets deed. Dat moet voor mijn veertiende geweest, want ze stonden in de volwassenenafdeling van de bibliotheek, en daar mocht ik nog niets uit lenen. Ach, die dorst naar kennis van de jeugd. Ik was meer benieuwd of ik me iets van de verhalen herinnerde dan naar de inhoud.

En toen beloofde vertaler J. Bernlef ook nog dat hij de verhalen had uitgekozen op hun literaire kwaliteiten en onverwachte ontwikkelingen. Even was er hoop. Maar zelfs literaire porno werkt altijd naar datzelfde voorspelbare hoogtepunt toe, zo bleek.

Het beste verhaal bleek uiteindelijk nog het verhaal te zijn dat zijn titel aan de hele reeks gaf. Alleen is dat een bijna lieflijk pubersprookje naar hedendaagse maatstaven. Wie de verhalen kent over de homoscene’s van voor de AIDS-uitbraak, weet dat er echt gebieden hebben bestaan waar in elk geval de mannen alles neukten.

Wat opwindend was in onschuldiger tijden verbaast later vooral. Alle spanning is dan immers weg.

wordt vervolgd

Het land Coitha | eerste boek
Erotische verhalen uit Zweden

223 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 1976, oorspronkelijk 1969.
Samenstelling en vertaling: J. Bernlef

in: a-z, vertaald, verhalen

[+] zie de gerelateerde titels | 

Douwe Draaisma · Ontregelde geesten

Het is tóch anders. Zo luidt het balsturige motto van mijn andere weblog niet voor niets. Ademloze bewondering bewaar ik alleen voor de kunsten. Alles wat wetenschappers doen, of de mensen die zich professionals wanen, dient kritisch benaderd te worden. Het vaak zo blinde vertrouwen in hun expertise roept gevaren op. Doktoren zijn het grootste gedeelte van de menselijke geschiedenis vooral bezig geweest hun patiënten te vermoorden, aldus Druin Burch.

En als u mocht denken dat ik enkel maar wat voor de lol lees. Nee. Door al die boeken vormen zich patronen in mijn denken, die daar eerder niet aanwezig waren. Ik bedoel, een mening hebben, dat lukt iedereen nog wel. Maar gebaseerd op achtergrondkennis iets zeggen, is toch iets anders.

Zo begin ik me door onder meer de boeken van een Steve Jones, of een Bert Keizer, ineens een geschiedenis in de geneeskunde te ontwaren, waarbij we nu ongeveer in de donkere Middeleeuwen ronddwalen. De constatering moet wel zijn dat we betrekkelijk weinig weten; de Verlichting moet nog komen. De grootste vooruitgang wordt nog steeds geboekt in de diagnostiek. Maar bij de behandeling van kwalen en ziektes is vaak niet duidelijk waarom iets werkt. Laat staan waardoor de ziekte ontstond, en wat voor rollen bijvoorbeeld bacterieën of iemands genen daarbij spelen. Of soms al veel eerder hebben gespeeld.

Daarom ook was het prettig een boek te lezen dat echt over de geschiedenis van de geneeskunde ging. Al beperkt die zich dan tot geestesaandoeningen die vooral bekend zijn onder de naam van wat meestal hun ontdekker was.

Douwe Draaisma ging na wat voor een man die Parkison nu was, of die Alzheimer, Asperger, en die Gilles de la Tourette. En in die dertien portretten klinkt steeds weer door hoe moeilijk het is om diagnoses te stellen; om nog te zwijgen wat het eist om oorzaken te vinden.

Zelf bezat Draaisma de opmerkingsgave niet om een neurologische afwijking te vermoeden achter iemands wanen, zo bekent hij eerlijk in het woord vooraf. Maar hij heeft wel het inzicht gehad om interessante verhalen te vermoeden achter de namen voor stoornissen die iedereen wel kent, zonder iets over de naamgevers te weten.

meer Draaisma op boeklog

Douwe Draaisma, Ontregelde Geesten.
Ziektegeschiedenissen

288 pagina’s
Historische Uitgeverij, 2006

in: a-z, geschiedenis, biologie, kennis, [auto]biografisch

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Douwe Draaisma-pagina

Peter van Straaten · Grote jongens huilen niet

Peter van Straaten heeft altijd iets ouderwets, voor mij. Dit blijkt vooral als hij auto’s probeert te tekenen, en dan altijd met vormen komt die al decennia niet meer op de weg gezien zijn. Maar dat is lang niet de enige aanwijzing in zijn werk.

Neem nu dit boekje. Dat heeft een klassiek thema: jongen vindt meisje leuk, maar kan haar reacties maar moeilijk inschatten. Tot zover niets loos, en is het goed te begrijpen dat zo’n groot deel van de tekst daarover gaat. Maar, heel veel meer heeft die jongen niet in zijn leven, dan school en dat grietje. En alleen daarom gaat het niet over een puber van nu. Of over éen van 1994, toen dit boekje verscheen.

Tegelijkertijd doet dat er tijdens het lezen allemaal weinig toe. Sterker nog, ik vind het boekje te kort, en had graag meer over die Eric willen lezen. Nu eindigt het wel erg abrupt en eenzaam. Nu blijft ook de lezer wat in de steek gelaten achter, hunkerend naar liefde.

Peter van Straaten, Grote jongens huilen niet
61 pagina’s
Magazijn De Bijenkorf © 1994

in: a-z, jeugd, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Peter van Straaten-pagina

Bill Kauffman · Dispatches From the Muckdog Gazette

In Nederland lijkt elke regio op het moment bezig zijn eigen historische canon op te stellen. En anders zijn er wel maatschappelijke groeperingen bezig te selecteren hoe de geschiedenis gezien moet worden. Ik vind dat allemaal weinig boeiend, omdat die canons te zeer uitgaan van het bijzondere en eenmalige, en zelden van wat normaal is of was. In een commentaar op de voorgestelde canon van de Friese geschiedenis schreef ik al cynisch dat daarin de constatering ontbreekt dat die regio zijn slimste, of meest ambitieuze kinderen altijd heeft verbannen.

Nu is Fryslân er niet uniek in dat het zijn jeugd te weinig carrièremogelijkheden biedt. Veel erger speelt dit nog in de VS; dat gigantische land waar ouders er doorgaans juist trots op zijn als hun kinderen duizenden kilometers verderop wonen. Die hebben het dan ver gebracht.

Journalist Bill Kauffman doorbrak dit patroon, en ging na jaren elders weer in zijn geboortedorp wonen. Batavia is dat, in de staat New York. Op het moment van schrijven heeft dat nog een kleine 17.000 inwoners, maar elk decennium neemt dit verder af.

Dit boek gaat erover waarom deze plaats, die elke naam had kunnen hebben, en zich in elk land kan bevinden, toch de enige stad is die voor hem als thuis aanvoelt. Daarbij gebruikt Kauffman een proza dat nogal geladen is, waaruit een grote emotionele betrokkenheid blijkt.

Tegelijkertijd is hij merkwaardig genoeg nogal flegmatiek over wat er met Batavia gebeurt. Al zal iedereen, die ziet hoe zijn woonplaats steeds meer op andere plaatsen lijkt, zijn constateringen herkennen. Omdat er ineens alleen nog maar te winkelen is bij dezelfde ketenzaken als overal. Omdat zo veel gelijkgeschakeld wordt; zoals het verdwijnen van werk in een uniek eigen industrie.

Maar, misschien is al dat ook wel niet wezenlijk voor een woonplaats.

Juist door Kauffman’s nadruk op welke mensen en gewoonten er eigen zijn aan Batavia, gaat het stadje leven. Wat ergens kan, en wat er als onmogelijk geldt, vertelt ook heel veel.

Toch blijft het jammer dat hij in het boek net niet ver genoeg in de geschiedenis terugging om bijvoorbeeld de plaatsnaam te verklaren. Maar, misschien dat alleen een Nederlandse lezer daar nieuwsgierig naar is.

Bill Kauffman, Dispatches From the Muckdog Gazette
A Mostly Affectionate Account of a
Small Town’s Fight to Survive

206 pagina’s
Picador © 2004

in: a-z, cultuur, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bill Kauffman-pagina

Ileen Montijn · Tussen stro en veren

Wat ben ik toch altijd blij om een boek te lezen waarin een historicus beheerst een onderwerp uit de cultuurgeschiedenis isoleert, en dat helder behandelt. Dat bed, wat daar niet al over te vertellen is. Bijna ieders leven begint erin, en dat van velen eindigt er ook; al zal dat zelden in precies hetzelfde bed zijn. Om dan nog maar te zwijgen over de tijd die wij allen er slapend in doorbrengen.

Prettig aan dit boek is dat Illeen Montijn veel feiten aandraagt, zoals wanneer huizen aparte slaapkamers kregen, en welke bedden en matrassen wanneer in gebruik kwamen. Maar ook beviel me dat de geschiedenis erdoor gaat leven. Want, niet alleen slapen wij nu korter dan de generaties voor ons, het bed was ooit veel meer dan nu een plek om ziek te zijn en te helen; gezien de primitieve geneeskunde van voor de penicilline.

Maar wat vind ik het toch altijd vervelend als een historicus beheerst een onderwerp uit de cultuurgeschiedenis isoleert, en ik het idee heb niet het hele verhaal te krijgen. Ook al passen de vragen die bij mij opkomen misschien niet per se binnen de strikte kader van het onderwerp; ze hebben er wel mee te maken.

Goed, dit boekje gaat over het bed, en dus niet over slapen, laat staan al het andere dat onder de dekens plaatsvindt. Maar dan nog. Opmerkingen die bij mij tijdens het lezen invielen, zijn onder meer:

  1. hoe zit het met de wieg, en de geschiedenis daarvan? Ik herinner me te veel verhalen over mensen die als kind in een kastlade sliepen.
  2. zijn er riten om de overgang te vieren van als een kindje uit de wieg naar een ledikant mag, of een nog groter bed?
  3. hoe zit het met die Groninger traditie om kleine kinderen buiten in een soort konijnenhokjes hun middagdutje te laten doen?
  4. het ziekbed apart in de huiskamer, was daar niet meer over te zeggen geweest?
  5. dan was er ook nog die opvallende Friese traditie waarin een meisje en haar vrijer geheel gekleed de nacht, of een gedeelte daarvan, samen in bed doorbrachten. Niet alleen het Franse Hof ontving in bed;

Enfin. Ernstig is het allemaal niet wat ik mis, en toch was het prettig geweest nog iets meer overdonderd te zijn over wat de schrijfster allemaal had uitgezocht.

Ileen Montijn, Tussen stro en veren
Het bed in het Nederlandse interieur

160 pagina’s
Inmerc bv, 2006

in: a-z, geschiedenis, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ileen Montijn-pagina

Stephen King · On Writing

Er zijn schrijvers die ik nooit lees, omdat hun wereld de mijne niet is. Wat Stephen King als griezelig beschrijft in zijn boeken, doet me werkelijk niets, omdat ik de omstandigheden te bedacht vind. Voor mij zijn bijvoorbeeld veel eerder al die doodnormale politici eng, al is de kritiekloze devotie waarmee de media hun valse lege woorden verspreiden misschien nog iets angstaanjagender. Het kwaad is banaler dan King misschien wel beseft, en komt vaak in de vorm van iemands beste bedoelingen.

Maar, dit boek was me aanbevolen. Ook al omdat het uit twee verschillende delen bestaat. Het zijn onder meer memoires van hoe King te langen leste een bestsellerauteur werd, en toen moeite had daarna van zijn drankverslaving af te komen. Hij heeft een boek geschreven waarvan hem helemaal niets meer bijstaat.

Daarnaast geeft King tips aan aspirerende auteurs hoe dat schrijven zo ongeveer gaat. Daarin vond ik vooral opvallend hoe King het nut van herschrijven bepleitte. Hij splitst het schrijfproces in twee verschillende delen. Het eerste is alleen voor de eigen lol, en tijdens het tweede gaat het erom de tekst die er dan ligt zo goed mogelijk te laten communiceren met de toekomstige lezers.

En, om goed te kunnen schrijven is het ook nodig vooral veel te lezen. Ik zeg het nu hier eenvoudig King na. Maar tijdens de lessen die ik zelf gaf in taalbeheersing, bleek die aanwijzing nu net het moeilijkst aan mijn pupillen over te dragen. Er zijn geen magische trucjes. Schrijven blijft een eeuwige oefening in nederigheid. King maakt dat in dit boek aardig duidelijk. Al komt uiteindelijk nog het best naar voren hoe bezeten hij is van het hele schrijfproces.

Het gaat er ook om lol blijft houden in het spelen met woorden. Schrijven zowel als lezen zijn magie.

Stephen King, On Writing
A Memoir

384 pagina’s
New English Library © 2001

in: boeken over schrijven, leerboeken, a-z, [auto]biografisch, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Stephen King-pagina

William Donaldson · Brewer’s Rogues, Villains and Eccentrics

Dit is geen boek dat ik ooit uit zal hebben. Dit is wel een boek dat zich nu al onmisbaar heeft gemaakt. Ik kan het op een willekeurig moment, op een toevallig gekozen pagina opslaan, en weet zeker binnen een minuut minstens éen maal hard te hebben moeten lachen. Dit mag zeldzaam heten, want dat lukt zelfs met een goede moppenverzameling niet.

Donaldson had de geniale inval een ‘who is who’ te schrijven, maar dan alleen over Britten die memorabel waren door hun kleurrijke of afwijkende gedrag. Superieure roddel is het, die hij op zeer droge toon serveert. Anders dan in normale naslagwerken komen in dit boek gelukkig zeer weinig gekroonde hoofden en andere staatsleiders voor, vanwege vanzelfsprekend veel te saai.

Behalve op achternaam is overigens ook op trefwoord te zoeken in dit boek. Dan staat bijvoorbeeld netjes bij elkaar wie zich graag in kleding van de andere sexe hulde, of welke priesters een slecht voorbeeld waren voor hun kerkgemeente.

Bij nogal wat van de opgenomen levensbeschrijvingen dringt zich onwillekeurig de gedachte op: dit zou een prachtig boek opleveren. Of desnoods een memorabele film. Maar, opvallend genoeg was het zelden een succes als iemand werkelijk de moeite nam. Blijkbaar is het onmogelijk om boeiend te vertellen over wat vaak een oneindig egoïsme zal zijn geweest.

Misschien is dit dus wel zo’n grappig boek door de beperkingen die Donaldson in acht nam. Geen enkel leven is samen te vatten in hoogstens een paar honderd woorden. Maar anecdotes over zo’n leven zijn dat toevallig wel, en hebben bovendien het voordeel een nieuwsgierigheid naar meer op te roepen.

De enige kritiek die ik heb op dit boek is dat er wat overdreven veel aandacht uitgaat naar de georganiseerde misdaad in het Londen van de twintigste eeuw. Maar gelukkig staan daar tal van levensbeschrijvingen van totaal krankzinnige edellieden tegenover, die misschien wel mijn favoriete lemma’s zijn. Alleen al omdat deze mannen in Groot-Brittannië vaak nog staatsmacht bezaten ook, omdat eccentriciteit nooit reden genoeg is om uitgesloten te worden van het ‘House of Lords’.

Zelfs moord is dat niet eens. Mooi land daar toch.

William Donaldson, Brewer’s Rogues, Villains and Eccentrics
An A-Z of Roguish Britons Through the Ages

686 pagina’s
Phoenix 2004, oorspronkelijk © 2002

in: a-z, aanbevolen 2007, geschiedenis, humor, reference, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de William Donaldson-pagina

Arnon Grunberg leest Karel van het Reve

Er is herlezen en herlezen. Maar misschien heb ik nu eindelijk ontdekt waar het verschil hem in zit voor mij. Hoe meer ik van een tekst heb opgestoken, des te minder het lukt die nog eens te bekijken. Maar heb ik me vooral vermaakt, dan is herlezen al binnen vrij korte tijd straffeloos mogelijk.

Nu bezit ik een groot deel van de bundels van Karel van het Reve. En ik dacht altijd die voor mijn lol te hebben gelezen. Dat was zo, maar tegelijkertijd leerde hij mij ook veel. Al zat dat leren niet zo zeer in de kennis die hij overdroeg, maar in hoe die gepresenteerd werd; Van het Reve lezen, is voorgedaan zien worden hoe het gezond verstand zou moeten werken.

Dus kostte het me steeds moeite een boek van Karel van het Reve te herlezen. De kennis die ze me boden had ik gegeten, en puur vermaak waren die essays blijkbaar nog niet geworden.

Maar ziet, dan kiest Arnon Grunberg de stukken uit die hij het mooiste vond, en dan lees ik zo’n verzameling in een paar uur uit. Is meteen ook mijn onrust verdwenen nog eens wat te moeten doen met al die boeken van hem die nu maar stil op de plank liggen.

De voornaamste betogende stukken staan hier wel in. Iedereen moet op zijn minst eenmaal Van het Reve’s lezing ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ hebben doorgenomen om over de waarde van literatuurtheorie te kunnen oordelen, of kennis hebben gemaakt van zijn ideeën over stijl. Om nog maar te zwijgen over de noodzaak te weten wat er betoogd wordt in ‘De oneindige slechtheid van opperwezen’.

Op zijn minst.

Arnon Grunberg leest Karel van het Reve
333 pagina’s
Rainbow Pockets © 2004

in: religie, a-z, kennis, essays, bundels, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | 

Land Coitha | tweede boek

Acht verhalen staan er in deze bundel, en geen vermocht mij tot het einde te boeien.

Nee, het allereerste verhaal in het eerste boek van even terug was werkelijk het beste van de hele reeks. En zelfs dat had een thema dat ik al vaker tegenkwam.

Erotiek is misschien wel de vorm van genrefictie die het snelst verouderd. Laat ik die constatering nu maar maken. Ten opzichte van pornofoto’s of -films is het al een groot nadeel dat de prikkelende omstandigheden nogal uitgebreid beschreven moeten worden. Oude afbeeldingen van blote mensen zijn altijd eerst nog gewoon bloot. Daar valt pas bij beter kijken op wat er misschien anders aan is dan bij foto’s van nu. Maar bij lezen is er niet zo’n automatisme eerst een mens te herkennen, en die dan pas beter te gaan zien. En dan gaat het nog altijd over hetzelfde ook.

Goed, dan stelt de bloemlezer en vertaler J. Bernlef wel verhalen te hebben uitgekozen op hun humor, of hun literaire merites. Maar ook humor is erg tijdsgebonden; zeker als die gebaseerd is op taboes die inmiddels anders kunnen zijn. En wat literaire merites zijn, dat komen hele universitaire studierichtingen nog niet eens goed omschrijven.

Ik kocht nog een derde deeltje uit deze reeks, maar dat zal ik niet meer inkijken.

Het land Coitha | tweede bundel
Erotische verhalen uit Zweden

192 pagina’s
Keuze, vertaling en voorwoord J. Bernlef
De Arbeiderspers © 1976, oorspronkelijk 1970

in: a-z, vertaald, verhalen

[+] zie de gerelateerde titels | 

Rudy Kousbroek · Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam

Een oermechanisme is het, om de wereld hanteerbaar te maken door verhalen. Al zullen kinderen dit meer doen dan volwassenen, omdat kennis de fantasie verlamt. Tegenwoordig heet het professionele voorbereiding, als ik me voor een interview afvraag wat de geïnterviewde zal gaan zeggen, en hoe ik daar dan op moet ingaan. Maar bij mij houdt het daarmee wel op.

Toch grijpen weer anderen alles in hun omgeving aan om verhalen te bedenken. Die beginnen al hele verwikkelingen te verzinnen als ze twee mensen zien lopen die op het oog helemaal niet bij elkaar passen.

Nog opvallender vind ik de blijkbaar heel algemene neiging om verhalen te gaan verzinnen waar voor mij al helemaal geen verhalen meer zijn.

In de documentaire ‘Searching for the Wrong-Eyed Jesus‘ komt aan het begin een prachtige scene voor, als verhalenverteller Harry Crews uitlegt wat het in zijn jeugd betekende als de Sears Roebuck-catalogus werd bezorgd. Dat postorderboek bood de inwoners van de arme zuidelijke staten niet alleen een blik op begerenswaardige goederen, ook de modellen erin waren van een paradijselijke lichamelijke perfectie die daar ongewoon was. Ze hadden niets eens gewoon zweren. Om toch te verklaren hoe het kon sommige modellen zo ontevreden keken, werd dan het verhaal verzonnen waarom.

Dat kinderidee, om verbanden te willen zien waar die er niet zijn, wordt nog opvallend vaak professioneel uitgewerkt. Zo verscheen bijvoorbeeld in het begin van de twintigste eeuw het prachtige boek What a Life!; dat is een satirische biografie over het leven van een Britse gentleman aan de hand van plaatjes uit de Whiteley’s General Catalogue.

Achter het boek Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam gaan dezelfde principes schuil. Rudy Kousbroek moest in de jaren vijftig zijn dochtertje vertellen wat het verhaal was bij de gravures in een verzamelband met oude tijdschriften. Probleem daarbij was dat er steeds verschillende feuilletons achter elkaar stonden in die tijdschriften, waardoor er geen logisch verband tussen opeenvolgende illustraties was. Dit is iets waar volwassen lezers aan gewend zijn geraakt, maar dat kinderen niet per se accepteren.

De vindingrijkheid die Kousbroek daarbij moest toepassen werd voorgezet in dit boek, dat grotendeels eerder als dagelijks feuilleton in NRC-Handelsblad verscheen. En ik denk dat het in dagelijkse porties ook aanzienlijk interessanter om te lezen was, dan nu. Dus om dit boek naar waarde te beoordelen, had ik er driekwart jaar over moeten doen. Maar aan die discipline ontbreekt het me.

Nu heb ik eigenlijk alleen de oude gravures goed bekeken, die Kousbroek uitzocht. Maar dat telt ook zwaar, voor mij.

Rudy Kousbroek, Vincent en het geheim van zijn vaders lichaam
262 pagina’s
De Bezige Bij © 1981

in: a-z, bundels, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rudy Kousbroek-pagina

Ileen Montijn · Leven op stand

Op boeklog zondig ik vrij zorgeloos tegen basisregel nummer éen voor recensenten die in massamedia publiceren. Ik geef hier ook mijn ideeën over een boek weer, als dit het enige is dat ik ooit van een auteur heb gelezen. Terwijl ik daardoor niet weet wat er eigen aan zo’n schrijver is, en wat uniek aan het gelezene.

Maar geen massamedium zal mij toestaan een tien jaar oud boek te recenseren, dat misschien niet eens meer in de handel is, domweg omdat de auteur mij is gaan intrigeren.

Twee boeken heb ik van Ileen Montijn in handen gehad, en dat is genoeg om nu ook verder alles van haar te willen lezen. Zij kijkt op een manier naar de geschiedenis die me goed bevalt. Doordat ze steeds probeert te reconstrueren wat ooit normaal was, en hoe zeer dit toch afwijkt van wat wij in vrij korte tijd normaal zijn gaan vinden. Dit maakt geschiedschrijving zo veel interessanter dan wat standaard aan abstracties in de boeken en canons opduikt; die vervelende politiek altijd, of die toevallige oorlogen. In boeken als de hare wordt het verleden juist levend.

Leven op stand boeit me bijvoorbeeld als het beschrijft wat sociologen ‘gezonken cultuurgoed’ noemen. Wat ooit alleen voor de rijken was weggelegd, kon op den duur iedereen zich veroorloven. Zoals aparte slaapkamers, maar ook verwarming in elk vertrek, of een douche elke dag.

En anders wel: de luxe om met het licht op te kunnen schrijven, zoals nu, omdat het toevallig een erg grijze zondagmiddag is. Want, als iets opvalt aan het leven in de hogere kringen, zoals Montijn dat beschrijft, is dat rijk toen in vele opzichten niet aanvoelt als wat wij als rijkdom ervaren. Ook de gegoede burgerij in Nederland leefde lang erg zuinig.

Mooiste hoofdstuk voor mij in dit boek heeft de fraaie titel ‘pudeur’. Dat gaat onder meer over lichamelijke verzorging, en hoe het zat met de persoonlijke hygiëne een eeuw geleden [onze normen zijn erg veel strikter]. Zo had ik me nooit afgevraagd waarom onze voorvaderen zo verzot leken op het dragen van lange onderbroeken, en wij niet meer. Maar alleen al door Montijn’s uitleg hoe moeilijk het was om bovenkleding te wassen, is me meer duidelijk geworden. Als die wollen of zijden kleding maar niet in aanraking met de huid kwam, kon deze het langer zonder zo’n moeizame wasbeurt doen.

Aan het aloude cliché ‘in geuren en kleuren vertellen’, valt vooral op hoe zelden de reukzin eigenlijk wordt aangesproken in een boek. Montijn bracht die overdracht in dat ene hoofdstuk wel even tot stand. Enfin.

Ileen Montijn, Leven op stand
1890 - 1940

254 pagina’s
Thomas Rap, 1998

in: basisbibliotheek, typisch hollands,