vrijdag 1 juni 2007
Updike lees ik om zijn taal, en om zijn kracht verhalen te vertellen. Niet vanwege de onderwerpen die hij behandelt. Bijna altijd schrijft hij over het leven in de Amerikaanse voorsteden namelijk. Interessant is hoe hij soms in een paar zinnen toch iets universeels over dat leven weet te schrijven, en dat dit in een perfect afgerond verhaal gebeurt. Niet dat die voorsteden zich in de VS bevinden.
Maar in Museums and Woman experimenteerde John Updike soms nogal vergaand met nieuwe onderwerpen. Dinosauriërs? Terwijl dat om mij niet op die manier hoeft. In dit boek staan ook verhalen waarin hij zijn metaforen totaal op de personages toespitst. Uiterst vermoeiend is dat. Ineens bestaan alle vergelijkingen dan uit fototaal, alleen omdat de hoofdpersoon toevallig fotograaf is.
Tegelijk staan in dit boek een paar klassieke verhalen die voor mij tot het beste horen dat hij ooit schreef. Dus merk ik telkens hoogstens tweederde van de verhalen in dit boek te willen lezen.
Ook op een andere manier vertegenwoordigt deze bundel voor mij een trendbreuk. Alle verzamelingen met verhalen die voor Museums and Women werden uitgegeven, zijn zonder meer prachtig. Wat daarna kwam, vind ik veel wisselender in kwaliteit, en herlees ik dan ook nauwelijks.
Misschien heeft dit te maken met het hier eerder opgemerkte gegeven dat Updike bijna altijd over personages van zijn eigen leeftijd schrijft. Zijn boeken van na 1972 gaan over mensen die ouder zijn dan ik, met andere problemen.
Niet dat ik per se alles zelf moet mee hebben gemaakt, om instemmend te kunnen knikken bij Updike’s beschrijvingen, overigens. Misschien wel de boeiendste verhalen in dit boek gaan over de huwelijksperikelen van de autobiografisch aandoende familie Maple. En ik heb alleen al die vier kinderen niet.
John Updike, Museums and Women
And Other Stories
235 pagina’s
Penguin Books 1975, oorspronkelijk 1972
in: a-z, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John Updike-pagina
zondag 3 juni 2007
Het was onterecht om het werk van Frank Westerman geheel te negeren, om die ene titel. Toch vind ik het nog altijd vreemd dat hij een boek Ingenieurs van de ziel noemde. Terwijl deze roman van Škvorecký internationaal toch al vijfentwintig jaar bekend was. Kan me niet schelen dat beide auteurs een uitspraak van Stalin parafraseerden, over wat schrijvers zouden moeten zijn.
In 1999, toen ik een overzicht opstelde welke romans voor mij nu de twintigste eeuw het best samenvatten, was deze daar al bij.
Wat een boek. Werkelijk alles zit er in.
Hoofdpersoon Danny Smirický is schrijver, en een docent literatuur aan een universiteit in Canada. Verbannen uit het communistische Tsjecho-Slowakije wordt hij ineens dagelijks geconfronteerd met verwende studenten, die minieme probleempjes luidkeels als crisis beleven. Beelden van dat gezapige leven op de universiteit worden telkens doorsneden met flashbacks en brieven. Over zijn dwangarbeid in een vliegtuigfabriek van Messerschmitt gaat het dan. Over het leven onder de Duitsers, terwijl de Russische troepen naderen. Over het literaire leven na de oorlog, en de censuur. Over ballingschap, en wie er dan nog te vertrouwen is.
Alle ingrediënten voor loodzware dramatiek zijn aanwezig. En toch is dit boek vaak bijna luchtig te noemen. Wat het zo goed maakt voor mij is dat Škvorecký zo goed een menselijke maat weet te houden bij alles. Natuurlijk gaat het leven door, al is er repressie. Mensen worden ook dan verliefd, mannen denken ook dan alleen maar aan sex.
Misschien werd er wel nooit harder gelachen dan als de omstandigheden er niet naar waren.
Goed, na mijn herlezing nu ben ik niet helemaal blind kritiekloos meer. Zo vind ik het boek te lang, en wordt me te veel in slechts éen tempo verteld, ondanks de talloze scènewisselingen.
Tegelijk, wat een meesterlijke vertaling van Edgar de Bruin en Katka Kolmaš biedt dit boek. Škvorecký wisselde zijn Tsjechische tekst af met Engels en semi-Engels, en oorlogs-Duits daarbij. En de Nederlandse lezer krijgt al dat gewoon mee. Als die maar wil.
Josef Škvorecký, Ingenieur van de menselijke ziel
Enterteenment op oude thema’s over
het leven, vrouwen, het lot, dromen,
de arbeidersklasse, stillen,
liefde en dood
587 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1989
Vertaling van: Príbeh inzenýra lidských duši, 1977
in: aanbevolen 2007, a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Josef Škvorecký-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 4 juni 2007
Er is éen uitzondering op de regel dat het me niet uitmaakt de plot van een verhaal al te kennen. Een plot kan wel degelijk te sterk zijn. De wetenschap dat Dr. Jekyll ook Mr. Hyde is, kan nooit meer ongedaan worden gemaakt. Vergeef me als u nog niet wist dat die twee toch éen man zijn.
In zijn roman Life of Pi maakt Yann Martel op het laatst nog zo’n enorme draai, dat ik het boek daardoor niet gauw zal herlezen. Hoe aardig het boek verder ook was.
Maar goed, dan blijkt Martel nog een aantal andere boeken geschreven te hebben. Die eveneens een push krijgen door het succes van Pi. Kan ik toch genieten van zijn schrijfkracht zonder daartoe weer een al bekend pad af te moeten lopen.
En dit is zonder meer een fantastisch geschreven boek, door de zeldzaam levendige beschrijving van hoe het is om als jongetje op te groeien. In het begin althans. Maar dan neemt het plot een opmerkelijke wending, en aan het slot wordt diezelfde onmogelijke wending onder vreselijke omstandigheden weer teruggedraaid.
Dan maakt het ineens niet meer uit hoe goed Martel schrijven kan.
Misschien moet ik die cruciale plotwendingen opvatten als een allegorie, waarmee dit boek dan wel heel uitdrukkelijk zijn best doet literatuur te zijn. Maar daarvoor maakt Martel toch niet genoeg van het gegeven.
Sterker nog, dat hij zijn hoofdpersoon eerst van jongen op magische wijze in een vrouw verandert, is éen ding. Daar valt mee te leven, al leest het boek als veel minder authentiek daarna. Maar dat die vrouw later na een verkrachting weer man wordt, vind ik van zo een plomp effectbejag dat dit het hele boek verpest.
Yann Martel, Zelf
336 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 2004
Vertaling van: Self, 1996
in: a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Yann Martel-pagina
dinsdag 5 juni 2007
Prick schrijft wekelijks in de krant NRC-Handelsblad columns over onderwijs. In zijn dagelijkse bestaan is hij zelf arbeids- en organisatiepsycholoog. Voor dit boekje gebruikt hij de inzichten uit dat werk om eens een diagnose te geven van de patiënt onderwijs. Daarvoor is het onder meer nodig een ziektegeschiedenis op te stellen. Want, de klachten over het onderwijs in Nederland kwamen er niet zo maar spontaan. Er zit wel degelijk allerlei goedbedoelde kwakzalverij achter van politici, die steeds weer vinden dat er van alles moet en zal met die kinders op school.
Alleen wisselen de wensen met de seizoenen.
Of anders hebben sommige beslissingen wel zulke negatieve gevolgen voor kinderen uit bepaalde bevolkingsgroepen, dat haastig reparaties toegepast worden op het beleid. Waarvan dan iedereen later vergeten schijnt te zijn waarom sommige beslissingen ooit genomen werden.
Onderwijsbeleid lijkt het meest op het eeuwig repareren van wat een paar jaar terug veel te haastig hersteld is.
Dus, naast een beeld van het onderwijs biedt Prick inzicht over de politiek in Nederland. Daarom kan een scherp geschreven, en goed geobserveerd boekje als dit toch ook ontstellend treurig maken.
wordt vervolgd
meer Leo Prick op boeklog
Leo Prick, Onderwijs op de divan
Een ontdekkingsreis
139 pagina’s
Van Gennep, 2000
in: typisch hollands, a-z, kennis, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Leo Prick-pagina
dinsdag 5 juni 2007
De laatste columns uit deze bundel dateren uit 2002, of 2001. Vijf jaar later schrijft Prick nog iedere week in NRC-Handelsblad stevige columns over wat er misgaat in het onderwijs.
En sleet zit er nog niet op bij hem.
Maar voor mij, als lezer, roept dit toch een vraag op. Prick illustreert hier ook mee dat columnisten werkelijk geen enkele macht hebben. Zelfs niet als ze het in hun columns om inhoud gaat, en niet slechts om schrijfstijl.
En de problemen in het onderwijs zijn groot, en divers van aard. De auteur van deze bundel heeft zeker zo zijn stokpaardjes — net als iedereen — maar het is niet zo dat hij altijd weer hetzelfde schrijft. Toegegeven, er is enige overlap met het boekje dat ik hier eerder besprak. Dit stoorde mij niet.
Toch. Het is gezien. Het is niet onopgemerkt gebleven. Maar wat dan als dit helemaal niets betekent?
meer Leo Prick op boeklog
Leo Prick, Zo kan het echt niet langer
Kritische beschouwingen over het onderwijs
188 pagina’s
Van Gennep, 2002
in: typisch hollands, a-z, kennis, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Leo Prick-pagina
woensdag 6 juni 2007
Literaire prijzen hebben nauwelijks betekenis als aanbeveling voor mij. In die 700 boeklogjes tot nu toe hier geef ik éen keer aan dat een prijsverlening de directe reden was om de schrijver toch eens te gaan lezen. Dit was toen Abe de Vries de Gysbert won.
Neemt niet weg dat prijzen op een andere manier wel helpen. Van een schrijver als Coetzee werden de boeken veel beter verkrijgbaar toen hij eenmaal Nobel-laureaat was. Net zo vermoed ik dat tal van auteurs alleen nog in de handel zijn vanwege zo’n bekroning. Gelukkig trouwens maar.
Toch. Eenmaal een slechte prijswinnaar gelezen, dan zal ik de winnende boeken van de jaren daarop grondig wantrouwen. Winnaars van de Booker-prize ga ik niet snel lezen, hoe die ook bejubeld worden door de critici.
En soms zijn literaire prijzen werkelijk te wantrouwen. In Italië schijnen er meer boekenprijzen uitgedeeld te worden dan er dagen in het jaar zijn. Ook al omdat die ooit zo leuk en goedkoop publiciteit genereerden voor degene die een bekroning uitdeelt.
Aan al deze observaties is nu toe te voegen dat ik een schrijver waarschijnlijk niet interessant vind als die veelvuldig bekroond werd in een land met een voor mij ontoegankelijke literatuur.
Er is namelijk iets merkwaardigs met Portugese boeken. Ik heb me ooit speciaal in die taal verdiept, omwille van Pessoa. Maar veel heb ik daar nooit voor terug gekregen. Tenminste, van de Portugezen niet. Er zijn Braziliaanse schrijvers volop met uniek werk. Aan de taal ligt het niet. Maar uit Portugal kan verder alleen het werk van J. Rentes de Carvalho me nog weleens bekoren. En dat is een halve Nederlander.
Eugénio de Andrade is een populaire en veelbekroonde Portugese dichter. En, hoe leuk het paardenhoofdje op de kaft er ook uitziet, veel bood deze bloemlezing uit zijn werk me verder niet.
Vooral zijn oudste werk is lyrisch op een manier die ik werkelijk stomvervelend vind. Dat domme gedweep met die natuur altijd. Die vergeefse pogingen om lading te leggen in puur meteorologische verschijnselen als mist, of sneeuw. Rozenblaadjes. Dat getrut.
Later, op tweederde van dit boek, wordt het wel beter. Helemaal als De Andrade proza-achtige observaties gaat schrijven. Maar weer spelen die zich veelal in de natuur af.
De vertaler schrijft dat Eugénio de Andrade’s poëzie vooral zo uniek en rijk is door de klank. Dat zal ik dan maar geloven.
Forbidden Words
Selected poetry of Eugénio de Andrade
translated by Alexis Levitin
294 pagina’s
A New Directions Book, 2003
Bilingual Edition
in: a-z, vertaald, poëzie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Eugénio de Andrade-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 7 juni 2007
Noam Chomsky vind ik een bewonderenswaardig denker over politiek, maar vaak ook een verschrikkelijke schrijver. Hij heeft iemand anders nodig om hem tot helderheid te dwingen. Blijkbaar is hij zo gewend dat zijn publiek van niets weet, dat zijn bewijsvoering zich vaak tot de pietluttigste details uitstrekt. Dit maakt Chomsky’s boeken altijd dik, en zelden prettig leesbaar.
Tegelijk zijn er weinig boeken over politiek zijn waaraan ik zo veel gehad heb als die van Chomsky. Deze zijn een training in het leren kijken, en het denken. Omdat zelfs een universitaire scholing in de geschiedenis, of een werkkring in de journalistiek, iemand er bijvoorbeeld niet op voorbereiden dat machthebbers stelselmatig liegen. Terwijl dit aantoonbaar gebeurt.
Dat liegen is trouwens nooit omdat ze de waarheid niet zouden kennen. Integendeel, als iemand de waarheid begrijpt, zijn het de autoriteiten en machthebbers wel. Zij zullen er alleen meestal belang bij hebben dat iets niet breed bekend wordt.
Deze interviewbundel bevestigt me in de overtuiging dat politici slechts te begrijpen zijn door er vanuit te gaan dat hun beslissingen vanuit een diep cynisme worden genomen. En afgezien van die niet heel prettige boodschap is dit éen van de betere boeken van Chomsky die ik ooit las.
Het interview dwingt hem door de vorm zich tot de hoofdlijnen te beperken. En dan nog weet hij me altijd weer nieuwe dingen te vertellen. Het is ook zoals met de ‘History of Oil’ van Robert Newman, waar ik op mijn andere weblog naar verwees. Door de geschiedenis met een bepaalde belichting te onderzoeken, vallen ineens heel nieuwe oneffenheden op.
Dit boek leerde me onder meer:
- Dat de VS de Marshall-hulp misbruikte om de Europese economie van kolen naar olie over te laten gaan. Dit, terwijl er kolen genoeg zijn in Europa, en olie er toen juist ontbrak;
- Dat Israël wil dat de VS voor hen Iran uitschakelt. Waarbij Israëlische vliegtuigen al jaren vanaf Amerikaanse bases in Oost-Turkije meehelpen aan verkenningsvluchten langs de grens daar;
- Dat het gegeven dat de Amerikaanse bezetting van Irak faalt, nogal opmerkelijk is in de geschiedenis van landveroveringen en bezettingsmachten;
Enfin. Wie zei ook weer dat na het lezen van een goed boek de wereld er anders uitziet?
wordt vervolgd
Noam Chomsky, Imperial Ambitions
Conversations on the Post-9/11 World
Interviews with David Barsamian
228 pagina’s
Metropolitan Books, 2005
in: a-z, economie, geschiedenis, politiek, media, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Noam Chomsky-pagina
vrijdag 8 juni 2007
Mij wordt regelmatig gevraagd waarom ik toch zo vaak boeken lees die me helemaal niet lijken aan te staan. Op die vraag zijn verschillende antwoorden mogelijk. En éen daarvan is dat het ook heel prettig kan zijn een niet zo goed boek te lezen. Omdat ik daardoor moet gaan verwoorden wat me erin tegenstaat. Wat evenzogoed mijn denken aanscherpt, en daarmee mijn begrip.
Tenminste, als het om non-fictie gaat.
Zo is Amerikaanse toestanden van NRC-journalist Maarten Huygen een matig boek. Maar het kost enige moeite om te bedenken waarom dan wel. Omdat het op zich goed geschreven is, en er ook soms heel zinnige dingen in staan.
Voor mij gaat het vooral mis als Huygen zich buiten beschrijvingen van de toestand in Nederland waagt, en al die verschillende ontwikkelingen in de wereld eromheen gaat benoemen. Dit lukt hem namelijk niet. Hij versimpelt daarin zo, of blijft zo vaag, dat het stoort.
Jammer genoeg.
Huygen snijdt namelijk wel belangrijke thema’s aan. Nederland is oud te noemen, net als de rest van Europa. Nederland heeft een dure verzorgingsstaat en het probleem dat er straks te weinig mensen zijn om daar de betalingen voor te verrichten. Nederland heeft politici die alleen op een visie te betrappen zijn als het om werkelijk futiele onderwerpen gaat, zoals de vraag recent of ambtenaren mogen weigeren om een huwelijk te sluiten tussen mensen van hetzelfde geslacht.
Maar wat gebeurt er dan wel?
Voor geïnformeerde opinies over dit soort kwesties moet je toch weer Amerikanen lezen. En die begrijpen niet goed wat het sociale model hier inhoudt. Zo is er altijd wat. Zo blijft de lezer bezig.
Maarten Huygen, Amerikaanse toestanden
Hoe het poldermodel verdwijnt
256 pagina’s
Uitgeverij Contact, 2000
in: typisch hollands, a-z, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Maarten Huygen-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 9 juni 2007
Nooit geweten, maar dit blijkt er éen uit een forse reeks boeken te zijn. Onder het motto ‘the art of mentoring’ geeft Basic Books een hele optocht aan ervaren professionals de gelegenheid om opvolgers te adviseren. Rainer Maria Rilke deed het ze natuurlijk al voor, in zijn brieven aan een jonge dichter. Zelfs is éen boek uit deze serie in het Nederlands vertaald — Aan een jonge romanschrijver van Mario Vargas Llosa.
Verder is er bijvoorbeeld een boek voor aankomende evangelisten. Voor beursspeculanten. Voor jonge conservatieven. Noem het maar op.
Dit deel van de journalist Christopher Hitchens is bedoeld voor jonge dwarskijkers. Maar daarbij stuit hij al vlot op het probleem dat hij tips moet geven over iets dat eigenlijk niet aan te leren valt. Niemand kan het bijgebracht worden om altijd sceptisch te zijn. Zulk een stelselmatig wantrouwen tegenover bijvoorbeeld instituties moet er van nature al inzitten.
Wie stelt er nu vragen over onderwerpen waarover verder niemand vragen stelt? Mij lijkt het een raar gebrek, ook al omdat ik er helaas wat mee behept ben.
Dus gaat Hitchens er voor het gemak maar vanuit wel met jonge dwarsbongelders van doen te hebben. Maar goed, behalve dat Hitchens zoals altijd zeer amusant schrijft, viel dit boekje me tegen. Het aantal platitudes in zijn adviezen is nogal hoog.
‘Je zult weerstand ontmoeten.’
‘Humor kan een wapen zijn.’
En ook dat hij per se met een sigaret op de voorplaat van dit Amerikaanse boek moest, zegt meer over de man dan over wat iemand tot dissident maakt. [Zelfs al was het ooit normaal om rokend op het kaft te gaan].
Het nuttigst is dit boekje om Hitchens’ uitleg van hoe de wereld in elkaar zit. Al valt me daaraan ook iets op. Misschien kan ik dit het beste toelichten door ook Noam Chomsky in dit betoog te betrekken. Beide schrijvers zijn namelijk absoluut van belang geweest in mijn vorming. En toch vertrouw ik Chomsky noch Hitchens volledig.
Bij Chomsky weet je bij voorbaat dat hij de VS van alles de schuld in de wereld gaat geven. Maar aan hem is te waarderen dat hij zijn uitspraken baseert op enorme hoeveelheden feitelijke informatie; met gegevens die ergens anders zelden of nooit genoemd worden.
Hitchens is iemand die vanuit een paar onwrikbare principes over goed en kwaad denkt, en van daaruit de bewijzen bij zijn standpunten zoekt. Ook dit moralisme kan heel verfrissend zijn. Zeker als hij onaantastbare doelwitten bestookt, en bijvoorbeeld treffend weet aan te tonen waarom moeder Theresa op tal van manieren geen heilige is. Zo ondersteunde ze actief het regime van Papa Doc in Haïti. Toch heeft Hitchens de neiging de feiten die hem niet uitkomen, te negeren.
Een lezer heeft daarom van beide schrijvers iets nodig om meer te kunnen begrijpen.
Maar nu dwingt het lezen van dit boekje me wel om nog eens te kijken of Chomsky’s lessen over ‘intellectuele zelfverdediging’ minder vrijblijvend zijn. Stonden die niet in Necessary Illusions?
Christopher Hitchens, Letters to a Young Contrarian
141 pagina’s
Basic Books, 2001
in: leerboeken, boeken over schrijven, a-z, politiek, media, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Christopher Hitchens-pagina
zondag 10 juni 2007
Elke krant of elk tijdschrift heeft rubriekjes die niets met het nieuws te maken hebben, of met service aan de lezers. Maar het zijn wel deze rubriekjes die zo’n blad leesbaar maken. Zo publiceerde journalist Lex Veldhoen in NRC-Handelsblad weleens tijdloze verhalen over producten.
Eerder zijn zulke vertellinkjes verzameld in boeken over mislukte technologieën. In dit boek gaat het voor de verandering over successen, al is er altijd een verhaal achter dat succes. Het kan tijden hebben geduurd voor een uitvinding toepassing vond. Bijvoorbeeld.
Maar dat is dan ook de enige overeenkomst tussen de producten die in dit boekje besproken worden. Dat er iets over te vertellen was.
In een krant is het heerlijk ontspannend zoiets te lezen. In een boekje verzameld wordt het allemaal wat triviaal. Niet vervelend. Maar ook geen moment memorabel. Dit is typisch zo’n boekje waarvan ik over een paar jaar niet meer weet hoe het in boekenkast terecht kwam, en of ik het ooit gelezen heb, gezien de lelijke opmaak van de tekst in twee kolommen.
Boeklog dient ook als mijn geheugen. Daarom: het kostte éen euro op de braderie, en ja ik heb het gelezen.
Lex Veldhoen, Onverwacht succes
Hush Puppies, Worcestershiresaus, red bull
Boodschappennetje, USA Today, Absint…
112 pagina’s
Ad Donker, 2004
in: economie, a-z, [web] technologie, reference
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Lex Veldhoen-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 11 juni 2007
Gelukkig, dit was er weer eens éen. Zo’n ouderwets goed geschreven roman die me vergeten deed dat ik aan het lezen was. Zo’n boek waarover ik alleen maar verzuchten kan hoe jammer het is dat er nauwelijks schrijvers zijn die over zo veel vertelkracht beschikken.
Wat zonde toch dat Tobias Wolff slechts zo’n klein aantal boeken heeft uitgebracht. Dit is zijn eerste roman. Maar, omdat die grotendeels over het laatste studiejaar op een particuliere school gaat, wordt het heel verleidelijk deze titel toch als een aanvulling te zien op twee eerder verschenen autobiografische boeken. This Boy’s Life eindigt namelijk als Wolff met een beurs naar zo’n rijkeluisschool gaat. De schrijver is in het boek In Pharao’s Army juist al een tijd van school af als hij naar Vietnam moet, als soldaat.
Die twee titels deze zomer te gaan herlezen, wordt ineens heel verleidelijk. Al komt er nogal wat leed voor in beide.
Old School heeft zeker ook pijnlijke momenten, al zijn die vooral psychologisch. De school kent een heel strenge erecode, waardoor bijvoorbeeld pupillen die betrapt zijn op roken onmiddellijk weggestuurd worden. Voor altijd. Maar wat als je al aan roken verslaafd was voor je op school kwam?
En, hoe handhaaf jij je op een eliteschool, als jouw medeleerlingen een overdosis zelfvertrouwen mee hebben gekregen van thuis, en jij niet?
Het boeiendst vond ik evenwel hoe deze roman de leerjaren van een schrijver behandelt. Dat dit boek de literatuur heilig verklaart, en op elementen toch ook weer helemaal onderuit haalt.
De school heeft een programma met gastschrijvers, waarvoor achtereenvolgens Robert Frost, Ayn Rand, en Ernest Hemingway gestrikt zijn om langs te komen. De laatstejaars pupillen kunnen een privégesprek met zo’n auteur winnen, in een schrijfwedstrijd. Dit geeft Wolff onder meer een prachtige aanleiding om literatuurkritiek te bedrijven door de ogen van zijn personages.
En misschien zegt hij ook wel iets over literaire prijzen, want schrijven is geen wedstrijd. Competities gaan snel voorbij aan waarachtigheid.
Goed, dan sluit Wolff deze roman af met twee hoofdstukken die duidelijk afwijken van de rest van het boek. Het een-na-laatste gaat er deels over hoe het verder ging met de hoofdpersoon, eenmaal van school af. Het laatste vertelt een parallelle geschiedenis van het verhaal in dit boek, maar dan gezien door de ogen van een schoolmeester. Tijdens het lezen was het heel prettig deze informatie ook nog te krijgen. Maar achteraf is dit deel van het goede misschien toch te veel geweest.
Net als er achteraf wel meer te zeggen valt over hoe opvallend dit boek geconstrueerd is. Maar eerlijk gezegd vind ik het veel belangrijker dat die vragen niet al tijdens het lezen opkwamen, door Wolff’s magie.
meer Tobias Wolff op boeklog
Tobias Wolff, Old School
198 pagina’s
Bloomsbury 2004, oorspronkelijk 2003
in: boeken over schrijven, aanbevolen 2007, a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tobias Wolff-pagina
dinsdag 12 juni 2007
Eenderde deel van dit boekje bestaat uit een inleiding op de poëzie van Thomas Hardy [1840-1928]. En wat is er boeiender dan een dichter te krijgen toegelicht door een andere grote dichter. In dit geval deed Joseph Brodsky dat.
Goed, die inleiding staat ook afgedrukt in de essaybundel On Grief and Reason.
Over Brodsky’s woorden blijf ik enthousiast. Ondanks dat lukt het hem niet mij in contact te brengen met Hardy’s poëzie. Eenmaal de toelichting losgelaten, lees ik in diens gedichten niets dat bij me beklijft.
Enfin, het gebeurt me niet alle dagen dat ik poëzie lees die direct reageert op het zinken van de Titanic. Maar de afstand in tijd, en taal, en cultuur was voor mij toch te groot om het lezen van dit boekje meer te maken dan een nuttige intellectuele exercitie.
meer Brodsky op boeklog
The Essential Hardy
Selected and with an
Introduction by
Joseph Brodksy
184 pagina’s
The Ecco Press, 1995
in: a-z, essays, poëzie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Thomas Hardy-pagina
woensdag 13 juni 2007
Alles dacht ik van Orwell te hebben gelezen. Zijn fictie. De herinneringen. De bundels met de essays. En hoe makkelijk is het om dan te vergeten dat er ook nog een verzameld werk werd uitgegeven.
De verzamelde werken van een schrijver die meerdere genres beoefende, hebben ook meestal alleen voor literaturelaars nut.
Het was dom om zo over dit boek als dit te denken. Dit is om meerdere redenen een uitgave waarvan ik veel van opstak. Al vond ik het deel met Orwell’s werk hierin wel boeiender dan het apart opgenomen oorlogsdagboek. Alleen de chronologie van zijn werk vertelt namelijk al veel. Het normale leven ging in de periode 1940-1943 gewoon door, en dat is zo makkelijk te vergeten. Er verschenen ook boeken, al werden die in de loop der jaren met steeds kleinere lettertjes gedrukt. En die boeken moesten besproken worden. Zelfs als het om een vernieuwde vertaling ging van Hitler’s Mein Kampf.
Ondertussen werkte Orwell voor de BBC-radio, en verzorgde hij programma’s die op India gericht waren. Terwijl het Britse geluid daar door tallozen als zeer vijandig werd ervaren. Maar daardoor kon hij weer elitairder uitzendingen maken dan normaal, en bijvoorbeeld dichters voor de microfoon zetten.
Het boeiendst vond ik, naast de essays die al uit de bundels bekend zijn, Orwell’s brieven aan het blad Partisan Review. Daarin geeft hij Amerikaanse lezers telkens een overzicht van het oorlogsnieuws, zoals door de Britten beleefd. Zulke brieven beginnen dan bij de grote ontwikkelingen, om te eindigen met dagelijkse beslommeringen. Al vrij spoedig wordt er ransoenering ingevoerd, en treden er tekorten op. Dan weer is er nergens schoenpoets te krijgen, dan weer is het bier te waterig om smaak te hebben.
Ook de komst van Amerikaanse soldaten naar Groot-Brittannië heeft uitwerking op de samenleving daar. Zo worden zij naar Britse begrippen uitzonderlijk goed betaald, waardoor winkeliers en verhuurders aan iedereen hogere prijzen gaan vragen.
Het zijn de vele observaties in deze brieven, die tonen dat Orwell kijken kan. Voor zover dat nog niet duidelijk was. En wat een genot is dat niet om weer eens bevestigd te zien.
The Collected Essays,
Journalism and Letters of
George Orwell
Volume II
My Country Right or Left 1940—1943
540 pagina’s
Penguin Books 1971, oorspronkelijk 1968
Edited by Sonia Orwell and Ian Angus
in: geschiedenis, a-z, essays, [auto]biografisch, bundels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de George Orwell-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 14 juni 2007
Montaigne was de eerste die persoonlijke essays schreef. Hij stierf in 1592. Francis Bacon was de tweede, en zijn essays verschenen al vrij kort na die van Montaigne. Ze zijn minstens even beroemd. Toch had ik nooit iets van Bacon gelezen, terwijl er van Montaigne meerdere edities in mijn kast staan.
Dus ontkom ik bijna niet aan de vraag of het terecht was de éen zo boven de ander te verkiezen.
En dan moet gezegd worden dat Montaigne me liever blijft, omdat hij menselijker is.
Beide auteurs schrijven vanuit eenzelfde traditie. Hun mededelingen volgen de wetten van een klassieke retorica. Bacon heeft daarbij het voordeel nog weleens een heel kernachtige uitspraak te doen. Maar toch, er is een afstand tussen de adviserende schrijver en de nog onwetende lezer. Bij Montaigne verdwijnt die kloof heel soms, en dan zijn ook ineens al die eeuwen verwijdering weg. Bacon blijft wijsheden preken.
Francis Bacon, Over liefde, de dood en het leven
Een keuze uit de essays
112 pagina’s
Bert Bakker 2005, oorspronkelijk 1675
Een selectie uit en vertaling van The Essayes or Councils,
civill and morall, of Francis Lo. Verulam, Viscovnt St. Alban.
in: a-z, essays, vertaald, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Francis Bacon-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
vrijdag 15 juni 2007
Wat gebeurde er met Bauke de Jong nádat hij aanleiding was tot het grootste conflict in de na-oorlogse Friese literatuur? Volgens Lolle Nauta werd er nauwelijks meer iets van hem vernomen. Maar dat vind ik niet echt een antwoord.
Bezorger Trinus Riemersma gaat evenmin op die vraag in, in deze bundel met bronmateriaal uit de jaren zestig. En dit is werkelijk het enige dat ik op dit boek heb aan te merken. Omdat de voorgeschiedenis en het conflict ruim aandacht krijgen, maar het vervolg blijkbaar bekend wordt geacht.
Voor de rest had ik geen beter boek kunnen lezen over wat mij intrigeerde over deze kwestie, die hier eerder al terloops langs kwam in boeklogjes over Nauta en Douwe Tamminga. Dat conflict met zijn vele lagen. Omdat ik alle artikelen te lezen kreeg die er toen over verschenen.
Zo speelde er een voorgenomen fusie tussen Friese literaire tijdschriften. Maar niet alleen hadden de betrokken redacteuren verschillende opvattingen over literatuur, er was ook sprake van een gapende generatiekloof. Dat verschil was niet alleen merkbaar in hoe er over boeken werd gedacht, maar onder meer ook in de ideeën over wat er nu moest met dat Fries.
Kristallisatiepunt in deze meningsverschillen werd in 1965 een aanval van voornoemde Bauke de Jong in het blad Asyl, op éen van de grootheden in het Friese wereldje. Deze Eeltsje Boates Folkertsma had namelijk volgens De Jong in 1939 nog opmerkelijk anti-semitische frasen gepubliceerd, en ook wel erg benadrukt hoe uniek Germaans het Friese volk niet was.
Niemand die daar toen iets van vond. En ook na de oorlog bleef Folkertsma onverstoord doorpubliceren.
Er ontspon zich daarom een felle discussie over De Jong’s aanval. Waarin voor de ouderen vooral de boodschapper het gedaan had. Posities werden ingenomen, en harde taal gebruikt.
Maar ruim een jaar later kwam Bauke de Jong met nog een aanval op een Friese grootheid; de hoofdredacteur van de grootste dagblad: de Leeuwarder Courant. Na het dodelijke ongeval van deze Jan Piebenga sprak De Jong een kritisch in memoriam uit voor de regionale radio.
Als Piebenga en Folkertsma over het Fries-zijn spraken, was het of zij klaarkwamen. En nadenken kon Piebenga ook al niet, zonder in de geopenbaarde kennis te vervallen van de Christelijke retoriek, zo klonk het.
En ik ben blij deze woorden nu eens integraal te hebben kunnen lezen. Riemersma zij voor zijn vele speurwerk bedankt. Zo kan ik nu bijvoorbeeld beter begrijpen waarom Lolle Nauta met het Friese wereldje brak. Hij was het die Bauke de Jong voor de radio had gehaald, en redactielid maakte van het literaire blad De Tsjerne.
Dat die generatiestrijd even zo fel oplaaide, illustreert ook wel een aantal andere zaken voor mij. Bijvoorbeeld hoe geïnstitutionaliseerd het denken over de Friese taal is geworden.
Nu heeft dat zo zijn gevolgen. Ik kan bijvoorbeeld sinds december 2004 gewoon over Friese zaken schrijven, zonder meteen een politie-inval te hoeven verwachten. Dit is een hele opluchting, dat begrijpt u. Nee, dat er geen discussie is geweest over de onzinnige wet dat alle bepalingen uit het Europese handvest voor minderheden onverkort voor elke Fries opgaan, laat zien dat er ook van alles uitstierf sinds de jaren 60.
Zelfs al was toen ook niet te zeggen wie nu die Friezen zijn.
Trinus Riemersma (bes.), Hoe binne de helten fallen
199 pagina’s
Útjouwerij Venus, 2006
in: boeken over schrijven, a-z, geschiedenis, essays, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Trinus Riemersma (bes.)-pagina
zaterdag 16 juni 2007
Waarom verschijnen er in Nederland toch zo veel boeken waarin de schrijver terugblikt op een jeugd? Ik doe auteur Sikke Doele tekort met deze vraag, omdat hij in deze bundel niet steeds verhalen schrijft over dezelfde jongen. Terwijl zijn personages onderling ook nog duidelijk verschillend van aanleg zijn. Maar toch intrigeert dit mij.
Iedereen heeft een jeugd gehad, maar dat was zelden de meest kenmerkende periode uit iemands leven. Daar komt bovendien bij dat van het toneel waarop zo’n kind zich beweegt bijna automatisch de decorstukken en medespelers bekend zijn. Vader. Moeder. School. Al dan niet aangevuld met vriendjes, en broertjes of zusjes. De mogelijke drama’s binnen zo’n wereldje zijn te voorspellen.
Waarom leggen de schrijvers hier zich steeds die enorme beperkingen in materiaal op? Hoe komt het toch dat zo veel van hun verhalen minieme variaties zijn op alom bekende sjablonen?
Is het misschien, omdat er nog van alles uit zo’n kind kan worden? Valse beloften redden vaak veel. Hoop doet leven.
Goed, niettegenstaande mijn weerzin tegen jongetjesverhaaltjes was dit een mij aangenaam boek. Doele weet in een paar verhalen prettig wat maatschappijkritiek mee te weven. En het Leeuwarden van de jaren vijftig en zestig is geen vervelende locatie om meer over te lezen.
Toch sluit ik niet uit dat mijn sympathie voor een deel ook komt door de taal waarin deze verhalen geschreven zijn. Mijn maatstaven voor in het Fries geschreven proza liggen gewoon lager, omdat iets met een beetje kwaliteit al gauw heel positief opvalt.
Bovendien heb ik Sikke Doele een paar keer ontmoet, toen hij nog leefde. Weleens met hem over beeldende kunst gesproken, en over journalistiek. Dit weegt wellicht allemaal mee, dus meld ik het maar even.
Sikke Doele, It apparaat
140 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2003
in: a-z, verhalen, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Sikke Doele-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 17 juni 2007
Eerder dit jaar las ik een boek over de opkomst en ondergang van het supermarktconcern Laurus. Een nogal saai verhaal was dat, over managers die de voordelen van schaalvergroting wilden forceren, en daar alleen maar de chaos van oogsten.
Daar hoorde een boek tegenover te staan dat vertelde hoe het dan wel moest in die supermarktbranche, vond ik. En dat werd dit, hoewel ik verder niets met het Aldi-concern heb. Er is iets met die winkels dat me triest maakt, waarmee elke aankoop er aanvoelt als een loodzware noodzakelijkheid.
Op zich was dit een leerzaam boek. Hoewel het vooral bevestigde dat supermarkten minimale winstmarges halen. Zelfs Aldi’s scoren niet hoger dan tussen de 3% en 5%. Maar omdat hun omzet zo groot is, en er zo veel filialen zijn, werden de oprichters toch de rijkste mannen van Europa.
Eten moeten de mensen altijd.
Het belangrijkste geheim van het concern blijkt gecontroleerde soberheid te zijn. De filialen hebben nauwelijks mensen in dienst, zijn nooit gevestigd op dure locaties, en bieden altijd maar een beperkt assortiment van 600 à 700 artikelen. Dit kan omdat er bij vrijwel alles slechts keuze is uit éen merk, in éen grootverpakking. Elke keuze voor een aankoop bestaat daardoor uit een simpel ja of nee.
Om éen of andere reden voelde dit niet echt als een onthulling. Het geheim van dit concern is voornamelijk dat er geen geheim bestaat.
Maar helaas is de schrijver van dit boek nogal in Aldi. Als tekst biedt het een interessante mengeling van genres als het managementsboek en de reclamefolder. Dit maakt het ook pijnlijk, als Brandes triomfantelijk de systeemfouten bij concurrerende supermarkten bekritiseert. Alsof de boekhouder van dienst ineens meent een hitser als Emil Ratelband te moeten spelen.
Dieter Brandes, Zonder franje
en tien andere geheimen achter het succes van Aldi
150 pagina’s
Scriptum, 2005
Vertaling van Die 11 Geheimnisse des Aldi-Erfolgs, 2003
in: economie, a-z, vertaald, cultuur, Deutsch [& übersetzt]
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dieter Brandes-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 18 juni 2007
Pieper is een zakenman, en daarmee een handelaar. Ik zal niet gauw vergeten hoe hij zijn column in Het Financieele Dagblad weleens gebruikte om reclame te maken voor bedrijfjes waarin hij investeerde. Daarmee onbeschaamd zijn lezers aansporend ook aandelen te nemen, al schreef hij dat niet letterlijk zo op.
Kranten weten doorgaans hun advertenties beter te scheiden van hun redactionele inhoud.
Maar dat Roel Pieper succes had in het zakenleven wordt wel interessant als hij zijn ervaring gebruikt om te analyseren hoe de Nederlandse politiek werkt. Principieel zal misschien daaraan verkeerd zijn dat de Staat geen bedrijf is. Failliet kan die niet. Maar dit neemt niet weg dat er enorme mogelijkheden tot verbetering zijn.
Dus laakt Pieper bijna alle initiatieven die in Nederland door de diverse kabinetten werden genomen om de economie te stimuleren, in de jaren 2000 tot 2004. Hoe kan het Rijk ook innovatie stimuleren bijvoorbeeld, als het zelf nog steeds zo’n slecht voorbeeld geeft? Als er geen enkele visie is en alle slagvaardigheid ontbreekt?
De grote winst die bedrijven hebben weten te maken in het laatste decennium, is dat de interne communicatie zo sterk verbeterd werd. Dankzij ICT. Daardoor worden er niet nodeloos dure voorraden ingekocht, en zijn er allerlei processen gestroomlijnd.
In Nederland zijn er alleen al te veel verschillende ministeries, schrijft Pieper. En erger nog, ze weten van elkaar niet wat ze aan beleid ontwikkelen, als dit intern al duidelijk is.
Het is om dit soort principiële analyses dat deze bundel met columns zo zijn waarde heeft.
Tegelijk kan ik de gedachte niet uitschakelen dat Pieper een handelaar is, en dus met sommige opmerkingen altijd vanuit die waarheid zal maken.
Roel Pieper, Over ondernemen, innovatie en politieke vernieuwing
208 pagina’s
Het Financieele Dagblad/Business Contact, 2004
in: typisch hollands, economie, a-z, [web] technologie, politiek, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Roel Pieper-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 19 juni 2007
Een roman als deze vergroot voor mij het raadsel Updike. Hoe kan een man die zulke verfijnde en subtiele verhalen heeft bedacht toch zo’n verschrikkelijk boek maken als dit?
Ik geef toe, juist A Month of Sundays bevat wel erg veel elementen waar ik niet dol op ben. Zo is de hoofdpersoon een priester. Al pleit voor hem dat hij zich niet helemaal als zielenhoeder heeft gedragen, en daarom een maand in retraite moet.
Maar Updike schrijft zeker die eerste hoofdstukken helemaal alsof er een blikken dominee aan het woord is, met galm ingebouwd en een gemaakte plechtstatigheid. Dat is tegelijk zowel knap als ook erg irritant. Gelukkig houdt hij dat toontje niet het hele boek vol.
Verder heeft Updike zijn priester behoorlijk bronstig gemaakt. En op zich is het ook weer knap hoe hij in een boek zo vol van sex toch weet over te brengen hoe leuk het kan zijn te veroveren. Maar, wat vind ik al die van de pagina’s druipende middelbare mannen geiligheid vervelend.
John Updike, A Month of Sundays
269 pagina’s
Fawcett Crest 1976, oorspronkelijk 1975
in: a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John Updike-pagina
woensdag 20 juni 2007
Was de TV-serie beter dan het boek? Die vraag heb ik nog niet vaak hoeven stellen op dit boeklog. En gelukkig ook maar.
Toch dwingt dit boek van Rudy Kousbroek me wel om een paar woorden te wijden aan het verschil tussen taal en bewegend beeld. Want, ik denk dat een geschreven verslag van een reis door een vreemd land moeilijk kan concurreren met een paar uur daarover aan dromerige TV. Al was het maar omdat taal wel te kleuren is met wat onbekende woorden, maar tegelijk ook begrijpelijk moet blijven. Terwijl bewegende beelden van een vreemde cultuur zonder moeite overtuigen dat er ook iets heel anders kan bestaan, ergens ver weg, waar de kijker toch even bij is.
En al staan er tal van illustraties in dit boek, die missen toch éen dimensie. Maar ook weer alleen als het andere gezien is.
Kousbroek kwam in 1972 al eens naar Japan. Doel daarvan was toen om de tocht na te reizen die leden van de Nederlandse handelskolonie in Deshima eens in de zoveel tijd maakten naar de hoofdstad Edo. Een Hofreis van vele weken.
Het boek over zijn reis toen, of die van de kooplieden, kwam er niet. Delen van wat Kousbroek schreef staan wel in dit werk. Dat geeft hem niet alleen gelegenheid over de Nederlanders van toen te schrijven, maar ook vergelijkingen te trekken tussen ‘72 en ‘99. Toen deed hij namelijk de Hofreis over, maar dan voor een documentaire van filmer Hans Keller. Anders was dit verhaal nooit geschreven.
Toch is dit boek meer een geschiedenisboek dan iets anders. Waarbij Kousbroek tegelijk historiografie bedrijft door interpretaties naast elkaar te zetten. Al komt de opmerking me iets te vaak terug dat Deshima ten tijde van Napoleon de enige plek was waar de Nederlandse driekleur nog aan de vlaggenmast klapperde.
Maar was het boek minder dan de documentaire? Volgens mij kleurt toch ook nogal erg wat je het eerst onder ogen kwam. Veel van het bijzondere wordt dan al verwerkt.
De TV-uitzendingen zag ik dus jaren voor ik dit boek las. Maar ik herinner me daar ook vaag opmerkingen uit die in het boek niet terugkwamen.
Rudy Kousbroek, In de tijdmachine door Japan
De Hofreis van het jaar 2000
200 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 2000
in: reizen, a-z, geschiedenis, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rudy Kousbroek-pagina
donderdag 21 juni 2007
Er was voor mij altijd éen bron waar ik mij aan laafde als ik zocht naar klankrijk Fries. Dit was de eerste bijbelvertaling, van Wumkes. Ook al omdat de druk die ik heb in zo’n merkwaardig ouderwetse spelling is gedrukt, dat ik alleen hardop lezend begrijp wat er staat.
Maar de tale Kanaäns heeft ook zo zijn beperkingen. Dus ben ik nog altijd zoekende naar Fries dat dichterbij mij staat.
De gedichten van Obe Postma [1868 - 1963] leveren mij die nabijheid niet. Daarvoor spreekt uit de meeste toch een te groot verlangen uit naar een wereld die de mijne nooit was. Mijn blik reikt verder dan het verstilde, landelijke Friesland.
Ook bij de zoveelste herlezing bevestigt deze bundel dat ik Postma’s vertalingen van anderen interessantster vind dan zijn eigen verzen. Of dit nu om Rilke gaat, of Emily Dickinson.
Goed, soms zijn er even strofen van hem die me pakken kunnen, maar nooit lukt het dat een heel gedicht.
Dus lees ik deze poëzie vooral hardop om de klank, en het ritme. Net als de bijbelvertaling van Wumkes. Een overeenkomst die gezien de status van Postma niet eens zo raar is.
Obe Postma, Samle fersen
647 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2005
in: a-z, poëzie, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Obe Postma-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
vrijdag 22 juni 2007
‘Globalisering’ moet éen van de lelijkste woorden zijn die ik ken. Daarbij gaat me trouwens niet eens alleen om de inhoud, maar om de woordvorm. ‘Globaal’ betekent in het Nederlands ook iets anders.
Bij benadering, bijvoorbeeld. Ongeveer. Ruw geschat. We doen maar wat.
Nu hangt het er trouwens ook vanaf wie het woord benut, om te weten welke betekenis het heeft. Vooral onze politici gebruiken ‘globalisering’ vaak om te waarschuwen, en daarmee angst te zaaien. Alsof het nieuw is voor de open Nederlandse economie dat er een buitenland bestaat.
Geert van Istendael plaatst in dit boekje terecht vraagtekens bij het klakkeloos gebruik van ‘globalisering’ in interviews en krantenteksten. Daarvoor pakt hij steeds een trefwoord uit de politiek of economie, dat dan in een pagina of drie wordt toegelicht.
In toon en aanpak deed dit pamflet me nogal denken aan Eduardo Galeano’s boek Ondersteboven. Maar dat is aanmerkelijk rauwer, en bovendien geschreven door iemand van de arme zuidelijke helft van de aardbol.
Van Istendael zal armoede en ellende misschien zijn tegengekomen tijdens zijn werk, als journalist, maar heeft die nooit persoonlijk hoeven meemaken. Wel weet hij heel goed aan te geven waar de politiek in Nederland en België principieel tekortschiet.
Solidariteit en angst gaan niet goed samen. En voor zover er hier al naar buiten gekeken wordt, is die blik benepen.
Het blijft merkwaardig om een kabinet te horen pochen op zijn ontwikkelingshulp, terwijl diezelfde bewindslieden de landbouwsubsidies in stand houden waardoor Europese producten onder de prijs op de wereldmarkt worden gedumpt.
meer Van Istendael op boeklog
Geert van Istendael, Alfabet van de globalisering
126 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2006
in: economie, a-z, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Geert van Istendael-pagina
zaterdag 23 juni 2007
Een jaar of tien geleden raakte ik even hevig in John McPhee. Dankzij internet waren zijn boeken ineens rechtstreeks te bestellen, en nooit ben ik dankbaarder geweest niet meer van schimmige importeurs afhankelijk te zijn, die zelden iets leverden.
McPhee heeft alleen éen nadeel. Of eigenlijk twee. Zijn reportagewerk is te goed. Boeken van andere schrijvers worden nogal bleek en saai naast de zijne. Bovendien is het als journalist niet fijn om te beseffen dat geen Nederlands blad ooit een reportage van 20.000 woorden zal afdrukken. Zelfs niet als McPhee die geschreven heeft, laat staan dan een mindere auteur.
Zelfs al zou je hem willen navolgen, dan is dat alleen in boekvorm mogelijk. Wat het probleem oplevert dat én de financiering van de reportages, én de financiering van het schrijfwerk een toer wordt.
Toch vind ik het niet overdreven om hem een directe bron van inspiratie te noemen.
Ik ken geen auteur die zo goed mensen beschrijft, en tegelijk zo veel exacte feiten in zijn verhalen weet te stoppen. Neem nu deze bloemlezing, die ik nooit eerder las omdat ik een groot deel van de twaalf hierin geselecteerde fragmenten al uit de boeken ken. Zelfs in zijn allereerste reportage, over een veelbelovende basketballer, gaat het McPhee er niet alleen om wat dit nu voor man is. Hij probeert ook te analyseren wat er trainbaar is aan diens vaardigheden, en wat uniek.
Een verhaal over een kanotocht gaat ook over natuurbeheer.
Het portret van de museumconservator Thomas P.F. Hoving gaat ook over de kunsthandel, en de trucs die vervalsers toepassen. Zo heeft Hoving weleens oud ivoor vervalst, om te kijken of dat kon. Waarbij het patina van de ouderdom te benaderen was door het ivoor een hele tijd langs zijn dijbeen te wrijven. De meeste experts geloofden in de echtheid van het eindresultaat.
Deze bloemlezing heeft als aardig extraatje een introductie van William L. Howarth, die me voor het eerst meer inzicht gaf in McPhee’s werkmethoden. Niet dat daarmee het geheim nu ontsluierd is, iedereen moet nu eenmaal zelf uitvinden hoe die het beste schrijft. En goed kijken kan misschien wel niet eens worden aangeleerd. Maar John McPhee is niet gul met interviews. Bekendheid zou hem maar hinderen in zijn werk. Daardoor is werkelijk alle informatie over hem schaars.
Alleen die keuze zegt al veel.
The John McPhee Reader
Edited by William L. Howarth
387 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, 1976
in: reizen, economie, a-z, [web] technologie, bundels, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
zondag 24 juni 2007
Eind jaren ‘60 heeft Dick Francis toch een hele reeks goede thrillers geschreven. Dit is daar éen van, zelfs al heeft deze als bezwaar dat een absolute leek er zich in ontpopt tot professionele speurneus. Heel erg aannemelijk vind ik zulke verhalen zelden. Maar Francis is er desondanks in geslaagd om dit genre-cliché nu wel eens geloofwaardig uit te werken.
Dit komt door het uitgangspunt. Een jockey en de eigenaar van een renstal worden hun licenties ontnomen, wegens wedstrijdvervalsing. Daarmee verliezen ze van het ene moment op het andere hun bron van inkomsten. Maar die aanklacht klopt niet. Alleen lijkt er niemand naar rede te willen luisteren.
In zijn dadendrang om zaken recht te zetten maakt de jockey eerst grote fouten. Dit draagt nogal bij aan dit boek.
En goed, dan is de plot wat eigenaardig. Want, typisch een verhaal dat in een boek te bedacht lijkt, maar in werkelijkheid wel zo had kunnen gebeuren in al zijn krankzinnigheid. Maar dan is het boek ongemerkt al bijna uit.
Dick Francis, Enquiry
206 pagina’s
Pan Books 1971, oorspronkelijk 1969
in: a-z, spannend, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dick Francis-pagina
maandag 25 juni 2007
Martin Bril komt de eer toe een geheel nieuw genre aan politieke beschouwing te hebben bedacht met dit boek. Zelfs al is dit in oorsprong een bundel van columns die eerder in De Volkskrant verschenen. Maar Bril kijkt naar Nederlandse politici zoals een antropoloog verbaasd de zeden van verre volkeren zal hebben vastgelegd. Mensen zien we, dat is makkelijk te herkennen, maar waarom doen ze toch van die merkwaardige dingen?
Nu was het onder goede journalisten ooit uitgangspunt dat je beschrijft wat politici doen, en liever negeert wat of zij zeggen. En Bril volgt deze aanwijzing opvallend trouw op. Alleen gaat het hem er nauwelijks om beleidszaken te beschrijven. Hij bekeek waar de mannetjes en vrouwtjes rondliepen, en hoe zij erbij stonden.
Op de proloog na werden alle columns in deze bundel geschreven tussen 2003 en begin dit jaar. Daarmee heeft Bril een groot deel van het merkwaardige tijdperk Balkenende vastgelegd. Goed, diens eerste kabinet met de LPF en de VVD was al gesneuveld. En misschien is het om het tijdsbeeld jammer dat daar niets over terugkomt, in dit boek.
Maar verder speelde er genoeg. Zoals: het referendum over de Europese grondwet. Rita Verdonk’s greep naar het VVD-fractieleiderschap, zoals in elkaar gezet op de Bouw-RAI. Of Ayaan, die alle onzekerheid over haar achternaam voor altijd wegneemt door haar hele afstamming op te noemen.
Misschien dat er in deze bundel iets te veel columns staan over de verkiezingscampagne in 2006. Want, politici bedrijven vooral propaganda tijdens zulke campagnes. Onechter gedrag zullen zij zelden vertonen. Tegelijk maakt dit ze nogal voorspelbaar.
Ik denk wel dat Bril er goed aan gedaan heeft om zijn columns alleen nog per thema te laten bundelen. Nu ver