zaterdag 1 september 2007
De meeste filosofen zie ik als goochelaars. Hun trucs zijn vaak vermakelijk, maar het blijft natuurlijk oplichterij. Met dit verschil dat ik niet aanneem dat de gemiddelde goochelaar denkt dat hij echt magische krachten heeft. Ook is hun publiek wat minder goedgelovig. Er valt bovendien weinig eer te behalen door uit te leggen wat een goochelaar eigenlijk bedoelde.
Neemt niet weg dat ik altijd graag filosofen heb gelezen. Sommigen zeggen wel eens een waar woord. Ook zijn er die nuttige methoden hebben ontwikkeld om de wereld te bekijken, en soms zijn hun filters heel bruikbaar. Daardoor vallen me ineens heel andere accenten op, bijvoorbeeld.
Maar ik ben meer van de harde wetenschap, omdat de beperkingen daarvan zo veel duidelijker zijn. Ik ben te sceptisch voor de taalspelletjes van vele filosofen, om maar éen aspect te noemen dat me hogelijk kan irriteren.
Goed, soms kan het heel nuttig zijn om na te denken waarom iemand het verkeerd heeft, of te stellig is. En in die zin reikt deze bundel interviews van Ger Groot genoeg materiaal aan. De opvattingen van de ondervraagde filosofen verschillen soms nogal van elkaar, en spreken elkaar onderling tegen.
Zoals altijd met bundels was een vraag over de onderdelen elkaar versterken, of niet. En met dit boek heb ik wat moeite om daar een antwoord op te geven. De interviews zijn niet alleen met verschillende denkers, ze zijn ook voor publicaties van een heel diverse aard geschreven. Sommige zijn duidelijk krantenartikelen, voor een breed publiek, en kunnen prima dienen als inleiding in iemands werk. Andere, zoals het gesprek met Rorty, vragen wel degelijk enige achtergrondkennis van de filosofie.
Het meest interessant aan dit boek waren voor mij de gesprekken over politiek. Maar blij was ik bijvoorbeeld ook met het gesprek dat Groot voerde met Michel Onfray, die ik al eens las zonder iets van hem te weten. Diens boek tegen de theologie zette me niet aan om me in zijn oeuvre te verdiepen. Dat kwam door het onderwerp. Onfray blijkt anders vooral te schrijven over wat het leven echt de moeite waard maakt.
Gert Groot, Twee zielen
Gesprekken met hedendaagse filosofen
317 pagina’s
Uitgeverij SUN, 1998
in: religie, a-z, politiek, filosofie, [auto]biografisch, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gert Groot-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 2 september 2007
Wat maakt deze verhalen zo goed? Niets is moeilijker dan het antwoord op een schijnbaar simpele vraag als deze. Maar laat me eens iets proberen.
Alan Bennett is het best bekend als de schrijver van toneel. En die achtergrond weegt ook wel mee in deze verhalen. Drie van de vier zijn geschreven vanuit het standpunt van een alwetende verteller, die zijn personages als pionnen over een schaakbord schuift. Het vierde verhaal is autobiografisch.
Het valt op dat de personages in de verhalen in een vervelende, zo niet onmogelijke situatie worden gebracht. Maar, omdat het Britten zijn laten ze niks van hun ongemak merken. En dat gegeven alleen al maakt de verhalen humoristisch, op een prettige maar wat schurende manier.
In ‘The Laying of the Hands’ verzamelt zich een gemêleerd gezelschap in een kerk, voor een herdenkingsdienst. Hun masseur is overleden. Hun homoseksuele masseur. Maar waaraan ging die eigenlijk dood?
‘The Clothes They Stood Up In’ lijkt het gegeven te hebben van een broodje aap-verhaal. Een echtpaar komt thuis van een avondje opera, en alles uit hun huis is gestolen. Wat is er gebeurd?
Met ‘Father! Father! Burning Bright’ heeft Bennett het scenario bewerkt van een televisiedrama. Bij het schrijven dacht hij zelf de hoofdrol te gaan spelen, en zoals zijn gewoonte is, kregen de andere personages daarom alle grappen en leuke teksten. Dit verhaal had als bedoeling iets meer over het belangrijkste personage te vertellen. Dat lukt ook wel. Maar het is toch eerder een opvallend effectieve mengeling van komedie en tragedie, over een vader die in het ziekenhuis ligt.
Het slotverhaal ‘The Lady in the Van’ is ook opgenomen in Bennett’s verzameling Writing Home. Daar kende ik het al van. Maar het gegeven blijft prachtig. In de jaren zeventig geeft Bennett de merkwaardige mevrouw S. toestemming de bus waarin zij woont bij zijn huis neer te zetten. Daarmee begint een moeilijke, vijftien jaar durende relatie tussen beide.
En weer is het meest indrukwekkend wat niet verteld wordt.
meer Bennett op boeklog
Alan Bennett, Four Stories
282 pagina’s
Profile Books, 2006
Oorspronkelijk 1998, 1999, 2000, 2001
in: a-z, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Alan Bennett-pagina
maandag 3 september 2007
Er bestaat een Nederlandse vertaling van dit boek, getiteld Thuis schrijven, die werd uitgegeven in 1996. En ik was daar altijd wel tevreden mee, tot ik ontdekte hoe veel eraan miste.
De vertaling telt 264 bladzijden, terwijl vertalingen naar het Nederlands vaak een 20% meer pagina’s hebben dan het origineel. Maar deze Engelse paperback heeft liefst 656 bladzijden. En allerlei ongenummerde pagina’s foto’s bovendien, die ook al ontbreken in die Nederlandse uitgave. Maar dit is een bundel, met los werk als boekbesprekingen, autobiografische stukken, en ook een dagboek. Het voelt ineens als oplichterij dat uitgeverij Atlas de Nederlandse lezer zo veel onthouden heeft.
Interessantst aan dit boek vond ik het verhaal ‘The Lady in the Van’, waarover ik eerder hier al iets zei. Verder sprak het dagboek over het decennium 1980-1990 me erg aan. Dit kwam mede door de merkwaardige mix van afstand en nabijheid. Er is een duidelijke kloof in tijd, bijvoorbeeld door de vele verwijzingen naar Margareth Thatcher, en de Falkland-oorlog. De Koude oorlog vroor ook nog stevig. En tegelijk zijn Bennett’s reacties zo herkenbaar. Bovendien heb ik zelden een humoristischer dagboek gelezen als dit, van deze Britse toneelschrijver.
Goed aan de Britse uitgave is verder dat de stukken en voorwoorden zijn opgenomen waarover Bennett in zijn dagboek meldt dat hij er mee bezig is. Dit maakt met terugwerkende kracht die Nederlandse uitgave nog vreemder. Daarin werden dus wel de voetnoten opgenomen, en niet de tekst waarop die een commentaar zijn.
Dat Nederlandse boek moest maar weg.
meer Bennett op boeklog
Alan Bennett, Writing Home
656 pagina’s
Faber and Faber 2006, oorspronkelijk 1994
in: a-z, boeken over schrijven, vertaald, [auto]biografisch, verhalen, bundels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Alan Bennett-pagina
dinsdag 4 september 2007
De ruzie om dit boek was veel interessanter dan de tekst ervan.
Zoals hier eerder opgemerkt, nadat A Man in Full aanvankelijk lovende kritieken oogste, werd de schrijver plots aangevallen door een triumviraat van beroemde collega’s. Daarom besloot ik deze zomer te kijken wie er gelijk had. Wolfe met zijn kritiek op het gebrek aan leven in de boeken van Updike, Mailer, en Irving. Of de laatste, met diens woorden dat Wolfe geen romanauteur is.
Ik had me de moeite kunnen besparen.
Noch Irving, laat staan Wolfe, schreven boeken die me iets zeiden. En dit had ik kunnen weten door alleen al naar de enorme omvang van hun romans te kijken. Obesitas is een dodelijke ziekte.
Bij dit boek van Wolfe speelde mee dat ik zo halverwege er de perfecte recensie over las. Daarna heb ik het boek nog doorgebladerd tot het einde, maar was het onbevooroordeelde lezen over. In zijn brievenboekje Aan een jonge romanschrijver lichtte Mario Vargas Llosa namelijk toe waar het een slechte roman aan ontbreekt, en het was alsof hij daarbij dit boek beschreef:
Een slechte roman, zonder of met weinig overtuigingskracht, overtuigt ons niet van de waarheid van de leugens die hij vertelt; deze blijft voor ons een ‘leugen’, een kunstgreep, een willekeurig verzinsel zonder eigen leven, dat zich moeizaam en houterig beweegt, als de poppen van een middelmatige marionettenspeler. Zij kunnen ons haast onmogelijk ontroeren, want hoe kunnen die nepfiguren zonder vrijheid, die geleende die afhankelijk zijn van een almachtige baas, hun heldendaden en leed nu echt beleven? [35]
Dat sloeg precies op de verzameling aan losse scènes die ik net gelezen had.
Dit boek gaat onder meer over smerige zaakjes, in en om de Amerikaanse stad Atlanta, Georgia. En goed, zo af en toe kwam er wel degelijk interessante informatie langs, bijvoorbeeld over wie een burgemeester daar allemaal te vriend moet houden om herkozen te kunnen worden. Maar dit bleek niet genoeg.
Ik las niets dat tot doorlezen aanzette. Ik zag scènes voorbijtrekken, zoals je op televisie ook weleens een film binnenzapt waarvan onduidelijk blijft waarom getoond wordt wat te zien is. Dat houdt de aandacht niet vast.
meer Wolfe op boeklog
Tom Wolfe, A Man in Full
742 pagina’s
Random House, 1998
in: a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tom Wolfe-pagina
woensdag 5 september 2007
Is er iets erger dan de ooit modieuze betogen van Franse denkers? Jawel, erger nog is de kruiperige uitleg van ooit gehypete theorieën door anderen. Hele universiteiten houden zich ermee bezig, en tonen daarbij een naar sektarisch gedrag.
Zo niet de politicologe Anne Norton. Althans, dat was mij beloofd. Norton zou voor eens en altijd de uitgangspunten herdefiniëren waarmee sociale wetenschappers de wereld moeten bekijken. Opdat ze het dan tenminste eens over hetzelfde hebben, in hun discussies. Zoals Luther ooit 95 stellingen op die kerkdeur timmerde, zo streefde ook Norton er naar om misstanden aan te klagen op een manier die een radicale breuk met oude praktijken brengt.
Helaas las ik een heel ander boek.
Ook Norton is een gelovige, zonder dat ze dit lijkt te beseffen. Zo schrijft ze als éen van de eerste stellingen:
10. Culture can be considered as a text.
En een zucht van verveling ontsnapte me. Al had ik kunnen weten dat het deze richting op zou gaan, gezien de Franse denkers die Norton de hele tijd maar citeerde.
Weinig ergert me meer dan zulk gelul.
Daarom, nog maar eens. Taal heeft als prettige eigenschap abstracties te kunnen benoemen. Dat is zo mooi, omdat anderen daarmee zo ongeveer begrijpen wat er bedoeld wordt, zonder dat die abstracties daarmee volledig beschreven hoeven te worden. Gebruik een woord als liefde, of haat, en iedereen heeft daar wel een idee bij. Maar probeer te definiëren wat liefde is, of haat, en er ontstaan problemen. Gelukkig daarom maar dat definities van woorden meestal niet zo belangrijk zijn; behalve voor de makers van woordenboeken dan; maar die hebben dat vak zelf gekozen.
Wat Anne Norton doet, als tallozen met haar, is een gênante poging om de waarde van taal te herwaarderen, door er onmogelijke eisen aan te stellen. Zij vindt het niet aanvaardbaar dat we woorden voor begrippen hebben waarvan de betekenis niet helemaal duidelijk is, en in de loop van de tijd misschien zelfs verschuift. Dus draait ze het om. Zij neemt een woord, als cultuur, politiek, of macht, en gaat vervolgens definiëren wat daar allemaal onder begrepen moet worden. En elk zo’n definitie heet in dit geval dan een stelling.
Dat is naar mijn idee de wereld aanpassen tot die in jouw wereldbeeld past, en daarmee een categorische denkfout. Een ‘lucid fallacy‘, zoals Taleb het noemde.
Dus las ik een boek met zeer intelligente opmerkingen en constateringen, die volkomen onderuit gehaald worden door het simpele feit dat het fundament daaronder niet deugde. En dat was jammer.
Anne Norton, 95 Theses on Politics, Culture, & Method
141 pagina’s
Yale University Press, 2004
in: a-z, kennis, filosofie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Anne Norton-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 6 september 2007
Boeken als deze zijn erg fascinerend. Voor mij tenminste. Terwijl de opzet zo simpel lijkt. Kies maar een thema, en interview daar een hele reeks mensen over. De Amerikaan Studs Terkel maakte al een stuk of tien boeken op deze manier, en herschrijft al doende de gangbare geschiedenis, omdat er vooral gewone mensen aan het woord komen.
Eerder besprak ik hier zijn boek Hope Dies Last. Dat boek dateert uit 2003, terwijl de verzameling gesprekken in Coming of Age tien jaar eerder werden opgetekend. En toch is er in toon betrekkelijk weinig verschil tussen beide. Aan alle gesprekken valt steeds het enorme realisme op, waarmee de geïnterviewden de Amerikaanse samenleving bekijken.
In Coming of Age krijgen alleen mensen van boven de zeventig het woord. Vaak kijken die terug op een bewogen verleden, dat ze desondanks overleefd hebben. Maar toch valt op hoe veel van hen somber zijn over de toekomst. Hun kinderen, of kindskinderen, zullen het niet zo goed meer krijgen, als zij het hebben gehad; dat is een opinie die opvallend vaak terugkeert.
Moeilijkheden waar je midden inzit, zijn ook anders als moeilijkheden die nog komen gaan.
Terkel heeft er een goede hand in steeds mensen te kiezen waar ook een roman over geschreven kan worden. Er zijn nauwelijks beroemdheden onder zijn gesprekspartners, al interviewt hij in dit boek de econoom Galbraith dan weer wel. Iets vaker, maar nog niet erg frequent, komen mensen aan het woord die in de nabijheid van een beroemdheid hebben verkeerd.
Waar ik nog wel steeds moeite mee heb, is de ordening van de gesprekken in het boek. Ik begrijp best waarom Terkel alle interviews met vertegenwoordigers van een bepaald beroep, of mensen met ruwweg dezelfde ervaringen bij elkaar zet; dat is beter voor het overzicht. Maar mij verveelt het om vergelijkbare vertellingen achtereen te lezen — en dat is zonde van de boeiende gesprekken. Dus lees ik ze inmiddels hapsnap door elkaar.
meer Terkel op boeklog
Studs Terkel, Coming of Age
The Story of Our Century
by Those Who’ve Lived it.
467 pagina’s
St. Martin’s Griffin 1996, oorspronkelijk 1995
in: a-z, geschiedenis, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Studs Terkel-pagina
vrijdag 7 september 2007
Had ik dit boek eerder ingekeken, en toen al snel weggelegd? Het kan ook zijn dat me de TV-beelden over Sacks’ reis me eerder bereikten dan dit boek. Waardoor het onderwerp misschien wel afdoende behandeld was. Ik kan me in elk geval niet herinneren dit boek eerder gelezen te hebben, en toch was een groot deel van de inhoud me wel bekend.
Kleurenblindheid fascineert me ook, vanwege mijn eigen mutatie. Maar mijn afwijking is hoogstens dat de kegeltjes in mijn oog het licht iets anders verwerken dan bij de gemiddelde mens gebeurt. Dus moet u mij nooit kleding voor u laten kopen. Tegelijk is mijn zicht in de schemering weer zo veel beter dan normaal dat ik dit een aardige compensatie vind.
De kleurenblinden in het boek van Sacks kunnen slechts kijken met de staafjes in hun netvlies, die wij vooral gebruiken om in het halfdonker ook nog iets te kunnen zien. Dit maakt hen ernstig bijziend, en bovendien overmatig gevoelig voor licht. Deze afwijking is bijzonder, want treedt heel zelden op. Maar omdat de genen er een belangrijke rol in hebben, wil die nog weleens voorkomen binnen gesloten gemeenschappen. Sacks is te beleefd om voor dit verschijnsel het woord inteelt te gebruiken, maar daar komt het natuurlijk wel op neer.
Het eiland van de kleurenblinden ligt in Micronesië, dus had de neuroloog Sacks ook leuk wat te vertellen over de reis erheen, en de rijke, maar afwijkende tropische natuur daar.
Een tweede opstel in dit boek gaat ook al over een reis naar een eiland in die Grote Oceaan, maar dan éen waarop opvallend veel patiënten zijn met een aparte variant op de Ziekte van Parkinson. Ook groeien er veel palmvarens; oerbomen die er al waren toen de dinosauriërs nog op de aarde rondliepen.
Beide delen van het boek zijn daarom een curieuze mengeling van reisverslag, botanisch dagboek, en medische verhandeling.
Nu blijft het altijd beschaafd zielige mensjes kijken met Sacks, want hij is natuurlijk een aardige dokter, met een lieve kerstmannenbaard. Maar ik merk dat mijn belangstelling voor dit genre boeken verdwijnt. Ja, misschien kunnen we meer leren of wat ons mens maakt door naar de meest afwijkenden onder ons te kijken. Mijn nieuwsgierigheid in deze bestaat alleen niet meer.
Oliver Sacks, The Island of the Colorblind
and Cycad Island
302 pagina’s
Alfred A. Knopf, 1997
in: reizen, a-z, biologie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Oliver Sacks-pagina
zaterdag 8 september 2007
Rudy Kousbroek schreef over de verhalen van de Braziliaanse schrijver Dalton Trevisan dat het lezen je soms het gevoel oplevert een ongeluk te hebben meegemaakt. En inderdaad, er gebeurt vaak wel wat. Meer dan een paar van zijn verhalen kan ik ook niet lezen per dag. Maar dit komt door nog iets anders. Trevisan schrijft een uiterst karige taal, met soms heel onverwachte indikkingen en versnellingen. Eén alinea verder kan de wereld er al heel anders bijliggen.
Om te verduidelijken hoe weinig woorden Trevisan nodig heeft om een situatie neer te zetten, de eerste alinea’s van het verhaal ‘Twee veroveraars’:
Met zijn meedogenloze snorretje verleidde João zijn nichtje Zezé en maakte bij haar een kind. Hij ging er vandoor, om niet te trouwen, en raakte gecharmeerd van Rosa, die met de bezeerde knie van een val van de fiets. Als geliefde had hij het recht met beide handen knieopwaarts te gaan.
‘O, liefje, daar doet het geen pijn,’ verdedigde ze zich. [74]
En vervolgens komt die hele Rosa in het verhaal niet meer voor.
Een maximum aan expressie, met een minimum aan middelen, zo noemt vertaler August Willemsen de stijl van Trevisan. En het essaytje achterin verduidelijkt wat dit betreft veel over de Braziliaanse schrijver. Zo komen bepaalde elementen opvallend vaak terug in de diens verhalen. De mannen heten meestal João, en de vrouwen Maria. En als ze elkaar echt kwaad willen doen, stoppen ze vaak gemalen glas in de bonensoep. Maar die herhaling is met een reden. In zulke motieven heeft de schrijver dan naar zijn idee de grootste expressiekracht mogelijk bereikt. Dat maakt het hem vervolgens makkelijker om zich op de rest van het verhaal te concentreren.
Vrijwel alle verhalen in dit boek gaan over de ongelijkheid van man en vrouw. Die maakt het hen onmogelijk om samen gelukkig te blijven. Tegelijk is er vaak ook wel iets dat ze weerhoudt elkaar te verlaten.
Nu is de cultuur waarin ik leef zo macho niet als die van Trevisan, en evenmin zo geladen met christelijk zondebesef. En toch lukt het de schrijver vaak om iets universeels weer te geven over het menselijke onvermogen dat daarmee ook mijn onvermogen is. Verder heeft andermans ellende gewoon altijd iets fascinerends.
Dalton Trevisan, De zoete vijandin
Verhalen
317 pagina’s
Meulenhoff, 1992
Vertalingen en nawoord: August Willemsen, 1975, 1997, 1992
© oorspronkelijk 1970, 1972, 1974, 1975
in: a-z, vertaald, verhalen
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dalton Trevisan-pagina
zondag 9 september 2007
Maak ik mij druk om het milieu? Nee, maar dat komt omdat mijn ondeugden niet zo heel groot zijn. Mij kan daarom geen schuldgevoel aangepraat worden. Tegelijk zijn heel weinig van mijn gewoonten bewuste keuzes geweest. Dus zou het onzin zijn om mijzelf groen te noemen, terwijl ik misschien wel zo leef.
Het is zelfs omgekeerd.
Op het moment, nu ‘de opwarming van de aarde’ zo veel aandacht krijgt in de media, heb ik eerder de neiging me tegen de milieuactivisten te keren. Dit komt door hun gedram, en het manipuleren van feiten in hun propaganda. Ik wantrouw domweg iedereen die stelt zeker te weten hoe het met de aarde zal vergaan. Zodra activisme religieuze trekjes krijgt, met alle bekeringsdrang daarbij, is het mij over. Zelfs al ben ik het op zich wel eens met de gedragsveranderingen die milieuactivisten graag van ons zien.
Dit boek van de journalist Hans Schmit torst de smerigste titel mee van alle boeken ooit op boeklog besproken. Al waren de foto’s van de wildgroei nog smeriger. Maar er zijn dus plaatsen waar het water zo vuil is, dat er kleurige tumoren op de visjes in dat water groeien. De associatie met die frambozen en die bloemkool wordt dan snel gemaakt.
Eet smakelijk.
Zo’n agressieve titel zet ook wel de toon. Schmit biedt een zeldzaam deprimerend overzicht op welke terreinen het allemaal mis is met het milieu in Nederland, en probeert daarbij steeds verklaringen te geven. Nu goed, in de jaren zeventig was het helemaal erg. Enige verbetering werd sindsdien wel bereikt.
Al had het natuurlijk veel beter gekund.
Toch werd ik wel optimistisch van dit boek, al kwam dit niet door wat de schrijver aandroeg. Maar als er in dertig jaar al zo veel bereikt is, maakt dit de milieubeweging zeldzaam effectief, gezien de tijd die het immer kost om maatschappelijke veranderingen tot stand te brengen. Bovendien leer ik van Schmit dat overdreven angst een heel positieve uitwerking kan hebben. Zo zou de zorg van de Duitsers om het ‘Waldsterben’ uiteindelijk tot het verbod hebben geleid om lood als antipingelmiddel in benzine te gebruiken.
Toch viel het uiteindelijk met het doodgaan van die bossen of de zuurheid van de regen wel mee.
Het lijkt me mede daarom zelfs slechts een kwestie van tijd voor politici nog beter begrijpen dat ze angsten over het milieu heel goed kunnen exploiteren ter hunner glorie.
Enfin, dus wil ik niet zozeer mee gaan in Schmit’s argumenten, maar zijn boek vooral gebruiken om me beter te kunnen wapenen tegen de propagandisten die dezelfde argumenten gaan exploiteren.
Schmit’s boek vond ik overigens vooral nuttig om het overzicht, maar het graaft me regelmatig niet diep genoeg, bijvoorbeeld op juridisch gebied. Het is typisch het werk van een journalist. De verpakking van de informatie deugt, alleen wordt voor de inhoud noodgedwongen te veel aan anderen ontleent. De kwaliteit van de schrijver zit erin dat hij wist waar informatie te halen was, niet in wat hij er vervolgens zelf mee aanving.
Hans Schmit, Frambozenschol en bloemkoolpaling
Nederland nog steeds te vuil
het milieu, toen, nu en straks
294 pagina’s
Uitgeverij Houtekiet, 2005
in: economie, recht, a-z, biologie, politiek
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hans Schmit-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 11 september 2007
Weer eens had ik een ernstig gevoel van déjà lu. Ik herinner me dat Freeman Dyson ooit door Wim Kayzer geïnterviewd is, voor diens TV-programma Een schitterend ongeluk, uit 1993. Maar het lijkt me sterk dat passages uit die gesprekken ergens woordelijk in mijn geheugen zijn blijven hangen. Tegelijk ben ik vrij zeker van voor die uitzendingen nooit van Dyson gehoord te hebben. Evenmin is er de afgelopen vijftien jaar eerder een boek van hem in huis geweest.
Dus las ik over de jeugd van een theoretisch natuurkundige in het Groot-Brittannië van voor de Tweede Wereldoorlog, en het was of ik alles al wist.
Ik las over zijn ervaringen in de oorlog, waar hij met steeds grotere tegenzin werkte voor het Bomber Command, en het bevestigde alleen mijn kennis maar.
Later kwam Dyson in de VS terecht, waar hij onder meer nauw optrok met fysici die hebben geholpen de atoombom te ontwikkelen. Eén daarvan is de natuurkundige Richard Feynman, en van hem weet ik zeker de autobiografische werken en brieven te hebben gelezen.
Een tijd later speelt waarover John McPhee het boek The Curve of Binding Energy heeft geschreven; dat het betrekkelijk simpel is om de informatie te verzamelen nodig om een atoombom te kunnen maken. Ook daar heb ik misschien iets aan ontleent.
Als ik dit boek eerder heb gelezen, dan is het me in elk geval toen niet gelukt het uit te krijgen. Het laatste deel bevat namelijk verschillende verrassende essays die nogal losstaan van het autobiografische gedeelte ervoor. Het was Dyson met dit boek erom te doen een niet wetenschappelijk geschoold publiek meer te vertellen over wat wetenschap is, en allemaal vermag. Dat spitst zich op het laatst bijvoorbeeld nog toe op vragen als wat argumenten kunnen zijn dat er toch een ontwerper is, voor alles.
Het niveau van deze beschouwingen wisselt sterk — het boek eindigt zelfs met een rare droom — en toch was ik er blij me ze te hebben mogen lezen. Iemand helder denkend aan het werk te kunnen zien, is nog altijd een voorrecht.
Freeman Dyson, Disturbing the Universe
283 pagina’s
Basic Books, 1979
in: a-z, [web] technologie, kennis, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Freeman Dyson-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
woensdag 12 september 2007
De lange en goed geschreven reportage, die documentaire op papier, heet tegenwoordig literaire non-fictie. Ik vind die benaming rijkelijk pretentieus, en misschien wel onnozel. Het verschijnsel is namelijk niet nieuw. Historici durven het bijvoorbeeld zelfs nog niet eens zo heel lang aan om al die eeuwenoude vertelwetten te negeren, en dus hun werk dor en op een saaie wijze te presenteren. Terwijl er omgekeerd allang geschiedenisverhalen waren voordat er professionele geschiedkundigen bestonden.
Maar goed, het valt ineens op dat een bepaald soort non-fictie erg goed verkoopt, terwijl de dagbladen en tijdschriften geen ruimte meer over hebben voor lange verhalen met een feitelijke achtergrond. Dit was voor de journalisten Ceelen en Van Bergeijk aanleiding te gaan praten met de schrijvers van dit soort boeken.
Een aantal daarvan kwam op boeklog ook al eens langs, als een Geert Mak, een Joris Luyendijk, of een Frank Westerman.
De interviews met hen leverden meestal een mengeling op van persoonlijk portret en bespiegelingen over de geheimen van het vak. Dit las allemaal wel lekker vlot weg, want ik kon de interviewers niet erg confronterend vinden.
Ook blijft er betrekkelijk weinig hangen van de gesprekken. Het babbelde steeds wel lekker door.
Nu goed, ik heb geleerd dat Geert Mak eerst een draaiboek opzet als hij aan een nieuw werk begint. En als werkmethode vind ik dat wel interessant, al is het vooral omdat ik de inspanningen aan mijn lange artikelen ook zo begin. Tegelijk zegt dit allemaal niets.
Han Ceelen & Jeroen van Bergeijk, Meer dan de feiten
Gesprekken met auteurs van literaire non-fictie
240 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2007
in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Han Ceelen & Jeroen van Bergeijk-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 13 september 2007
Eerder wijdde ik al eens twee boeklogjes aan werk van Henk van Woerden. Beide vielen wat zuinig uit. Die boeken streden dan ook tegen de herinnering aan de titels die me juist heel goed bevallen waren. Daaronder was deze, het debuut van de schrijver, dat ik nu toch maar eens herlas.
Moenie kyk nie is een wordingsroman; éen van de honderden die er in de Nederlandse literatuur zijn verschenen. Maar dit boek wijkt op een aantal manieren opvallend af van wat er doorgaans aan jongetjes wordt beschreven hier. Zo speelt het boek zich grotendeels in Zuid-Afrika af, waar het gezin van de jonge hoofdpersoon in de jaren vijftig naar geëmigreerd is, vanuit het Drentse Paterswolde.
Indrukwekkender vind ik nog hoe Van Woerden schreef. Dit hele boek wordt door de ogen van de jonge hoofdpersoon vertelt — of beter door het rechteroog, want links is van glas bij hem. Het hele boek bestaat uit de selectieve waarneming van die jongen, die langzamerhand steeds meer opmerkt. Hij wordt natuurlijk gewoon ouder, maar hij leert ook steeds beter tekenen, en kijken daarbij. Uiteindelijk wordt zijn blik zo scherp dat hij het niet langer verdraagt om in Zuid-Afrika te blijven.
Dus laat Van Woerden eerst van alles weg, terwijl het verhaal daarbij toch heel goed te volgen blijft. Waarna het boek ook in taal almaar rijker wordt.
Dat dit een debuut is, openbaart zich voor mij hoogstens in het laatste hoofdstuk, dat wat overbodig aandoet. Al speelt in mijn waardering ook mee dat hij na Moenie kyk nie een paar nog betere boeken schreef.
Henk van Woerden, Moenie kyk nie
158 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 1993
in: a-z, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Henk van Woerden-pagina
zaterdag 15 september 2007
In 2000 verscheen eindelijk het Verzameld werk van schrijver en wijlen Parool-journalist Willem Wittkampf. Ik geloof toen zelfs nog ingetekend te hebben op dat boek, of het ruim voor de publicatie besteld te hebben. Steeds hadden toonaangevende Nederlandse journalisten namelijk Wittkampf als voorbeeld genoemd. Toch waren de boeken van hem al decennia niet meer in druk, en dus nauwelijks te vinden.
De vader van het goed geschreven, en tijdloze interview was Wittkampf geweest. Alleen al bijzonder omdat hij nimmer publieke persoonlijkheden aan het woord liet, maar altijd schijnbaar gewone mensen.
Van die veronderstelde brille zag ik toen niet veel terug. De opvallend goede gesprekken sneeuwden wat onder. Een nadeel van elk ‘verzameld werk’ is dat er ook nogal wat matig materiaal in staat.
Ik heb mijn afkeer van dikke verzamelbundels nu al zo vaak op boeklog aangegeven, dat ik er eindelijk eens van geleerd heb. Postuum verschenen verzamelingen zijn hoogstens een laatste hoop voor de lezer, om eindelijk eens zelf te kunnen zien wat al zo lang verborgen bleef. In de oer-uitgaves van boeken zit gewoonweg meer leven.
Dit bleek opnieuw bij het lezen van dit bundeltje met interviews, die tussen 1956 en 1963 in Het Parool werden gepubliceerd. Weer eens heb ik meer plezier beleefd aan een zoveelstehandsje met een verfrommeld kaft, dan aan een duur uitgegeven verzameling.
Onwillekeurig moest ik Wittkampf wel vergelijken met de Amerikaanse journalist Studs Terkel, omdat hun aanpak nogal overeenkomt. Beide schrijven “straight quote interviews” — zoals dit in goed Nederlands heet. Zo’n gesprek begint met het openen van de aanhalingstekens om iemand aan het woord te laten, en eindigt met de aanhalingstekens na diens laatste woord; schijnbaar zonder dat de interviewer ooit interrumpeert.
Dit soort interviews is lastig om uit te schrijven, omdat het vaak een kunstgreep vereist om iemand van gespreksonderwerp te laten veranderen zonder dat dit opvalt in de tekst. Terkel toont zich in dit métier wat gehaaider dan Wittkampf, die op zijn beurt weer dichter bij iemands karakteristieke spreektaal probeerde te blijven.
Een ander verschil tussen beide is dat Wittkampf toch wel wat literaire pretenties had. Waar voor Terkel het hele verhaal van iemand telt, schept Wittkampf er genoeg in om bijzondere zinnetjes uit te serveren. Dit maakt Terkel’s boeken evenwichtiger, omdat die er over gaan hoe het was om in een bepaalde periode te leven, of een zeker iets uit eigen ervaring mee te hebben gemaakt. Wittkampf maakte daar nooit zijn hoofdonderwerp van, voor hem was het bijzondere belangrijker dan het algemene.
Dus staan er prachtige gesprekken in deze bundel, zelfs al klinkt vooral die Tweede Wereldoorlog door in bijna elk interview. Gesprekken zijn er als dat met Arie aan de Wiel die cowboy wilde worden in de VS; met Sieb Koning, de Groninger luchtvaartpionier; met Mengelberg’s vriend, de eerste fluitist — om maar drie voorbeelden te noemen.
En dus vind ik het nu ineens jammer dat het Wittkampf te veel het aparte opzocht, en dit de keuze van zijn gesprekspartners zo tekende. Alleen al omdat het vanzelfsprekende van toen, ruim veertig jaar later al zo vanzelfsprekend niet meer is. Na deze prettige leeservaring lijkt dat Verzameld werk van hem wel erg dun.
meer over Studs Terkel op boeklog
Willem Wittkampf, Nader bericht ontbreekt
207 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1963
in: a-z, geschiedenis, [auto]biografisch, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Willem Wittkampf-pagina
zondag 16 september 2007
Elk boek vraagt om een bepaalde stemming om goed ontvangen te worden. Dit is éen van de redenen waarom ik zo veel herlees, en boeken ook dikwijls een tweede kans gun. Ook ik, als lezer, kan mijn dag niet hebben. Natuurlijk bestaan er boeken die de stemming kunnen oproepen die het mogelijk maakt ervan te genieten, maar dat zijn toch de uitzonderingen. Veel vaker weet een schrijver de leesvreugde juist te verpesten.
Het lezen van deze bundel interviews kostte me nogal wat tijd. Dit kwam niet door de aanpak, of de uitvoering, maar simpelweg door het onderwerp.
De dood.
Dit is weer een rijke bundel met soms behoorlijk diepe gesprekken, maar er ontstaat door het thema makkelijk overkill. Bij de professionals valt dat nog wel mee. Doktoren kunnen nuchter over hun vak praten, en begrafenisondernemers net zo goed. Ook in beroepen waar de dood nog weleens ontmoet wordt, als voor politieagenten geldt, of brandweerlieden, is er die professionele afstandelijkheid — waardoor het des te meer indruk maakt als de distantie ineens doorbroken wordt.
Ook staan in dit boek indrukwekkende gesprekken met mensen die weten net ontsnapt te zijn. Een man die de doodstraf had, en patiënten met doorgaans fatale ziektes. Deze interviews zijn goed te lezen, vooral omdat uit die gesprekken vaak de strijdlust overkomt waardoor de mensen hebben overleeft.
Maar er staan ook interviews in deze bundel die het moeilijk maken om verder te lezen zonder pagina’s over te slaan. De gesprekken met nabestaanden, bijvoorbeeld. En ook vond ik, heel oneerbiedig, de toch wel grote nadruk op de effecten van AIDS in dit boek er wat te veel aan.
Die gesprekken maakten me direct niet meer ontvankelijk voor de humor, en milde wijsheid, die er bij een volgende geïnterviewde toch zo maar weer wezen kon. Dan moest ik dit boek weer een dag of wat wegleggen.
meer Terkel op boeklog
Studs Terkel, Will the Circle Be Unbroken?
Reflections
on Death, Rebirth, and
Hunger for a Faith
407 pagina’s
The New Press, 2001
in: a-z, [auto]biografisch, bundels, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Studs Terkel-pagina
maandag 17 september 2007
Het gebeurt dus dezer dagen dat ik fictie kan lezen zonder ook maar een moment geboeid te raken door de vertelling, en er toch mee doorworstel omdat de vorm ervan me interesseert.
In deze novelle doet Dorfman het verhaal van drie mensen, die allen iets schematisch houden; en daarmee variaties worden op schijnbaar bekende personages uit de populaire cultuur. Het verhaal speelt zich ergens in Zuid-Amerika af, in de jaren zeventig, tijdens een onduidelijke dictatuur.
Het belangrijkste personage lijkt de mooie Oriane, die in haar jeugd iets zo traumatisch heeft meegemaakt dat haar ontwikkeling daarna stokte, op bepaalde terreinen.
De man die de capaciteit heeft om de waarheid over deze barrières uit haar te krijgen, fotografeert bijna dwangmatig. Zelf kan hij daarentegen niet op beeld worden vastgelegd, zo lijkt het.
En dan is er nog een chirurg, die de kunst ontwikkeld heeft om niet alleen gezichten van het ene mens op het andere te transplanteren.
Dorfman speelt met mij als lezer, door me steeds weg te houden bij verhaalelementen die me tot de vertelling zouden toelaten. J.M. Coetzee noemt dit boek in een essay achterin daarom ‘een labyrinth’. Hij moedigt de lezers ook aan om in een schema bij te houden wat er nu eigenlijk verteld wordt.
Ik weet dat niet. Dit is een enorm talig boek, terwijl een uitvoering als strip of film me toch ook niet meer informatie over het verhaal had gegeven. Dorfman lijkt steeds alleen aan te dragen wat het raadsel vergroot.
Ariel Dorfman, Mascara
A Novel
137 pagina’s
Seven Stories Press 2004, oorspronkelijk 1988
in: a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ariel Dorfman-pagina
dinsdag 18 september 2007
Directe aanleiding om dit boek eens te lezen, was een aardige verwijzing van iemand die uiteindelijk een ander boek van de Britse historicus Hobsbawm bleek te hebben bedoeld. Daarom had Bandits heel makkelijk tegen kunnen vallen. Wat ik er aan informatie in zocht — over de o zo nette misdaden van elites — stond er dus per definitie niet in.
Toch bleef de schade beperkt. Bandits is niet zo’n vreselijk dik boek, en beknoptheid vind ik doorgaans wel een sympathieke eigenschap bij een schrijver.
Deze monografie gaat over een onderwerp waarover in elke landstreek verhalen en mythen bestaan, maar waarvan Hobsbawm opmerkte dat er nauwelijks zelden onderzoek naar verricht werd. Dat is het leven van de rovers; in het bijzonder de vrijgevochtenen die het opnamen voor de zwakkeren in hun gemeenschap.
Robin Hood zelf heeft waarschijnlijk nooit bestaan. Maar mannen die stalen van de rijken, om met de armen te delen, kwamen overal voor waar een streng centraal gezag ontbrak. Hobsbawm plukte zijn voorbeelden uit de hele wereld weg, mede door de schaarste aan goede bronnen.
Mijn voornaamste kritiek op dit boekje is dan ook dat het me weleens te makkelijk van landstreek naar landstreek schoot. Verder wordt me niet duidelijk of Hobsbawm een grens trekt tussen rover en guerrilla — of desnoods geus, als ik naar de vaderlandsche geschiedenis kijk. Over piraten staat er trouwens evenmin iets in.
Belangrijkste waarde heeft dit boekje voor mij door de poging van Hobsbawm om te begrijpen waarom heldenmythes als die van Robin Hood toch zo krachtig konden zijn. En tegelijk, waarom de officiële geschiedschrijving deze uiting van mondeling overgeleverde volkscultuur altijd zo makkelijk negeerde; tenminste, tot Hobsbawm erover begon.
E.J. Hobsbawm, Bandits
128 pagina’s
Weidenfeld and Nicholson, 1969
in: recht, a-z, geschiedenis, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de E.J. Hobsbawm-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
woensdag 19 september 2007
Eén op de vijf boeken die ik lees, bestaat uit een verzamelbundel. En hoewel het mij dus blijkbaar prettig is om collecties van losse artikelen te lezen, maakt deze voorkeur het me telkens wel moeilijk om informatieve boeklogjes te schrijven.
Neem nu deze bundel uit 1997, van de socioloog Joop Goudsblom. Bijna een kwart daarvan bestaat uit een receptiegeschiedenis van het werk van diens inspirator Norbert Elias. Maar Elias lees ik ook, dus was dit me allemaal wel bekend.
Verder gaat éen artikel over vuurbeheersing, waar ik eerder al een boek van Goudsblom over las. En het laatste deel van deze bundel is gewijd aan het thema ‘Sociologie en geschiedenis’, waar liefst twee titels over gaan die hier eerder geboeklogd werden. Misschien dat hij daarover nu wel ineens nieuwe dingen zegt, maar misschien ook had ik die zelf al bedacht, en waren ze daardoor niet nieuw meer.
Elke auteur mag zich herhalen, iedere lezer is zulks zelfs aan te raden, maar mijn boeklogjes mogen toch niet steeds over hetzelfde gaan.
Gelukkig daarom maar dat Het regime van de tijd toch nog enige artikelen bevatte die wel nieuws voor mij bevatten. Het hele eerste gedeelte over ‘Sociale en psychische regimes’ maakte deze bundel ondanks alles ruim de moeite waard. Goudsblom bekeek hierin onder meer wat schaamte is, en hoe wij het tijdsregime ervaren waaronder wij leven. Een derde artikel is evenwel alweer een voorafschaduwing van de het boek Mappae Mundi, dat ik al aan het lezen was, en dus hier binnenkort geboeklogd wordt.
Zucht.
Misschien is dit boek nog wel het best te karakteriseren als Goudsblom’s Reader’s Digest-keuze van eigen werk. Geweldig ter kennismaking, maar nogal vertrouwd voor zijn vaste lezerspubliek.
J. Goudsblom, Het regime van de tijd
255 pagina’s
J.M. Meulenhoff bv, 1997
in: a-z, economie, geschiedenis, religie, bundels, essays, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J. Goudsblom-pagina
donderdag 20 september 2007
Vervelend aan nogal wat boekbesprekingen elders is dat die weliswaar een samenvatting van de inhoud geven, maar een boek verder niet plaatsen. Weet ik na het lezen daarvan wel iets meer, maar niet het belangrijkste. En dat belangrijkste is heel egoïstisch gesteld: interesseert het mij ook?
Van John Mcphee kan ik waarschijnlijk blind alle boeken bestellen die hij ooit geschreven heeft, maar toch merk ik eerst de titels te willen lezen die gaan over wat mij het meest interesseert. Dus had het nog jaren kunnen duren voor ik dit boek in handen had gehad. Het omslag is namelijk non-descript; en de inhoudsbeschrijving rijkelijk vaag, omdat er een hele reeks reportages in staat. Gelukkig daarom dat in The John McPhee Reader niet alleen twee opvallend goede stukken uit dit boek prijkten, maar achterin ook een bibliografie werd opgenomen, waaruit bleek hoe veel werk er in Pieces of the Frame verzameld werd.
En het is natuurlijk wel interessant om de meester van de lange reportage ook eens aan het werk te zien op de korte baan.
Deze bundel bevat misschien daarom wel een paar atypische McPhee-verhalen. Als de ruimte noodgedwongen wat ontbreekt om achtergrondinformatie te geven, worden zijn verhalen meteen vlakker. En daarmee normaler. Een reportage zoals die waarin McPhee met zijn dochtertjes op zoek gaat naar het monster van Loch Ness is aardig, maar er staat tegelijk niets in dat beklijft.
Interessant vind ik deze bundel vooral om McPhee’s experimenteerdrang met de narratie, waarmee een paar keer duidelijk van alles wordt geprobeerd.
Toch is memorabel aan dit boek dat er weer een paar langere stukken in staan, die op éen of andere manier een kern weten te raken over een onderwerp, die ik nog niet eerder zo beschreven zag. Het meest viel mij dit op aan de reportage ‘Centre Court’. Daarin beschrijft McPhee het toernooi van Wimbledon, in 1970. Mooi daarin is aan de ene kant het tijdsbeeld. Het tennis is net een professionele sport geworden, waardoor het duidelijk nog wennen moet dat de spelers reclame dragen. Tegelijk schaaft een groot kampioen als Rod Laver zelf, al televisiekijkend, het handvat van zijn houten rackets nog bij tot die een lekkere greep hebben. Er zit veel heden in dat verhaal, en tegelijk toch ontwikkeling, omdat er nog vrij veel over het verleden wordt verteld. Maar bovenal slaagt McPhee erin wonderbaarlijk goed om vast te leggen wat het dagelijkse bestaan van een topsporter inhoudt, zonder daar nu dramatisch over te doen. Dat maakt een op zich achterhaald verhaal uit 1970 merkwaardig genoeg opvallend tijdloos.
Prachtig vond ik ook de reportage ‘Firewood’, vanwege de onderkoelde humor daarin. Weer is het een verhaal over een schijnbaar onbetekenend onderwerp, en toch slaagt McPhee er opnieuw in om aan te geven dat in werkelijk alles een goede reportage zit, voor wie maar kijken kan.
Tijdens de oliecrisis begin jaren zeventig ging New York ineens massaal over tot het stoken met hout, wat maakte dat ook de prijzen van brandhout exorbitant stegen. Dus werd het ineens populair om buiten de stad concessies te huren, om zelf bomen om te zagen in het bos. Nu is houthakken zelfs voor de professionals een doodlinke bezigheid. McPhee ging dus eens kijken wat er gebeurde als een stelletje stadsbewoners dit deed.
John McPhee, Pieces of the Frame
308 pagina’s
Noonday 1989, oorspronkelijk 1975
in: a-z, reizen, economie, geschiedenis, politiek, bundels, sport, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
zaterdag 22 september 2007
Dit boek leek een verplicht nummer op de lijst, in eerste instantie. Iedereen las het, en dus werd ook mijn mening weleens gevraagd. The God Delusion bleek als hardcover vorig jaar een onverwacht koopsucces te zijn. Zo zeer zelfs dat verschillende internetboekhandels het boek mij met de kerst aantrekkelijk geprijsd te koop aanboden. Dat liet ik passeren. Maar waarom?
Ik had het even gehad met boeken over het geloof. Mee speelde ook dat Max Pam er zo enthousiast over schreef. Er bestaat namelijk zoiets als een Max-parallax, hier al eens eerder gesignaleerd. Die houdt in dat ik het met vrij grote waarschijnlijkheid eens ben met wat mijnheer Pam afkeurt. Daarentegen is het even waarschijnlijk dat ik alles wat hij van harte aanbeveelt met onverschilligheid bezie.
Het is heel nuttig om op zulke bakens te kunnen koersen, die schelen enorm aan tijd.
Maar de paperback van The God Delusion kwam uit, met een nieuw hoofdstuk, en ondertussen waren er bij mij toch ook wel weer wat vragen bij mij gerezen over religie. Hoe komt het bijvoorbeeld toch dat alles gelovig zo onaantastbaar hoog in aanzien blijft staan, ondanks de aantoonbare ridiculiteit?
Zo is de belangrijkste wereldleider van dit moment een mislukt zakenman, die een tijd aan alcohol en cocaïne verslaafd was. Hij overwon deze laatste problemen naar eigen zeggen doordat hij Jezus ontmoette. Onder zijn bezielende leiding viel niet alleen zijn land, maar een heel stel schijnbaar willoze andere staten, de autonome naties Afghanistan en Irak binnen. Terwijl God toch alleen maar aan hem verteld had, dat dit moest.
Dawkins won mijn belangstelling voor dit boek door al snel met precies hetzelfde voorbeeld aan te komen dat ik vaak gebruikt heb om de bizarre status van religie in onze samenleving aan te geven. In de tijd dat ik de militaire dienst weigerde, werd ik begeleid door iemand van de Doopsgezinde kerk. Die deed, heel pragmatisch, alle moeite om iets kerkelijks te ontdekken aan mij. Wie de Commissie gewetensbezwaarden kon vertellen dat Jezus het hem persoonlijk verboden had wapens te gebruiken, had namelijk aanmerkelijk meer kans om erkend te worden dan een ongelovige hond die net cum laude gepromoveerd was op een briljante dissertatie over de uitwassen van blinde gehoorzaamheid in het leger.
Het is door dit soort signaleringen dat dit boek de moeite waard wordt. Tegelijk schiet Dawkins in cultuurhistorisch opzicht ook te kort. Hij blijft aan de observerende kant, en signaleert vooral wat niet aan geloven deugt en er ook nooit aan deugen kan. Tegelijk loopt hij wat te makkelijk weg voor de vraag waarom zo veel mensen zich altijd in een religie organiseren.
Ja, ouders doen het hun kinderen aan. Van Dawkins leer ik dat maar éen op de twaalf gelovigen erin slaagt zich aan de ouderlijke indoctrinatie te ontworstelen. En ja, religies kunnen ook nieuw ontstaan, zoals de cargo-cults in Micronesië; die daar ontstonden om het wonder van de invliegende Amerikanen te kunnen verklaren.
Maar Dawkins doet geen moeite om, zoals een Elias of een Goudsblom wel probeerden, te verklaren waarom mensen zo graag zo’n onproductieve groep mensen als priesters in hun midden tolereren. En daardoor kan hij maar gedeeltelijk de vraag beantwoorden wat er dan zo prettig aan is om alles voorgeschreven te krijgen, en dus niet zelf na te hoeven denken.
Niettemin, ondanks de makkelijk te signaleren gebreken is dit een uiterst geestig en intelligent geschreven boek, dat zeker geen straf was om te lezen.
Richard Dawkins, The God Delusion
463 pagina’s
Black Swan Books 2007, oorspronkelijk 2006
in: a-z, recht, religie, politiek, filosofie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Richard Dawkins-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zondag 23 september 2007
Frederick Schiller Faust heette de man, maar hij publiceerde honderden boeken onder verschillende pseudoniemen. Zoals Max Brand. Eerder stond ik elders al eens stil bij het gegeven hoezeer pulpboekjes als die van hem hebben bijgedragen om van mij een lezer te maken.
Faust stierf in 1944. Zijn kojbojboekjes spelen zich af in een tijdloos verleden even daarvoor, waarin paarden nog het belangrijkste vervoermiddel waren.
Ik had er even behoefte aan gedachteloos snel wat tussendoor te kunnen lezen. Om éen of andere reden ben ik op het moment in wel vijf boeken tegelijk bezig van meer dan 400 pagina’s. Die schieten niet op.
En Max Brand was heel niet slecht voor het hap-slik-doorlezen. Vooral de duidelijk Vlaamse vertaling uit het Engels was zonder meer plezant, omdat die mij nieuwe uitdrukkingen opleverde als:
Je deed het dus niet alleen om haar stiefvader een pad in de korf te zetten? [120]
Goed, een boekje als dit bestaat dan uit een schematisch verhaal, nogal veel dialoog, en opvallend weinig beschrijvingen. Daardoor heeft het vaart. Dat schema was in dit geval zelfs interessant te noemen — buitenwereld houdt jonge krachtpatser voor veel bedreigender dan hij is — en de plot kwam nog vrij onverwacht.
Het is nu niet zo dat ik, zoals bij een Dick Francis, behoefte voel al die vijfhonderdzoveel boekjes van Faust te gaan lezen. Tegelijk had het allemaal veel erger gekund.
Max Brand, De schrik van het westen
144 pagina’s
Zuid Nederlandse Uitgeverij | Centrale Uitgeverij, 1973
Vertaling van: The Big Trail, 1956?
in: a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Max Brand-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 24 september 2007
De dissertatie is nogal in status gedaald hier de afgelopen decennia. Dit komt mede door bezuinigingen van enkele CDA-kabinetten in de jaren tachtig. Kregen potentiële onderzoekers voorheen nog gewoon een aanstelling aan de universiteit, vanaf toen werd hun status een aparte. Personeel met alle rechten van personeel werden ze nooit, maar studenten waren ze ook niet meer. Zelfs al werden velen onder hen in de jaren negentig afgescheept met een uiterst minieme beurs, in plaats van een gewoon salaris.
Naast al dit is de gemiddelde dissertatie opvallend weinig waard, buiten het universitaire circuit. Potentiële werkgevers hebben liever iemand die zich nog niet zo duidelijk in éen richting heeft gespecialiseerd.
Deze twee ontwikkelingen maken samen dat ik me bij ieder proefschrift altijd afvraag waarom iemand dit geschreven heeft.
Mede daarom ook ben ik zo vrij deze dissertatie als een interessante anti-dissertatie te lezen, die misschien zelfs kan worden opgevat als een belediging van de universitaire praktijk.
In dit proefschrift komen namelijk twee stemmen aan het woord; die van de filosofe M. Februari, en van haar alter ego de schrijfster Marjolijn Drenth [wier tweeën, om het simpel te houden, tegenwoordig samen publiceren onder het pseudoniem Marjolijn Februari].
De schrijfster van hen vertelt een verhaal, waarvan de lezer, zoals dit met verhalen gaat, zelf van alles in-, op-, en aanvult. Daarmee verduidelijkend dat we ook weten zonder dat ons alles verteld hoeft te worden.
De onderzoekster, daarentegen, bekijkt de gebreken van een aantal veelgebruikte modellen om de werkelijkheid te beschrijven. Veel ontleent ze daarbij aan het werk van de econoom Amartya Sen, die onder meer nogal wat kritiek heeft op het idee dat er een ‘homo economicus’ zou bestaan; die altijd doelbewust kiezende consument. En er is ook weinig merkwaardiger om te willen bevatten wat er gebeurt, dan door daar een model voor te nemen, waarvan vooraf bekend is dat het niet klopt.
Toch bloeit het geknutsel in de modelbouw nog immer, op alle universiteiten.
Een belangrijke vraag die de auteurs oproepen, in de synthese van wat zij beide schrijven, is ook wat voor zin het heeft weer een boek toe te voegen aan de oneindig groeiende stapel.
Het antwoord daarop is wat mij betreft dat elke poging iemand anders te willen vermaken nuttig mag heten. Zeldzaam zijn de boeken waaruit zulke duidelijke vragen over zowel vorm, als over inhoud naar voren komen. Ook zullen de auteurs na hun gezamenlijke productie een paar stappen verder zijn gekomen in hun ontwikkeling.
M. Februari & Marjolijn Drenth, Een pruik van paardenhaar
& over het lezen van een boek
Amartya Sen en de onmogelijkheid
van de Paretiaanse liberaal
220 pagina’s
E.M. Querido’s uitgeverij bv, 2000
in: a-z, kennis, filosofie, cultuur, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de M. Februari & Marjolijn Drenth-pagina
woensdag 26 september 2007
Dorfman schrijft op een manier die de analytische lezer in mij erg blij maakt. De verhalen in een bundel als deze kloppen. Bovendien zijn ze behoorlijk geladen, meestal door de indirecte verwijzingen dat de personages in een totalitaire staat leven.
Dit maakte het lezen van My House is on Fire een genoegen, al is dat genoegen vooral intellectueel. Om éen of andere reden blijft er afstand tussen mij en de personages die Dorfman opvoert. Juist omdat hij óver hen schrijft, en niet dóor hen schrijft.
Meest geslaagd in deze bundel was voor mij daarom het verhaal ‘The Reader’. Omdat ik voor de verandering wel de ontwikkeling in het belangrijkste personage mee mocht maken.
‘The Reader’ gaat over een adviseur van een uitgeverij.
Weliswaar is in het land van die uitgeverij de censuur vooraf inmiddels afgeschaft, censuur achteraf is wel degelijk mogelijk. Dit maakt het publiceren van elk boek een halszaak. Iedere verwijzing of metafoor die kritiek op het regime kan inhouden, leidt tot een verbod, en arrestaties, en meer. Maar de hoofdpersoon van dit verhaal is goed in zijn werk; hij weet doorgaans met pauselijke onfeilbaarheid te oordelen over wat kan, en wat niet. Toch is hij niet blind een dienaar van het regime.
Dan moet hij een roman goedkeuren voor uitgave die over hemzelf lijkt te gaan.
meer Dorfman op boeklog
Ariel Dorfman, My House is on Fire
167 pagina’s
Penguin Books 1991, oorspronkelijk 1990
in: a-z, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Ariel Dorfman-pagina
donderdag 27 september 2007
Dit moet verreweg het meest ambitieuze boek zijn dat ik de laatste jaren gelezen heb. De makers hebben hier namelijk in geprobeerd een grote wereldgeschiedenis schrijven, over de wisselwerking tussen de mens en zijn omgeving. Maar omdat ik dit boek van kaft tot kaft las, leek het of zo halverwege ontdekt werd dat dit oorspronkelijke uitgangspunt lang niet haalbaar was. Van toen werd wat flux een hink-stap-sprong door de tijd ingezet.
Ook stammen de verschillende auteurs uit heel diverse wetenschappelijke disciplines, en heeft het blikveld niet altijd even veel scherptediepte bij hen.
Enfin, laat ik vooral waarderen wat het ambitieuze uitgangspunt heeft opgeleverd. Want dat is absoluut veel.
Vragen komen in dit boek langs als: hoe temde de mens de natuur, en welke gevolgen had dit dan?
Tegelijk houdt een aantal de auteurs zich bezig met de vraag welke sociologische modellen er te maken zijn om zulke ontwikkelingen te beschrijven. Drie opeenvolgende cycli worden bijvoorbeeld onderscheiden: de beheersing over het vuur, die ontwikkeling van de landbouw, en de industrialisering. Toch levert die modelbouw soms wat potsierlijke alinea’s op, als getracht wordt te definiëren waarover gesproken wordt, omdat dit eigenlijk dan altijd vanzelfsprekend is. Maar goed, noem het maar mijn handicap dat ik altijd lachen moet als iemand me gaat uitleggen wat een kind al begrijpt. Er staat me dan gewoon te veel lege taal in de tekst.
Willekeurig voorbeeld, de introductie van hoofdstuk 2:
Human life, like all life, consists of matter and energy structured and directed by information. All life is part of an ecosystem; all ecosystems together constitute the biosphere — the total configuration of living things interacting with each other and with non-living things. Every form of life continuously affects, and is affected by, its ecosystem.
Geen van deze mededelingen had me gestoord als ze los van elkaar in de tekst hadden gestaan; ter adstructie, of in een lopende bewijsvoering. Bij elkaar worden ze voor mij zeldzaam potsierlijk.
Interessantst vond ik uiteindelijk de artikelen waar de auteurs het meest op bestaande kennis leunden. Bijvoorbeeld aan een studie van de eigenlijke mechanismen achter het Romeinse Rijk werd mij hun visie veel duidelijker dan in de meer abstracte hoofdstukken. Al was het maar omdat me dan wel zichtbaar is waar de kennis ophoudt, en de interpretatie begint.
Dit boek werkte wel naar een voorspelbare conclusie toe. De invloed van de mens op zijn omgeving is de laatste eeuwen sterk toegenomen. Natuurlijk. Ik begrijp de zorg die bijvoorbeeld Goudsblom daarover in het laatste artikel uitspreekt; ook al omdat die in al zijn eerdere boeken doorklinkt. En tegelijk zijn alle pogingen daar voor in dit boek, om te begrijpen waarom sommige ontwikkelingen nauwelijks te remmen zijn, veel boeiender.
B. de Vries and J. Goudsblom (eds.), Mappae Mundi
Humans and their Habitats in a Long-Term
Socio-Ecological Perspective
Myths, Maps and Models
446 pagina’s
Amsterdam University Press, 2002
in: [web] technologie, a-z, economie, geschiedenis, biologie, cultuur, essays, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de B. de Vries & J. Goudsblom (eds)-pagina