maandag 1 oktober 2007
Het is waarschijnlijk geen wonder dat Norbert Elias etiquetteboeken gebruikte om zijn theorieën te illustreren over de veranderingen in cultuur en civilisatie. Etiquetteboeken zijn tijdcapsules.
In dit boek wordt bijvoorbeeld meermaals de waarschuwing uitgesproken dat een echte man geen sokken aantrekt, als hij sandalen draagt. En als ergens tegen gewaarschuwd wordt, betekent dit ook dat het verschijnsel regelmatig voorkomt.
Overigens is dit boekje nog meer dan alleen een etiquettegids voor de man. Het hoort ook tot een ander genre. Dat van het zelfhulpboek. Het Amerikaanse zelfhulpboek bovendien, wat het bovenmatig optimistisch maakt over de structurele veranderingen die de lezer nog kan doormaken.
Als die maar wil, kan alles.
Van die dingen.
Ik geef toe een boekje als dit vooral te lezen om het humoristische effect dat onbedoeld optreedt als een Amerikaans zelfhulpboek naar het Nederlands wordt omgezet. En het was ditmaal smullen, omdat het de bewerkers niet echt lukte de toon van het boek te temperen om het wel bij de Nederlandse ideeën over de juiste maat te laten passen.
Om de loop van de geschiedenis te veranderen heb je waarschijnlijk meer nodig dan het amusante boekje dat je nu in handen houdt [10]
staat er dan. Maar vlak daarvoor gaat het wel over de sleutels tot persoonlijk succes. En die worden slechts geïllustreerd door selectief wat eigenschappen van enkele genieën op te noemen.
Tegelijk houdt Flocker zijn lezer voor tamelijk debiel. Uit zijn waarschuwingen determineer ik op dat hij zijn publiek ziet als obese TV-verslaafden, met een voorliefde voor fastfood, en de culturele bagage van een zilvervisje.
Stereotype Amerikanen, dus.
Wijn hoor je langzaam te drinken. Neem kleine slokjes, geniet van de smaak, maar sla de wijn niet als een glas limonade achterover. Als je dorst hebt, vraag je de ober om wat water bij de wijn. [38]
Nee, wat dit boekje werkelijk op een bizarre manier fascinerend maakt, is dat de auteur op nogal denigrerende wijze van ons onbenul uitgaat, en daar tegenover totaal optimistisch stelt dat dit allemaal niet uitmaakt. Alles kan echt nog helemaal goed komen. Volg deze regeltjes maar. Zo veel zijn het er niet. En al doende, wordt het makkelijk een aantrekkelijker eigen ik te vinden.
Michael Flocker, Metroseksueel
Het handboek voor de moderne man
175 pagina’s
A.W. Bruna Uitgevers, 2004
vertaling van The Metrosexual Guide to Style, 2003
in: leerboeken, a-z, vertaald, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Michael Flocker-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 2 oktober 2007
Wat is een goede Nederlandse vertaling voor het begrip ‘comfort books’? ‘Troostlezen’ gaat me te ver. ‘Verwenlezen’ komt misschien dichter in de buurt, maar dat klopt weer niet helemaal met mijn beleving daarvan. Mijn verstand moet ook meedoen bij verwenlezen; mijn lievelingsauteurs kunnen niet alleen goed schrijven, ze hebben me ook iets te melden dat ik niet wist, of niet eerder zo bekeken had.
Laat me daarom maar omschrijven waarom ik eens in de zoveel tijd boeken van Nevil Shute wil lezen. Ondanks dat die bijna altijd in de Tweede Wereldoorlog spelen, en ik daarop ben uitgekeken als decor voor een boek.
Shute is een uiterst vaardig verteller. Bovendien lijkt hij me een goed mens te zijn geweest. Zo’n romannetje als dit gaat in wezen over de elementaire vraag waarom de ene mens beter zou zijn dan de andere. Uiterlijke kenmerken, achtergrond, of religie hebben daar in elk geval niets mee van doen.
Daarnaast was Shute van oorsprong een technicus. Hij ontwierp vliegtuigen. En de boeken van technici kloppen intern.
Ik weet dat wanneer ik aan zo’n boekje als dit begin, er me binnen twintig pagina’s genoeg is aangeboden om almaar door te willen lezen. En goed, dan is dit een boek uit 1947. Heeft dit het verteltempo uit die tijd, waar schrijvers van nu wat minder zouden uitleggen. Gaat het deels over de preoccupaties uit die tijd.
Maar dit maakt allemaal niet uit.
En die zekerheid heb ik vooraf.
Nevil Shute, The Chequer Board
272 pagina’s
Pan Books 1968, oorspronkelijk 1947
in: a-z, books in english, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nevil Shute-pagina
donderdag 4 oktober 2007
Dit zal stiekem mijn lievelingsroman van Shute zijn, ondanks dat het plot al in de titel wordt weggegeven. Zonder twijfel is het de grootste tranentrekker die ik van tijd tot tijd lees. Maar gek genoeg, ook als is van tevoren bekend dat er een vrouw doodgaat — en al kan het alleen maar de bedoeling van de schrijver zijn dat we veel van haar gaan houden — toch werkt dit boek. Iedere keer opnieuw. Ondanks dat ik zeker weet tot medeleven gemanipuleerd te gaan worden.
Misschien speelt mee dat ik dit boek op een nog gevoelige leeftijd leerde kennen. Elders heb ik immers weleens betoogd nu niet gauw meer boeken te lezen waarvan de trieste afloop me in het voor al bekend is.
Het is ook werkelijk allemaal desondanks. Een boek als dit heeft werkelijk heel veel tegen voor mij. Zo is de Tweede Wereldoorlog een zeer wezenlijk deel van het decor in dit boek, terwijl ik een hekel heb aan oorlogsverhalen.
Al is wel weer mooi dat het wijste personage beseft hoe vormend die oorlog was voor haar. Dat het een avontuur kon zijn, juist omdat ze, jong en ongebonden, verder nauwelijks persoonlijke zorgen had. Behalve dan dat ze af en toe zeer sterke emoties doormaakte met haar collega’s bij het vrouwencorps van de Britse marine.
Nee, elke keer als ik dit boek na het lezen wegleg, is er opnieuw die verbazing.
Toch er weer voor gevallen.
Nevil Shute, Requiem for a Wren
253 pagina’s
Pan Books zj, oorspronkelijk 1955
in: a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nevil Shute-pagina
vrijdag 5 oktober 2007
Vuijsje is een socioloog, en van sociologen kwamen tot nu toe de enige inzichten over geloof die me werkelijk wat zeiden. Een groot probleem van haast alle boeken in de categorie religie hier is namelijk dat die alleen maar afkeuren. Of belachelijk maken. En dat is misschien leuk voor de schrijvers om te doen, maar dat maakt hun woorden niet per se informatief. Toegegeven, een aantal onder hen kan heel amusant formuleren. Alleen helpt het onderschoffelen van religie mij niet om te verklaren waarom er dan zo veel gelovigen zijn.
In dit boek staan eindelijk eens antwoorden op een vraag als deze. Misschien omdat Herman Vuijsje dezelfde positie inneemt als ik. Ook hij gelooft niets, is evenmin zo opgevoed, maar heeft wel een fascinatie voor de vraag waarom mensen zich gedragen zoals ze zich gedragen.
En met zo’n vraag als uitgangspunt worden georganiseerde religies ineens een veel rijker studieobject dan al die openlijke atheïsten lijken te beseffen.
Waar ik nog niet uit ben, is of het goed is dat Vuijsje zich vooral tot de beschrijving van tendensen beperkt, en niet heel diep analyseert. Ja, er kan een duidelijke secularisering worden waargenomen hier, in Nederland. En beschreven wordt ook welke tussenfasen er allemaal zijn tot mensen het georganiseerde geloof helemaal durven op te geven. Maar toch blijft de vraag me iets te veel open wat dan de oorzaken zijn achter die ontkerkelijking; behalve dan dat ik daar zelf zo wel wat cliché-antwoorden op heb.
Nadenken over de oorzaken van de secularisatie zegt ook veel over wat het geloof dan bood, of biedt. Denk ik dan.
Waarmee trouwens niet gezegd zij dat Vuijsje niet uitgebreid en goed ingaat op wat religie zijn kan. Zelfs al leunt hij daarbij op de inzichten van zijn tante Jopie:
Ik heb weleens geprobeerd de ontwikkelingen in de fysica te volgen,’ zei ze, ‘maar het antwoord op iedere vraag werpt alleen maar nieuwe vragen op. Zijn we echt zoveel verder dan “In den beginne schiep God hemel en aarde” als we zeggen: “Eerst was er de Big Bang?” Er zijn dingen die de menselijke macht, denkkracht en emotie te boven gaan. Onderwerping daaraan zou je misschien als een religieus gevoel kunnen bestempelen.
Ik denk dat tante Jopie gelijk had en dat de huidige ruzies over het al of niet bestaan van God toekomstige generaties met onbegrip vullen zal. [209]
Overigens is dit een fraai en rijk geïllustreerd boek. Al stoorde het me wel eens als het lopende verhaal ineens onderbroken werd door een dubbele pagina met iets anders, zoals de beschouwingen met kindertekeningen van een tentoonstelling.
meer Vuijsje op boeklog
Herman Vuijsje, Tot hier heeft de Heer ons geholpen
Over Godsbeelden en goed gedrag
271 pagina’s
Uitgeverij Contact, 2007
in: a-z, geschiedenis, religie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman Vuijsje-pagina
zondag 7 oktober 2007
Een Amerikaan kwam eind jaren negentig naar Nederland. Hij ging er werken voor een niet met name genoemd bedrijf in het Zuiden des lands, dat onder meer televisies maakt. Lang genoeg bleef hij om de taal te leren, en de cultuur iets te doorgronden. Toch vertrok hij na een paar jaar weer naar de VS. Weliswaar hadden de Nederlanders indruk gemaakt. En ook heeft hij zijn vrouw hier leren kennen. Maar de wereld daarbuiten bood hem meer mogelijkheden tot persoonlijke ontplooiing.
Tot zover de samenvatting van de achtergronden bij dit boek, dat er éen is uit een inmiddels hele bibliotheek van hoe buitenlanders ons land bezien.
Meestal zijn zulke boeken amusant. Dat was dit werk ook wel, tot ergens op de helft. Het sterkst vond ik Stupp in zijn beschrijvingen van hoe hij als Amerikaan totaal onvoorbereid kennismaakt met de Nederlandse cultuur van regels, en de functionarissen die alle regels zo dom heilig verklaren.
In die hoofdstukken houdt hij ons een spiegel voor die onbarmhartig is; als een paskamerspiegel in een met TL verlichte winkel.
Na die eerste harde confrontaties met de Nederlandse werkelijkheid gaat Stupp het land uitleggen aan een ongetwijfeld Amerikaans publiek. Dan wordt hij ineens van redelijk objectieve waarnemer tot een bevooroordeelde partij.
Misschien dat in die tweede helft aan hoofdstukken onderwerpen aangesneden worden die pas aangedragen werden toen hij inmiddels zijn vrouw had leren kennen. Misschien dat Stupp meer geïntegreerd is dan hij dacht. Maar het was of de tweede helft van het boek geschreven is door een landgenoot, in plaats van een toevallige voorbijganger. Dit maakt dat dit gedeelte wat overbodig aanvoelde.
Steven Stupp, Beneden de zeespiegel
Een Amerikaan in Holland
200 pagina’s
Uitgeverij Balans, 2003
in: typisch hollands, a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Steven Stupp-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 8 oktober 2007
Ik las deze bundel met grote onderbrekingen, al hadden die een reden. Door Untold Stories ging ik me afvragen waarom Writing Home in vertaling zo dun was. Terwijl het vergelijkbare boeken zijn, omdat ze verzamelen wat Bennett in een tiental jaar zoal geschreven heeft aan dagboeken, voorwoorden, en ander los materiaal.
Toen bleek me dat Thuis Schrijven wel een erg magere afspiegeling was van Writing Home. Dus wilde dat laatste boek besteld hebben, en toen ook eerst maar gewoon gelezen.
Gelukkig maar dat een bundel makkelijker weg te leggen en op te pakken is dan een roman of een monografie.
Typerend bij dit boek was wel dat ik die kleine tweehonderd pagina’s aan dagboek over de periode 1996 - 2004 met de meeste aandacht gelezen heb. Of herlezen. Want de London Review of Books, waarin die dagboekfragmenten verschijnen aan het begin van elk nieuwe jaar, zet ze dan ook even online.
Het talent van een schrijver openbaart zich misschien wel het meest in spontane aantekeningen. Juist omdat er zo weinig vorm zit aan een dagboek, wordt een verzameling dagboekteksten alleen boeiend door de stijl, en het vermogen tot waarnemen van de auteur. Bennett heeft beide, en humor daarbij.
Het grootste deel van deze bundel gaat over zijn familie, en over Bennett’s strijd tegen kanker. Hij is dit boek ook begonnen met het idee dat het weleens een postume uitgave kon worden. In Groot-Brittannië, waar Bennett bekend genoeg is om uitgenodigd te worden voor deelname aan ‘Celebrity Big Brother’ of dat soort shows, maakten die persoonlijke onthullingen nogal wat los in 2005. Heel oneerbiedig vond ik die juist die stukken aanmerkelijk minder boeiend dan zijn andere werk hier verzameld. Mij interesseerden de stukken over het werk aan toneelstukken als History Boys, of The Lady in the Van bijvoorbeeld veel meer.
meer Bennett op boeklog
Alan Bennett, Untold Stories
658 pagina’s
Faber and Faber 2006, oorspronkelijk 2005
in: a-z, toneelstukken, [auto]biografisch, bundels, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Alan Bennett-pagina
dinsdag 9 oktober 2007
Alles had ik van Philip Larkin gelezen. Zijn dichtbundels. De nooit gebundelde poëzie. De recensies. De stukken over jazz, hoewel die muzieksoort me niet eens interesseert. Het Liber Amicorum dat uitkwam bij zijn zestigste verjaardag. De brieven.
Maar deze bloemlezing met door hem uitverkoren gedichten niet. Daar leek het boek me te dik voor.
Onbewust voelde ik misschien wat me bijvoorbeeld bij Komrij is opgevallen. Dat de dunne bloemlezingen veel aardiger en origineler zijn dan die dikke tweebander.
Een boek waarin de poëzie uit een hele eeuw verzameld is, zou me niets extra’s over Larkin leren, dacht ik. Tot ik de dagboeken van Alan Bennett las, die daarin nogal wat opmerkingen maakt over deze bloemlezing. Hij klaagt daarbij dat Larkin zo veel totaal onbekende zielsverwanten heeft uitgezocht voor de bundel. Die helaas niet allemaal hetzelfde talent hebben als de meester.
Toch was die ene opmerking, dat Larkin niet alleen staat in toon en onderwerp, voor mij genoeg reden om eens moeite te doen dit boek te pakken te krijgen. En ik moet zeggen, voor een bloemlezing staan er zeldzaam weinig gedichten in die ik vervelend vind.
Vanzelfsprekend komt elke grote Brit langs die in de twintigste eeuw ook maar éen regel aan vers op papier heeft gezet. Voor zover ik hun werk al niet kende, schonk dit aanbod niets wat mij verraste.
Nee, het waren inderdaad de mij onbekenden, waarover ook de internetten vrijwel geheel zwijgen, die met éen soms twee gedichten even iets heel aardigs brachten. Gerald Gould? Ruth Pitter? John Lehmann?
meer Larkin op boeklog
Philip Larkin (ed.), The Oxford Book of Twentieth Century English Verse
641 pagina’s
Clarendon Press, 1973
in: aanbevolen 2007, a-z, bundels, poëzie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Philip Larkin-pagina
woensdag 10 oktober 2007
Er is iets merkwaardigs met dit boek. Als ik hier zou schrijven mee te kunnen gaan in de analyses van Veenbaas, heb ik namelijk meteen partij gekozen in een nu al jaren slepend conflict in de Friese schrijverswereld. En dat conflict interesseert me niet eens.
De Friese literatuur is in meerdere opzichten klein. Kleiner nog dan de provincie. Dit komt alleen al omdat de taal vanouds vooral een spreektaal is. Een groot aantal mensen dat de taal dagelijks gebruikt, heeft er problemen mee om ook maar iets in het Fries te lezen. En Fries schrijven, is al helemaal een daad. Ik maakte daar op mijn andere weblog vaker melding van.
Wie kijkt naar wat er voor boeken in het Fries uitkomen in een jaar, zal dan ook meteen opvallen dat werkelijk alle normale bulk mist.
Tienduizenden titels verschijnen er elk jaar nieuw in het Nederlands, en die bestaan voor het grootste deel niet uit literatuur. Natuurlijk niet. Maar schoolboeken, agenda’s, kookboeken, gidsen, of noem al die soorten gebruiksteksten op waarvan menig uitgeversconcern leeft, worden in het Fries niet of nauwelijks uitgegeven. Zelfs non-fictie verschijnt er amper.
Wat er vooral op de markt komt, zijn literaire romans. Of dichtbundels. En kinderboeken. De Friese boekenmarkt heeft daarmee een kwetsbaar waterhoofd, dat getorst wordt door uiterst iel nekje, en het bezit het lichaam en de weerstand niet om gezond in leven te kunnen blijven. Uitgever Abe de Vries somde onlangs op dat er bijna alle uitgaven in het Fries verlies opleveren, maar dat de provincie gelukkig bijspringt met subsidies.
Wat de Friese schrijverswereld daarentegen in overvloed bezit, is pretentie. De ego’s zijn er soms groot, en dan ook nogal gelijkhebberig.
Alleen speelt mee dat waar de belangen het kleinst zijn, de toon het felst is, en de ruzies het hoogst oplopen. Dit mechanisme ken ik maar al te goed uit de academische wereld.
Zo mag Jabik Veenbaas niet over Josse de Haan schrijven wat hij over De Haan schreef. In deze bundel. Of in het Wolkenboek; een luxe uitgegeven koffietafelboek over de Friese taal dat merkwaardig genoeg de status heeft gekregen van leerboek op sommige universiteiten. Terwijl het me daar helemaal niet voor bedoeld lijkt.
Josse de Haan krijgt deze maand de Gysbert Japicxpriis uitgereikt voor zijn oeuvre. Volgens de provincie vanwege zijn bijdrage aan de vernieuwing van de Friese literatuur.
Fijn voor De Haan. Nog gefeliciteerd.
Alleen schrijft hij doorgaans het experimentele proza dat mij geen twee minuten boeien kan. Wat De Haan wil, is spelen met de taal. Wat ik van een schrijver eis, is heel simpel dat die mij boeit. Dit kan heel goed door iets te zeggen op een geheel nieuwe manier. Mits aan de normale voorwaarde voldaan is dat zo’n tekst blijft communiceren.
Maar in wat ik van Josse de Haan las, weigerde hij pertinent aan de elementaire voorwaarde te voldoen om mij redenen te geven door te willen lezen. Er zijn miljoenen boeken op de wereld die wat dit betreft meer bieden, dus is het niet moeilijk zo’n oeuvre vervolgens geheel te negeren. Even goede vrienden. Maar dank u. Veel succes verder gewenst.
Veenbaas zou als prozarecensent voor de Leeuwarder Courant onbarmhartig gewezen hebben op de gebreken aan in Josse de Haan’s roman Piksjitten op Snyp. Deze recensie is onder meer gebundeld in dit boek. Ik kende dat stuk alleen nog maar van reputatie, en het viel me behoorlijk mee in zijn mildheid. Evenmin lukte het mij iets vreselijks onvertogens te ontdekken in de lange beschouwingen over De Haan’s wapenbroeder Trinus Riemersma.
De Friese boekenwereld heeft niet alleen een topzwaar waterhoofd, maar ook mijlenlange tenen. Misschien om niet meteen om te kieperen.
Nu leeft er oud zeer tussen Veenbaas en De Haan, waar de laatste ook al uitgebreid over geschreven heeft. Oud zeer — het zou weer eens niet. Maar wat is het toch zonde van mijn tijd dat ik me in dat geneuzel verdiepen moet.
En ben ik hiermee nu ineens op Veenbaas’ hand, en is dit bundeltje voortaan mijn bijbeltje om de Friese literatuur mee te beoordelen? Absoluut niet. Wel prijs ik Veenbaas als lezer. Hij heeft zich hele oeuvres van Friese schrijvers eigen gemaakt, en ik waardeer hem zeer om het rijke overzicht dat hij hier biedt van het werk van een dichter als Tjêbbe Hettinga, of een romancier als Durk van der Ploeg.
Veel minder interesseert me het eerste gedeelte uit deze bundel, dat volstaat met tamelijk academisch geliteratureluur. Deze essays illustreren voor mij weer eens alleen dat je de wereld wel kunt willen verklaren met theorieën en modellen, maar dat de werkelijkheid zich daar erg weinig van aan hoeft te trekken.
Voor mijn wens om iets meer overzicht te krijgen van wat de Friese literatuur te bieden heeft, naast een enkele dichtende witte raaf, bood De lêzer is in duvel mij daarom wel iets concreets, maar uiteindelijk toch wat weinig.
En gaat over tot de orde van de dag.
Jabik Veenbaas, De lêzer is in duvel
essays
159 pagina’s
Utjouwerij Bornmeer, 2003
in: boeken over schrijven, a-z, bundels, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jabik Veenbaas-pagina
donderdag 11 oktober 2007
In 2004 interesseerde dit pamflet van de Franse econome Corinne Maier me wel. Alle aandacht ervoor intrigeerde. Ik heb toen ook nog moeite gedaan met mijn kleinenegertjesfrans en een verouderd schoolwoordenboekje haar ‘tien geboden van de calculerende werknemer‘ naar het Nederlands over te zetten.
Wat recensies, een gepubliceerd hoofdstukje online, en een interview met de schrijfster volstonden toen wel. Het boekje kocht ik niet, in het Frans, noch in de vertaling die er toen vrij snel kwam. Mij leek het niet dat Maier iets te zeggen zou hebben dat Scott Adams al niet leuker had geformuleerd over de waanzin van het loonslavenbestaan. Of desnoods Marx.
De hype zou wel weer overwaaien.
En inderdaad is het pamflet tegenwoordig voor heel weinig in de ramsj te bekomen. Ik las het uit in de wachttijd tot mijn trein kwam, en dit kon ook makkelijk. Er staat niet zo veel tekst in.
Interessant is dit boekje dan wel om het inzicht in de Franse economie, die toch hiërarchischer is dan wij gewend zijn. Anderzijds, in katholieke landen is dit zelden anders, die zijn gewend aan een kerk met een onfeilbare paus en de kringen daaromheen.
Boeiender vind ik de vraag die Maier nauwelijks aanstipt, maar mij juist fascineert. Wat is er toch zo aantrekkelijk aan een bestaan in loondienst, waarin anderen bepalen hoe iemands dag wordt besteed? En, waarom sterven bij zo veel mensen die vrijwillig hiervoor kiezen toch zo veel stukken af?
Midas Dekkers wees me er ooit op, in een column of een boek, dat elk getemd dier een stuk minder hersencapaciteit heeft dan zijn wilde soortgenoot. Er wordt aan eigenheid ingeleverd in ruil voor de verzorging.
Daar moet ik nog weleens aan denken. Zeker na het lezen van een survivalhandboekje als dit.
Corinne Maier, Liever lui
De kunst van het effectief nietsdoen op het werk
123 pagina’s
Spirit, 2003
Vertaling van: Bonjour paresse
in: leerboeken, economie, a-z, en français [& vertaald], vertaald, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Corinne Maier-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 13 oktober 2007
Als ik mijn belangrijkste klacht over boeken, of de media in het algemeen, moet samenvatten, dan luidt die: vertel me liever eens iets dat ik nog niet weet. Alleen heel kleine kinderen krijgen van herhaling nooit genoeg. Door mij almaar meer van hetzelfde voor te schotelen, infantiliseert u mij.
Vandaar dat ik zo blij ben soms weer een boek te mogen lezen als dit. Dat me, ondanks de gebreken, met een geheel nieuwe blik naar de werkelijkheid laat kijken.
Over die gebreken kan ik overigens kort zijn. De auteur weet te veel, en daardoor mist dit boek vaak een dwingende lijn. Op het moment dat Kurlansky redenen genoeg heeft om de stap te maken van de traditionele zoutwinning naar de moderne industrie, komt er nog weer een uitstapje over de betekenis van zout voor de Inca’s; en dat soort grappen.
Ik geef ook toe, ik houd van dit soort totaalgeschiedenissen. Goudsblom over het vuur, Van Dalen over Arabische gom, Ileen Montijn en het gewone leven, Pitman over blond haar — de wereld krijgt altijd rijkdom als een goed schrijver op de betekenis wijst van een eerder onopvallend detail.
Maar zout?
Ook ik, als academisch geschoold historicus, kijk met ogen van nu naar het verleden. En was daarom blind.
Natuurlijk zout. Het is zo logisch als wat. Denk er maar eens over na hoe voedsel bewaard werd in de dagen voor de conserven, de koelkast, de vriezer, de supermarkt. Zout was niet voor de smaak, zout was éen van de weinig middelen om ervoor te zorgen dat het eten niet al te ver wegrotte.
Eenmaal dit verband gelegd, wordt ook de grote economische betekenis duidelijk van zout. Eenmaal zo bekeken, is zelfs de hele wereldgeschiedenis te herschrijven. In elke oorlog, tot de twintigste eeuw, waren de winplaatsen van zout van strategisch belang. Sterker nog, hele kloosters, dorpen, en zelfs steden ontstonden nabij een plaats waar zout te vinden was. Soms kwam dit dan in de naam terug.
Ik moest meteen aan Bob den Uyl denken bij het lezen, en diens verhandeling over de operettetekst ‘Im Salzkammergut, da ka’mer gut, lustig sein’.
Kurlansky houdt behalve van geschiedenis ook van koken. Dit boek is daarom deels te beschouwen als een kookboek; beschrijvingen van voedsel en de bereiding daarvan zijn er volop. Heel soms stoort dit, als we nog weer even bij de Inca’s of de Azteken langs moeten, maar vaker verheldert dit ook.
Zo liet hij mij eindelijk eens nadenken over de Hanze; dat handelsverbond van steden. Dat natuurlijk een verbond was om zout. En ook om het volksvoedsel vis. Maar om vis te kunnen verkopen, moest die in zout worden bewaard. De Hanze kon zo groeien, omdat die garandeerde dat in een vaatje vis de hele inhoud even goed was als wat de koper kon zien. In tegenstelling tot andere verkopers. En via de Hanze, en dat zout, lees ik dan ineens geboeid een verhandeling over de verschilde soorten haring die er ooit waren.
Zo legt Kurlansky een rechtstreekse link tussen het verdwijnen van de haring in de Oostzee, en het achteruitgaan van de Hanze als economische macht. Het product waarop zij een monopolie hadden, was niet langer voorhanden. En Noordzeeharing werd door anderen geleverd.
Wat wel opvalt trouwens, is dat bijna alle gezoute voedsel dat hij beschrijft ooit goedkoop volkseten was, en nu haast alleen nog in de delicatessenwinkels verkocht wordt.
Enfin, in opbouw en structuur was dit dus lang niet het beste boek dat dit ik las in 2007. Ook stond mij er iets te weinig in over die latere fase in de geschiedenis van de zoutindustrie, toen de chemie duidelijk werd achter de stabiele producten van zuur & base. En toch is me zelden meer aangereikt de laatste maanden om korrels van al bij mij aanwezige kennis steviger aaneen te kitten.
Mark Kurlansky, Salt
A World History
484 pagina’s
Jonathan Cape, 2002
in: aanbevolen 2007, a-z, [web] technologie, geschiedenis, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Mark Kurlansky-pagina
zondag 14 oktober 2007
Vele malen werd de ondergang voorspelt, maar nog altijd is het Fries in levend gebruik. Door Douwe Tamminga is dit verschijnsel de taaiheid van taal genoemd, en deze uitspraak werd gretig door de politicus Bertus Mulder geparafraseerd in de titel van dit bundeltje. Twaalf jaar was Mulder namens de PvdA gedeputeerde van de provincie Fryslân. In zijn portefeuille zat altijd cultuur. Dit boekje biedt een overzicht van wat hij in die tijd heeft bereikt.
Nu blijven talen misschien wel onverwacht lang bestaan, maar de woorden in zo’n taal willen nog weleens subtiel van betekenis veranderen. Tegenwoordig wordt alleen in het bejaardentehuis over de ‘Ouwe taaie’ gezongen. Yippie yippie yee. Maar ikzelf gebruik bijvoorbeeld het woord taai vrijwel alleen als negatieve kwaliteitsaanduiding; als het over vlees als leer gaat, in een restaurant.
Er gaapt een generatiekloof. Ik begrijp wel wat Mulder met de titel van zijn boek bedoelt. Maar ik lees die toch vooral als de waarschuwing dat het Friese taalbeleid nauwelijks nog smaak of sappigheid heeft.
Dit laatste was mij ook wel bekend. Dezelfde Douwe Tamminga verzucht aan het einde van zijn gesprekken met Geart de Vries, in Trochpaden, namelijk alle vuur te missen bij de hedendaagse voorvechters van het Fries. De taalstrijd is volkomen geïnstitutionaliseerd, en daarmee gebureaucratiseerd.
Wat die institutionalisering betekent, wordt door Bertus Mulder in dit boekje helder uitgelegd. De ene titel van een provinciale nota volgt op de andere, en trots wijst Mulder ons op twee recente hoogtepunten in de geschiedenis van de Friese taal. Nederland heeft in 1996 het Europese Handvest voor Regionale of Minderheidstalen geratificeerd. Daardoor wordt het Fries sindsdien officieel als minderheidstaal erkend. Bovendien heeft de Eerste Kamer op 30 november 2004 ingestemd met het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. Sinds dit moment zijn de Friezen, en de Friezen alleen, hier als nationale minderheid erkend.
Voor een politicus zijn zulke beslissingen prachtig. Zijn harde werk wordt beloond, en ook er komen allerlei nieuwe fondsen vrij. Daarmee krijgt de politicus dus ook wat meer macht, want de mogelijkheid om dat extra geld als subsidie toe te kennen. Of juist niet.
Maar wat betekent bijvoorbeeld die erkenning dat Friezen de enige nationale minderheid zijn? Heeft iemand dat Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden weleens gelezen? Ik begrijp er vooral uit dat het sinds december 2004 onmogelijk is om mij te vervolgen, als ik eens iets opschrijf in het Fries. Evenmin mag de politie de mensen oppakken die zulks dan lezen. En dan overdrijf ik niet.
Zo staat in artikel 10, lid 1:
De Partijen verplichten zich ertoe te erkennen dat iedere persoon die tot een nationale minderheid behoort het recht heeft vrijelijk en zonder inmenging zijn minderheidstaal te gebruiken, in het privé-leven en in het openbaar, mondeling en in geschrifte.
Leve daarom Bertus Mulder, die deze enorme vrijheid voor ons bevochten heeft, in ongetwijfeld urenlang durende vergaderingen en moeizame jaren aan lobbywerk.
Problemen heb ik wel met bepalingen als die van artikel 4, lid 1:
[…] elke discriminatie op grond van het behoren tot een nationale minderheid [is] verboden.
Dit komt door het principe achter zo’n uitspraak. Zolang taalbeleid een zaak is van de politiek alleen, zijn er altijd compromissen mogelijk. Politiek blijft in de kern de kunst van het haalbare. Maar het Friese taalbeleid is nu dus voor een deel gejuridiseerd. Bovendien zijn er ineens allerlei vreemde elementen aan toegevoegd. Omdat zo’n Europees handvest nu eenmaal algemene bepalingen bevat; en ook moet gelden voor minderheidsgroeperingen die wel actief worden vervolgd door hun nationale overheden. Dit levert een wat merkwaardige situatie op.
Strikt juridisch gesproken heeft iedere Friese dwarskop die zich gediscrimineerd voelt door de overheid — bijvoorbeeld omdat een politieagent geen Fries lijkt te verstaan — nu dus de regels mee om zo’n ambtenaar te laten ontslaan. Dit lijkt me niet iets waar ik als politicus trots op zou zijn het bereikt te hebben.
Nee, die bepaling ‘elke discriminatie’ zit me dwars. Ruim veertig jaar nadat een jonge generatie schrijvers hard afstand nam van alle gedweep met het Fries-eigene, heeft de politiek nog eens officieel goedgekeurd dat er wel degelijk zoiets als het Fries-eigene bestaat. Erkenning voor deze vorm van identiteit — die dus verder reikt als het gebruik van de taal alleen — ligt internationaal vast. En er is nu vast wel een stel idioten te vinden dat deze officieel ingestelde leegte gaat vullen. Zeker omdat de overheid zich stevig verplicht heeft hen ten dienste te zijn.
Als ik over politiek schrijf, interesseert het me doorgaans niet zo wat de poppetjes zelf te zeggen hebben gehad. Politici zijn passanten, interessant is hoogstens wat ze als dank aan rommel achterlaten. Mij boeit alleen welke uitwerking politieke besluitvorming heeft, en welke mechanismen daarbij een rol hebben gespeeld. En hierover is in het algemeen te zeggen dat beslissingen in Nederland vaak en veel onbedoelde gevolgen hebben. Voor een groot deel komt dit door wat ik hierboven terloops al de juridisering van de politiek heb genoemd. Zodra iets in regels vastligt, kan heel veel ineens niet meer. En tegelijk kunnen regels voor van alles misbruikt worden waar ze nooit voor bedoeld zijn.
Ik geef toe, doorgaans die het de overheid zelf die als eerste de eigen regels oprekt. Niemand kent de eigen bepalingen beter. Voor burgers rest dan alleen nog de vaak de erg dure gang naar de rechter, om zulk een machtsmisbruik aan te klagen. Dus gebeurt dit nauwelijks. Dit nu noem ik een van de fundamentele gebreken aan onze democratie.
En Bertus Mulder is waarschijnlijk niet eens aan te rekenen dat hij kritiekloos heeft meegedraaid in dit systeem, maar er braaf onderdeel van was. Wie carrière maken wil in een politieke partij moet daar de mores van onderschrijven. Over zijn boekje, dat aanleiding was tot deze beschouwing, kan dan ook op zijn vriendelijkst nog gezegd worden dat het vrijwel onschadelijk is. De meeste teksten erin zijn niet meer dan vluchtig gelegenheidswerk, en bovendien stikt het van de herhalingen. Nogal wat redes zijn er bij, uitgesproken bij een prijsuitreiking, een opening, of op een congres. In Nederland komen officiële gelegenheden nu eenmaal met sprekers, al luistert niemand ooit naar ze. En Mulder was zo’n spreker, wiens woorden even moesten worden doorstaan.
Laten we ons de gedeputeerde Bertus Mulder daarom anders herinneren. Laten we hem vooral herinneren als de politicus die driftig meehielp om een monster van Frankenstein tot leven te wekken; als de man die de omstandigheden schiep waarin de ‘etnische Fries’ nog weer groot kan groeien; als de politicus die een stevig juridische status gaf aan een bijna vergeten zombie. Hij wist waarschijnlijk niet dat hij dit deed. Het zal vast een onbedoeld gevolg zijn van wetgeving die voor iets ander bedoeld was — en het zou ook hoogst ironisch zijn als burgers ineens van hun kant overheidsregels gaan oprekken.
Yippie, yippie, jee.
Bertus Mulder, De miskende taaiheid fan it Frysk
144 pagina’s
Friese Pers Boekerij, Ljouwert 2007
ISBN 978 90 330 0611 1
Priis: € 14,95
in: recht, a-z, politiek, bundels, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bertus Mulder-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 16 oktober 2007
Het was vrij toevallig dat ik deze interviewbundel van Studs Terkel als vierde las, van de stapel van vijf die ik kocht. Toeval, maar een gelukkig toeval. Ineens klopte namelijk alles. Al wat ik tot nu toe van Terkel had meegekregen, was ineens te zien éen lange voorbereiding op dit boek. Voor mij is dit zijn beste, of in elk geval zijn meest consistente; waarmee absoluut niet gezegd zij dat die andere niet zouden deugen,
Mij waren al een paar constanten opgevallen aan die andere boeken van Terkel. Hij zoekt een eerdere gesprekspartner nog weleens op voor een nieuw interview, een paar jaar later. Dus kende ik een deel van de cast al die dit boek uit 1980 bevolkt. Tenminste, dit dacht ik.
Het makkelijkst zijn overeenkomsten te vinden tussen de boeken Hope Dies Last en American Dreams. Alleen al door het vergelijkbare thema voor de gesprekken. Wel zit er vijfentwintig jaar tussen beide boeken.
Toch valt op dat zelfs van de interviews met mensen die in beide boeken voorkomen, die in American Dreams het sterkst zijn. Het is moeilijk om precies uit te leggen waarom. Maar er staat bijna geen saai mens in deze bundel. Haast alle interviews maken nieuwsgierig naar meer. En ze versterken elkaar.
In dit boek staan honderd gesprekken. Terkel heeft er nog tweehonderd meer gevoerd, maar de levenservaringen van die mensen vertoonden dan te veel overlappingen met net wat sprekender interviews — daarom werden die niet eens opgenomen. Verder is er door een redactie achter dit boek driftig aan de tekst getrimd en gesnoeid.
Honderd gesprekken in 470 pagina’s, dat is net 4½ pagina per persoon. En ondanks die beperking worden er vele van hen memorabel. Over de miss America tegen-wil-en-dank schreef ik elders al eerder. En zoals haar staan er vele mavericks in; mensen die niet kritiekloos staan tegenover de systemen waar soms zomaar ineens in meedraaiden, en waarop zij dan reageerden. Of het nu om immigranten gaat die zich omhoog moesten klauwen, of om politici die aan den lijve ondervonden dat politiek een heel vies spel kan zijn.
Misschien dat Terkel, eendachtig de titel van dit boek en de gedachte daarachter, vooral met mensen sprak die een duidelijke ontwikkeling doormaakten. Waarbij dan sprake was van voortschrijdende inzichten.
Maar misschien is American Dreams wel gewoon het best geredigeerde boek van het stel.
meer Terkel op boeklog
Studs Terkel, The American Dream
Lost and Found
470 pagina’s
The New Press, zonder jaar, oorspronkelijk 1980
in: a-z, aanbevolen 2007, economie, geschiedenis, religie, cultuur, bundels, politiek, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Studs Terkel-pagina
woensdag 17 oktober 2007
Het is jammer dat Altijd verder wat te veel pagina’s heeft gekregen; dat er zo veel Dolf Jansen in moest. Op het laatst wordt het wat repetitief, met weer een wedstrijd in het buitenland, en dit doet voor mij af aan de waarde.
Want, ik vond dit een onverwacht interessant boek.
Goed, Jansen ratelt op papier soms al evenzeer de woorden af als hij dit op de radio, of televisie gewoon is. Maar dit maakt niet zo veel uit. Ik ben nog altijd een hardloper, in het diepst van mijn gedachten, en ik las dankbaar voor het eerst iemand die in taal iets wist over te brengen van hoe het is om hard te lopen.
Of hoe het is om dit niet te kunnen.
Toch loopt Jansen marathons, en was ik zo’n rondjesloper op de baan. Gaat het bij hem om duur, en ging het bij mij om snelheid. Maar blijkbaar zijn daar genoeg overeenkomsten tussen. Baansnelheid moet zo lang mogelijk vastgehouden worden — en ook duurwedstrijden eisen snelheid. Beide worden verworven in training.
Het was misschien ook die drang om altijd maar weer te willen lopen die ik herkende. Dat rare egoïstische trekje. Omdat er maar éen ding prettiger is dan lopen, en dat is gelopen te hebben.
En een ander mooi ding van hardlopen was altijd dat je elders, ook in het buitenland, een andere atleet ogenblikkelijk herkende als atleet, zonder daarvoor woorden nodig te hebben. Zelfs zonder daarvoor trainingskleren aan te hoeven hebben. Zo’n zelfde effect speelde ongetwijfeld mee bij het lezen van dit boek.
Enfin.
Altijd verder is een relatief vroege autobiografie van een 44-jarige, die op zijn leven terugblikt aan de hand van wedstrijden die hij liep; of de bijzondere trainingskampen die hij doormaakte. Op de achtergrond ruist wel mee dat Jansen om andere redenen een ‘bekende Nederlander’ is, maar voor dit boek maakt dat niet uit. Hoogstens valt op dat een cabaretier wel iets van timing moet weten, en dat hij het al schrijvend niet kan nalaten eens een grap te maken.
Maakte ook allemaal niet uit.
Dolf Jansen, Altijd verder
367 pagina’s
Uitgeverij Thomas Rap, 2007
in: a-z, sport, [auto]biografisch
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dolf Jansen-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
vrijdag 19 oktober 2007
Wie ouder wordt, leert zichzelf beter kennen; wat de kans iets groter maakt op geluk. Wezenlijk aan mij is mijn eeuwige nieuwsgierigheid — die moet gevoed blijven worden. Vandaar die honderden boeken per jaar. Maar nu ik ouder word, valt me pas goed op hoe weinig mensen even nieuwsgierig weten te blijven.
Nu is dit thema ook een belangrijk fundament onder mijn professionele werk. In feite onderzoek ik telkens, zij het door steeds andere vragen te stellen, wat toch maakt dat ergens de nieuwsgierigheid stokt. Of dit nu onder wetenschappers is, of voor een samenleving geldt als geheel.
Eén van die telkens terugkerende onderzoeksvragen voor mij is waarom elke nieuwe vorm van vermaak toch altijd leidt tot waarschuwingen over zedenbederf bij de jeugd. Tegenwoordig hebben videospelletjes het gedaan. Vorige week kwam nog in het nieuws dat het Britse ministerie van Kinderen, scholen, en gezinnen onderzoek laat doen naar de schadelijke effecten van computerspelen of van internet.
Er was een oproep die alvast maar te melden.
Nu ben ik altijd zeer huiverig voor overheden die normaal vermaak, of zoiets als lekker eten, ineens als schadelijk gaan benoemen. Het bewijs bij die veronderstellingen schiet namelijk altijd fundamenteel te kort.
Goed, de schadelijkheid van roken is misschien iets anders. Maar als overheden tabak werkelijk zo’n gif vonden, moesten ze ook niet willen verdienen aan de accijnzen daarop. Alleen maakt het verschil in status tussen softdrugs of alcohol al duidelijk dat logica in overheidsbemoeienis niet bestaat.
Dit boekje van Johnson vond ik daarom voor het grootste deel prachtig. Het gaat lekker dwars in tegen het algemene gevoel dat dit internet, of computerspelletjes, of nog iets veel passievers zoals televisiekijken ons enkel tot zombies maakt.
Het tegenovergestelde lijkt eerder waar te zijn. We worden namelijk gemiddeld steeds slimmer. Omdat ons steeds ingewikkelder informatie wordt aangeboden. Zelfs voor het platste vermaak gaat deze trend op — soapseries tellen steeds meer, en moeilijker verhaallijnen bijvoorbeeld.
Computerspelletjes dwingen kinderen op allerlei manieren zelf de mogelijkheden en onmogelijkheden te ontdekken. Dit is gewoon leren. Maar in onze cultuur, die er zo op gefixeerd is dat leren alleen passief op school plaats kan vinden, telt wat mensen zelf weten te ontdekken nauwelijks mee.
Nee, dit boekje introduceert bijvoorbeeld een bijna nuttig gereedschap als de Sleeper-curve — een term die Johnson ontleende aan een Woody Allen-film, waarin geleerden uit het jaar 2137 terugkijken op onze onnozele fixaties van nu. Laat ik voor een nadere uitleg hiervan overigens verwijzen naar de zeldzaam uitgebreide wikipedia-entry over dit boek. Ik vind dit boekje vooral een aanrader om wat Johnson schrijft over de studie van verhaallijnen in TV-series. Uit de gepresenteerde kennis daar kan iedereen die weleens grote hoeveelheden informatie een keurslijf in moet proppen voordeel halen.
Steven Johnson, Alle slechte dingen zijn goed voor je
Waarom de populaire cultuur ons slimmer maakt
240 pagina’s
J.M. Meulenhoff, 2007
Vertaling van Everything bad is good for you, 2005
in: a-z, aanbevolen 2007, [web] technologie, vertaald, media, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Steven Johnson-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 20 oktober 2007
Waar dat boek over zout van Kurlansky me boeide en blij maakte, liet deze uitgave me vrijwel volkomen onverschillig. Iets na de helft ben ik hele stukken gaan overslaan. Daar waren een aantal redenen voor.
Belangrijkste oorzaak voor mijn onverschilligheid is dat me vooral de uitwerking interesseert die dat ene revolutionaire jaar zou hebben gehad. In detail beschreven gebeurtenissen van toen boeien niet per se, terwijl me in dit boek weinig anders werd aangeboden.
Die uitwerking van 1968 lijkt me trouwens overschat ook, maar dit terzijde. Er leven nog te veel mensen die dat zogenaamde revolutiejaar bewust hebben meegemaakt. Zij voelen dit waarschijnlijk anders. Kurlansky zelf is van 1940; ook dat weegt mee.
Verder ontbreekt het dit boek aan een dwingende lijn in de vertelling. Ja, de beschreven gebeurtenissen vonden allemaal in die twaalf maanden plaats, en vaak waren er studenten bij betrokken; zeker als het om protesten ging. Steeds werd er politici om een reactie gevraagd. Maar wat is verder de overeenkomst tussen Polen, Tsjechoslowakije, Parijs, of de VS?
Historici, en niet-historici helemaal, kijken me iets te vaak naar de opvallende momenten om veranderingen te willen verklaren. Daarbij geen oog hebbend voor wat er van dag tot dag anders wordt.
Ontwikkelingen op korte termijn worden stelselmatig overschat. Ontwikkelingen op lange termijn worden mede daardoor heel makkelijk onderschat. Dit beide zijn wetten.
Mark Kurlansky, 1968
Het jaar waarin alles anders werd
469 pagina’s
Anthos, 2004
vertaling van: 1968. The Year that Rocked the World
in: a-z, geschiedenis, politiek, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Mark Kurlansky-pagina
maandag 22 oktober 2007
Dezer dagen hebben de media het nogal eens over de brouille tussen de schrijvers Arnon Grunberg en A.F.Th. Van der Heijden. Grunberg kwam daar afgelopen zaterdag ook nog weer op terug in zijn wekelijkse brief in Het Parool. Al kunnen de lezers van Humo dat stuk al een week kennen. Nederland loopt achter.
Het Parool publiceert die brieven ook nog maar een paar jaar. Terwijl Grunberg ze al sinds 2001 schrijft. Er was ook al vaker heibel over de inhoud. Dat leverde ruzies op die, vanwege de karige distributie van Humo in Nederland, altijd als beschietingen van veraf klonken. Gerommel in de verte, waarvan moeilijk uit te maken viel hoe ernstig het was.
Dus is dit brievenboek meer dan een bundeling. Het is voor mij de eerste gelegenheid om te zien waar Grunberg zich de afgelopen jaren druk over maakte. En dus ook om te kijken of alle opwinding van anderen daar weer over enigszins terecht was.
Samensteller Mark Schaevers nam in dit boek ruim honderd brieven op, uit een drie keer groter corpus. Tezamen bieden ze een soort van autobiografie, en ook iets van een tijdsbeeld. Grunberg reageert nog al eens direct op de actualiteit, door dan een brief te schrijven aan de leider van een land.
Maar als brieven blijven het natuurlijk columns, waarvan de schrijver heel goed weet dat er een publiek meeleest. Dit publiek moet soms ook extra informatie krijgen, die de zogenaamde geadresseerde allang kent. Grunberg redt zich hier meestal wel vrij handig uit, maar het blijven kunstgrepen die nogal zichtbaar zijn.
Uiteindelijk vond ik de brieven over boeken, of die hij richt aan andere schrijvers, het meest interessant. Al was het maar omdat hij daarin zeldzaam venijnig kan zijn. Niet alleen A.F.Th. van der Heijden kan in dit boek redenen tot ruzie vinden, Giphart, Zwagerman, en nog een heel stel auteurs even goed.
Speelt bij mijn oordeel mee dat ik het daarbij meestal erg met hem eens ben. En goed, het blijven wel wat kaboutervetes, natuurlijk.
Het was trouwens goed om weer eens iets van Grunberg te lezen. In een krant, geïsoleerd, staat zijn werk me namelijk tegen. Zo verzameld heb ik tenminste tijd om te wennen aan zijn toon.
Maar een roman van hem lezen, lukt me maar eens in de vijf jaar, misschien. Na zijn debuut las ik ook niets van zijn fictie meer met enig plezier.
zijdelings ook Grunberg op boeklog
Arnon Grunberg, Omdat ik u begeer
Brieven 2001 - 2007
383 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2007
in: boeken over schrijven, reizen, a-z, [auto]biografisch, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Arnon Grunberg-pagina
dinsdag 23 oktober 2007
Donald Hall was de een-na-laatste ‘poet laureate’ van de Amerikaanse Library of Congress. Deze ereposities krijgen dichters voor hoogstens een jaar, en zijn termijn liep af in augustus 2007. Dit wist ik allemaal niet tijdens het lezen van dit boekje. Ik ontdekte het pas toen ik toch eens naging of de man nog in leven was.
Life Work is een meditatief dagboekje, waarin een man terug kijkt op zijn leven tot dan toe. Werken is in dat leven altijd van grote betekenis geweest. Niet voor niets nam Hall als eerste motto van dit boekje een bekend citaat van Miguel de Unamuno op:
Werk is het enige effectieve balsem tegen geboren zijn.
Niets mooier voor Hall dan ’s ochtends vroeg, iets na vieren, wakker te worden in het besef weer een dag te mogen werken. En ook al bestaat zijn werk dan uit het schrijven van gedichten en andere tekst, zijn leven is in die zin niet anders dan dat van zijn voorvaderen. Al hadden bijvoorbeeld zijn grootouders een heel wat kariger bestaan op hun keuterboerderij.
Wie wat presteren wil, leeft bij de klok, en werkt schema’s af, zo schrijft hij. Schijnbaar gelukkig.
Op de helft van dit boek verandert het dan ineens van thema. Van meditaties over werk en leven, gaat het ineens vooral over leven. Bij Hall is dan net een kwaadaardige vorm van leverkanker ontdekt. Maar hij heeft nog zo veel werk te doen, vindt hij.
De laatste tientallen pagina’s van dit boek lezen daarom als een gewogen afscheid. Want, hij moet een zware operatie ondergaan, met een overlevingskans van misschien dertig procent. Hij excuseert zich dan zelfs door toch nog even in te gaan op zijn geloof, omdat hij weet hoeveel van zijn vrienden dat maar belachelijk vinden; maar hem biedt het troost.
Enfin. Dan lees ik zo’n boekje, dat me via via aanbevolen was. Van een schrijver die ik niet kende; waarvan de kans ook klein is dat er zo maar weer iets van hem op mijn pad zal komen. En dan zit er iets in al het schijnbaar oppervlakkige keuvelen van Donald Hall dat me behoorlijk diep raakt.
Donald Hall, Life Work
124 pagina’s
Beacon press, 1993
in: a-z, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Donald Hall-pagina
donderdag 25 oktober 2007
De Etty Hillesum-lezing van 2005 werd uitgesproken door de journalist Gerard van Westerloo. Geen idee wie er voor zo’n lezing worden uitgenodigd, maar het lijkt me een breed en algemeen publiek. Dus stond Van Westerloo voor de vrij ingewikkelde taak zowel het werk van de pers uit te leggen, als dat van de politici boven ons gesteld.
Op beide is heel wat aan te merken. Maar al te kritisch kon Van Westerloo ook niet zijn, omdat hij zijn publiek anders meteen van zich vervreemd had.
Hij loste dit dilemma op zich wel handig op, met wat geven en nemen. Ja de journalistiek maakt fouten, doordat er eeuwig onder tijdsdruk wordt geproduceerd. Bovendien is de controle op het werk afgenomen, omdat de digitale technieken tot op het laatste moment toevoegingen mogelijk maken; die dan niemand heeft gezien.
En ook over de Nederlandse politiek blijft Van Westerloo redelijk beleefd, gezien de harde conclusies over het gebrek aan democratie in Nederland die in zijn Niet spreken met de bestuurder staan. Ja, onze politici zijn tegenwoordig vooral regenten, uit op bestuurlijke macht en leuke baantjes. Dat er daarvoor ook nog even in de Tweede Kamer gezeten moet worden, is een vervelende rite de passage.
Maar ergerlijker nog is dat de overheid het werk van de journalist zo zeer is gaan bemoeilijken. Met al die voorlichters overal, met die dwang ineens van hooggeplaatsten om interviews geheel naar eigen zin te willen herschrijven.
Van Westerloo focust zich in zijn slotbetoog vooral daar op; dat de journalisten toch vooral hun controlerende taak goed moeten kunnen blijven uitoefenen.
Mij lijkt alleen dat niet moeilijk is een fundamenteler kritiek uit te oefenen. Want, in hoeverre is de pers in Nederland ooit een waakhond gebleken? Enfin.
Gerard van Westerloo, ‘Pers en politiek’
Etty van Hillesum-lezing
34 pagina’s
De Ploeg Communicatie, 2005
in: typisch hollands, a-z, politiek, media
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerard van Westerloo-pagina
vrijdag 26 oktober 2007
Elske Schotanus heeft in haar debuutroman een paar principiële keuzes gemaakt, die haar enorm beperken in haar mogelijkheden om wat te zeggen. Dat is jammer. Het is nooit prettig om te zien dat een auteur zich meteen in de voet schiet, om dan nog een hele roman met haar mee te moeten strompelen.
Skrik begint, na een gedicht, op het moment dat de hoofdpersoon naakt een isoleercel wordt ingeduwd. Na enkele pagina’s is duidelijk dat dit voor haar eigen bestwil was.
Hier lijkt op zich niets mis mee. Films beginnen zelfs vaak zo, omdat er meteen hoogspanning is. De ramp is buiten beeld al gebeurd, alleen moet het publiek nog uitvinden wat er precies plaatsvond. Daarbij weegt meteen de vraag mee of het nog goed zal aflopen, of niet.
Schotanus handicapt zichzelf alleen enorm door haar verhaal te vertellen in de eerste persoon enkelvoud. We kunnen dus nooit van een afstand naar haar hoofdpersoon kijken, zoals mogelijk is met een film. De keuze om de hele tijd alleen een ‘ik’ aan het woord te laten, betekent dat de lezer alleen via die ‘ik’ geïnformeerd wordt. Maar dit boek heeft wel een psychiatrische patiënte als hoofdpersoon.
Dus heb ik na een paar pagina’s lezen al een boel zekerheden.
Ik weet van deze roman meteen al dat die niet goed afloopt. Elke andere mogelijkheid had een ander begin vereist. En ik weet dat alles verteld gaat worden door een geestelijk onstabiel personage. Maar ik weet ook van psychiatrisch patiënten dat die tijdens hun wanen juist niet beseffen gek te zijn. Dit alles laat Schotanus wel heel weinig speelruimte om aan de lezer over te brengen wat er echt met de hoofdpersoon aan de hand is. En dus heeft ze haast geen mogelijkheden om interesse op te roepen voor haar verhaal. Om alleen deze technische problemen al te overwinnen is een enorm schrijftalent vereist — aanzienlijk meer dan van een debutant verwacht mag worden.
De enige vraag die ik over Skrik had na een paar pagina’s, was of de reis naar het onverbiddelijke einde nog een prettige reis zou worden. Of ik ondanks alle voorspelbaarheid nog verrast zou worden door inhoud, of stijl.
Maar dit mocht niet zo zijn. Inhoud valt bij Schotanus totaal samen met schrijfstijl. Er is vrijwel geen moment dat de ik-personage iets meedeelt dat door de lezer ook anders geïnterpreteerd kan worden. Doel is vooral om mee te geven om wat zich afspeelt in het hoofd van de hoofdpersoon.
De schrijfster doet haar mededelingen in vrij korte fragmenten, en zelfs ook gedichten. Als het heel erg is met de hoofdpersoon, gaat die over op een staccato. Een vrij willekeurig voorbeeld van pagina 113 luidt:
Kalk oerklaait in âlde wrâld… wisket boarnen fan galle… Sir Paynes syn sizzen lit my — Lit my… No godferdegodferdomme einlings ris… ALLINNE (de oarspronklike tekst: Leave me alone… of wie it oarsom…) Twivelriedich wyt woe dat ik wit wêr wie… Lagen dy’t ûnsichtber meitsje… it indigo en swart as tiid en romte dy’t… troch de sinne yn it opkommen skowe…
Dit zadelt de lezer op met een mozaïek van losse scènetjes en zinnetjes, die veel aan rauwe emotie doorgeven en maar zelden iets aan verhaal.
Deze roman knerste daarom op vrijwel iedere pagina — zoals een vers gestrooid grintpad je nooit laat vergeten dat je aan het lopen bent, was er geen moment dat ik niet wist dit boek liever niet verder te lezen.
Skrik laat de allerindividueelste expressie zien van een allerindividueelste emotie. Dit boek gaat erover hoe erg het is om wanen te hebben, en daarvoor zelfs opgesloten te worden. Alleen vergat de schrijfster de lezer hierbij. Haar keuze alles via de hoofdpersoon te tonen maakt dit een solipsistisch boek, waarvan de tekst voor dood op de pagina’s liggen blijft.
Elske Schotanus, Skrik
Roman
148 pagina’s
Utjouwerij Fryslân, Ljouwert 2007
ISBN 978 90 78559 07 8
priis: € 14,50
in: a-z, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Elske Schotanus-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 27 oktober 2007
Dit kwam als een ontstellend Brits boek op me over. Bovendien werd het nooit echt een boek, maar leest het als een verzameling losse essays. Francis Wheen, die werkt voor het satirische blad Private Eye, bekeek wat hem allemaal niet beviel in de wereld om hem heen, en formuleerde daar eens zijn opinies over.
Dit zijn er nogal wat. Hem bevallen zaken nogal eens niet.
Die meningen zijn vooral op zinsniveau ook heel genietbaar. Wheen heeft er bijvoorbeeld een goede hand van om vernietigende quotes op te duikelen.
Wel schiet hij mij op analytisch niveau tekort. Het boek springt ook wat merkwaardig van onderwerp naar onderwerp. Daarbij wordt het op zich nooit vervelend om te lezen, alleen dringt zich opvallend vaak de vraag op waarom ik nu toch steeds weer nieuwe informatie erbij krijg uitgeserveerd.
Van Britse politiek gaat het onder meer naar religie en bijgeloof, naar het einde van de Koude Oorlog, het militair-industrieel complex, of de waanzin van de beurs, met nogal wat dwarsstraten naar andere thema’s daartussen. Verder is er betrekkelijk weinig samenvattends over te zeggen.
Door het gebrek aan structuur, of een meer historische duiding, is dit typisch een boek dat bij het herlezen óf allerlei nieuwe schatten kan blootgeven, óf dan werkelijk helemaal doodslaat.
Francis Wheen, How Mumbo-Jumbo Conquered the World
A Short History of Modern Delusions
328 pagina’s
Fourth Estate, 2004
in: a-z, economie, geschiedenis, religie, politiek, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Francis Wheen-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 29 oktober 2007
Thijssen’s boeken heb ik al eens allemaal gelezen, toen ik zelf nog schoolging. Waarschijnlijk in het misverstand dat boeken die over schoolkinderen gaan ook voor schoolkinderen bedoeld zijn. En Thijssen schreef leesbaar.
Toch denk ik die eerste keer niet meegekregen te hebben waar dit boekje eigenlijk om gaat. Daarvoor is het te melancholisch; daarvoor is tijd van leven nodig om het ten volle te begrijpen.
De gelukkige klas is een dagboek over twee opeenvolgende lesjaren uit het leven van meester Staal, en zijn leerlingen. Die zijn dan een jaar of tien, elf. Daarbij gaat het vooral om het contact tussen de leraar en zijn leerlingen. Met al zijn hoogtepunten daarin, bijvoorbeeld als de klas iets leert. Al zijn er ook dieptepunten, als de leerlingen stilletjes met de extra lessen ophouden in taal, of als de leraar zijn onmacht op een verkeerde manier afreageert.
Die klas wordt daarmee een levend wezen. De wereld blijft buiten. Al schemert er weleens invloed van buiten door, als de levensomstandigheden van de kinderen veranderen. En dan is natuurlijk de schoolinspectie nog. Die allerlei rare eisen stelt, zoals het tot in het treurige detail bijhouden van onodige administratie.
Over de precieze redenen waarom dit boekje werd uitgekozen, namens de bibliotheken, om dit jaar als actieboek te dienen, is me niets bekend. Toch kan er bijna een politiek signaal in worden gezien. De fatale gevolgen van de eeuwige bemoeienis van de overheid met wat er in een klas moet gebeuren, of wat dit voor het werk voor de leraar betekent, zijn inmiddels maar al te bekend.
Theo Thijssen, De gelukkige klas
208 pagina’s
actieboek Nederland leest! 2007, oorspronkelijk 1926
in: a-z, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Theo Thijssen-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 30 oktober 2007
Dit eigenste boeklog wordt door Eric Hoekstra terloops genoemd in zijn boek. Zulks zou Libje goed meteen voor serieuze bespreking diskwalificeren, maar al die stilzwijgende afspraken interesseren mij nu net helemaal niets.
Er komen bovendien honderden namen langs bij Hoekstra, waarvan de meeste een veel uitgebreider behandeling krijgen dan die twee zinnen aan mijn werk gewijd.
Wie komt er niet langs die iets in Friesland betekent?
Libje goed verscheen begin dit jaar in oervorm als een dagelijks weblog op de site van het literaire tijdschrift Farsk. En zoals weblogs door velen helaas blogs worden genoemd, heten aan blogs ontleende uitgaven weleens blooks.
Om Stephen Fry te parafraseren, soms weet je ineens zeker dat er niet genoeg kots in de wereld is.
Maar weblog of blook, die aanduidingen doen er niet vreselijk toe. Libje goed is een dagboek — maar zelfs in dat genre een uitzonderlijk dagboek, omdat het een plot heeft en een staand slot.
Uitleggen wie Eric Hoekstra is, of wat hij doet, vergt even tijd. De man is nogal actief. Laat me voor nu maar even volstaan met de droge opsomming: taalwetenschapper, Nietzsche-vertaler, schrijver, kunstenaar, mens. Al speelt in de loop van dit dagboek ook zijn nauwe betrokkenheid bij de Fryske Nasjonale Partij [FNP] mee. De Provinciale Statenverkiezingen vonden ook plaats eerder dit jaar, in de periode van dit dagboek.
Maar in hoeverre het nu een grap is dat hij partij-ideoloog genoemd werd?
Wel gaat dit hele boek op de achtergrond over een veel persoonlijker ideologie; over de principiële vraag wat toch goed leven is. Voor Hoekstra ziet zo’n leven er soberder uit dan gewoon wordt gevonden. De televisie blijft uit, de kachel staat laag, en verder weert Hoekstra zich binnen de alternatieve economie, door lokaal klusjes te ruilen met anderen.
Tegelijk ironiseert hij deze keuzes ook. Dit is door de onderkoelde humor en de lenige geest van de schrijver een eminent leesbaar boek, waar het om de behandelde onderwerpen ook drammerig had kunnen zijn.
De belangrijkste lijn in het dagboek is evenwel Hoekstra’s idee om tijdens de Week van de filosofie in een ton te gaan wonen, als was hij even Diogenes zelve. Ik vond dit vooral zo’n aardig boekje om de beschrijvingen van wat dit plan als gevolgen had. Of het nu om de massale en internationale media-aandacht gaat op zijn plannen, of om de directe reacties van het Leeuwarder publiek op die ton — beide zijn niet alleen amusant, beide zijn ook, om dat ouderwetse woord maar eens te gebruiken, leerzaam.
Eric Hoekstra, Libje goed
Op nei de tonne
174 pagina’s
Utjouwerij Bornmeer, 2007
isdn 978-90-5615-173-7
in: a-z, [web] technologie,