Miskende taaiheid fan it Frysk ~ Bertus Mulder

► door: A.IJ. van den Berg

Vele malen werd de ondergang voorspelt, maar nog altijd is het Fries in levend gebruik. Door Douwe Tamminga is dit verschijnsel de taaiheid van taal genoemd, en deze uitspraak werd gretig door de politicus Bertus Mulder geparafraseerd in de titel van dit bundeltje. Twaalf jaar was Mulder namens de PvdA gedeputeerde van de provincie Fryslân. In zijn portefeuille zat altijd cultuur. Dit boekje biedt een overzicht van wat hij in die tijd heeft bereikt.

Nu blijven talen misschien wel onverwacht lang bestaan, maar de woorden in zo’n taal willen nog weleens subtiel van betekenis veranderen. Tegenwoordig wordt alleen in het bejaardentehuis over de ‘Ouwe taaie’ gezongen. Yippie yippie yee. Maar ikzelf gebruik bijvoorbeeld het woord taai vrijwel alleen als negatieve kwaliteitsaanduiding; als het over vlees als leer gaat, in een restaurant.

Er gaapt een generatiekloof. Ik begrijp wel wat Mulder met de titel van zijn boek bedoelt. Maar ik lees die toch vooral als de waarschuwing dat het Friese taalbeleid nauwelijks nog smaak of sappigheid heeft.

Dit laatste was mij ook wel bekend. Dezelfde Douwe Tamminga verzucht aan het einde van zijn gesprekken met Geart de Vries, in Trochpaden, namelijk alle vuur te missen bij de hedendaagse voorvechters van het Fries. De taalstrijd is volkomen geïnstitutionaliseerd, en daarmee gebureaucratiseerd.

Wat die institutionalisering betekent, wordt door Bertus Mulder in dit boekje helder uitgelegd. De ene titel van een provinciale nota volgt op de andere, en trots wijst Mulder ons op twee recente hoogtepunten in de geschiedenis van de Friese taal. Nederland heeft in 1996 het Europese Handvest voor Regionale of Minderheidstalen geratificeerd. Daardoor wordt het Fries sindsdien officieel als minderheidstaal erkend. Bovendien heeft de Eerste Kamer op 30 november 2004 ingestemd met het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden. Sinds dit moment zijn de Friezen, en de Friezen alleen, hier als nationale minderheid erkend.

Voor een politicus zijn zulke beslissingen prachtig. Zijn harde werk wordt beloond, en ook er komen allerlei nieuwe fondsen vrij. Daarmee krijgt de politicus dus ook wat meer macht, want de mogelijkheid om dat extra geld als subsidie toe te kennen. Of juist niet.

Maar wat betekent bijvoorbeeld die erkenning dat Friezen de enige nationale minderheid zijn? Heeft iemand dat Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden weleens gelezen? Ik begrijp er vooral uit dat het sinds december 2004 onmogelijk is om mij te vervolgen, als ik eens iets opschrijf in het Fries. Evenmin mag de politie de mensen oppakken die zulks dan lezen. En dan overdrijf ik niet.

Zo staat in artikel 10, lid 1:

De Partijen verplichten zich ertoe te erkennen dat iedere persoon die tot een nationale minderheid behoort het recht heeft vrijelijk en zonder inmenging zijn minderheidstaal te gebruiken, in het privé-leven en in het openbaar, mondeling en in geschrifte.

Leve daarom Bertus Mulder, die deze enorme vrijheid voor ons bevochten heeft, in ongetwijfeld urenlang durende vergaderingen en moeizame jaren aan lobbywerk.

Problemen heb ik wel met bepalingen als die van artikel 4, lid 1:

[…] elke discriminatie op grond van het behoren tot een nationale minderheid [is] verboden.

Dit komt door het principe achter zo’n uitspraak. Zolang taalbeleid een zaak is van de politiek alleen, zijn er altijd compromissen mogelijk. Politiek blijft in de kern de kunst van het haalbare. Maar het Friese taalbeleid is nu dus voor een deel gejuridiseerd. Bovendien zijn er ineens allerlei vreemde elementen aan toegevoegd. Omdat zo’n Europees handvest nu eenmaal algemene bepalingen bevat; en ook moet gelden voor minderheidsgroeperingen die wel actief worden vervolgd door hun nationale overheden. Dit levert een wat merkwaardige situatie op.

Strikt juridisch gesproken heeft iedere Friese dwarskop die zich gediscrimineerd voelt door de overheid — bijvoorbeeld omdat een politieagent geen Fries lijkt te verstaan — nu dus de regels mee om zo’n ambtenaar te laten ontslaan. Dit lijkt me niet iets waar ik als politicus trots op zou zijn het bereikt te hebben.

Nee, die bepaling ‘elke discriminatie’ zit me dwars. Ruim veertig jaar nadat een jonge generatie schrijvers hard afstand nam van alle gedweep met het Fries-eigene, heeft de politiek nog eens officieel goedgekeurd dat er wel degelijk zoiets als het Fries-eigene bestaat. Erkenning voor deze vorm van identiteit — die dus verder reikt als het gebruik van de taal alleen — ligt internationaal vast. En er is nu vast wel een stel idioten te vinden dat deze officieel ingestelde leegte gaat vullen. Zeker omdat de overheid zich stevig verplicht heeft hen ten dienste te zijn.

Als ik over politiek schrijf, interesseert het me doorgaans niet zo wat de poppetjes zelf te zeggen hebben gehad. Politici zijn passanten, interessant is hoogstens wat ze als dank aan rommel achterlaten. Mij boeit alleen welke uitwerking politieke besluitvorming heeft, en welke mechanismen daarbij een rol hebben gespeeld. En hierover is in het algemeen te zeggen dat beslissingen in Nederland vaak en veel onbedoelde gevolgen hebben. Voor een groot deel komt dit door wat ik hierboven terloops al de juridisering van de politiek heb genoemd. Zodra iets in regels vastligt, kan heel veel ineens niet meer. En tegelijk kunnen regels voor van alles misbruikt worden waar ze nooit voor bedoeld zijn.

Ik geef toe, doorgaans is het de overheid zelf die als eerste de eigen regels oprekt. Niemand kent de eigen bepalingen beter. Voor burgers rest dan alleen nog de vaak de erg dure gang naar de rechter, om zulk een machtsmisbruik aan te klagen. Dus gebeurt dit nauwelijks. Dit nu noem ik een van de fundamentele gebreken aan onze democratie.

En Bertus Mulder is waarschijnlijk niet eens aan te rekenen dat hij kritiekloos heeft meegedraaid in dit systeem, maar er braaf onderdeel van was. Wie carrière maken wil in een politieke partij moet daar de mores van onderschrijven. Over zijn boekje, dat aanleiding was tot deze beschouwing, kan dan ook op zijn vriendelijkst nog gezegd worden dat het vrijwel onschadelijk is. De meeste teksten erin zijn niet meer dan vluchtig gelegenheidswerk, en bovendien stikt het van de herhalingen. Nogal wat redes zijn er bij, uitgesproken bij een prijsuitreiking, een opening, of op een congres. In Nederland komen officiële gelegenheden nu eenmaal met sprekers, al luistert niemand ooit naar ze. En Mulder was zo’n spreker, wiens woorden even moesten worden doorstaan.

Laten we ons de gedeputeerde Bertus Mulder daarom anders herinneren. Laten we hem vooral herinneren als de politicus die driftig meehielp om een monster van Frankenstein tot leven te wekken; als de man die de omstandigheden schiep waarin de ‘etnische Fries’ nog weer groot kan groeien; als de politicus die een stevig juridische status gaf aan een bijna vergeten zombie. Hij wist waarschijnlijk niet dat hij dit deed. Het zal vast een onbedoeld gevolg zijn van wetgeving die voor iets ander bedoeld was — en het zou ook hoogst ironisch zijn als burgers ineens van hun kant overheidsregels gaan oprekken.

Yippie, yippie, jee.

Bertus Mulder, De miskende taaiheid fan it Frysk
144 pagina’s
Friese Pers Boekerij, Ljouwert 2007
ISBN 978 90 330 0611 1
Priis: € 14,95

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden