Inhoud november 2007:

Denise Mina · Field of Blood

Trinus Riemersma (bes.) · Kul oer it skouder

E.B. White · Writings from The New Yorker 1927 - 1976

Mark Kurlansky · Wereldgeschiedenis volgens de Basken

Garrison Keillor · Lake Wobegon Days

Hans Achterhuis · Politiek van goede bedoelingen

Tijs Goldschmidt · Darwins hofvijver

Tijs Goldschmidt · Bijenchoreograaf

Josse de Haan · Kastanjes poffe

Eduardo Galeano · Aderlating van een continent

Auck Peanstra · Sitebuorren

Tim Krabbé · Marte Jacobs

Donald Hall · Principal Products of Portugal

Geert van Istendael · Mijn Duitsland

Keith Waterhouse · Billy Liar

Nyk de Vries · Motorman

E.B. White · Essays of E.B. White

Herman Franke · Uit het niets

Frans de Waal · Aap en de filosoof

Flessepost

Geert van Istendael · Belgisch labyrinth

Denise Mina · Field of Blood

Waarom toch altijd Dick Francis, was al eens een vraag over de voorspelbaarheid van wie ik nog wel spannende boeken lees. Dit komt simpelweg omdat zijn universum me zo goed bevalt. Hij schrijft geen overbodige zin, en ik lijk de helden van zijn boeken, of de antihelden, goed te begrijpen.

Want, dat zijn zelfs bij thrillers uiteindelijk toch de enige twee zaken waar het om gaat. Moord en doodslag interesseert me niet. Griezelen doe ik van heel andere zaken, zoals de eeuwige domheid van politici. Nee, een boek moet sfeer bieden om me te kunnen ontspannen.

Dus leken de nieuwste serie thrillers van de Britse schrijfster Denise Mina misschien iets te bieden. Al was het maar omdat die een chronologisch reeks gaan worden, over éen hoofdpersoon — de jonge Schotse Patricia Meehan, die in het dagelijkse leven Paddy heet. Haar roepnaam is niet toevallig zo. Die verwijst met opzet naar haar katholieke achtergrond. Bovendien was er in haar directe familie ooit een andere Paddy Meehan, die ten onrechte door de Engelsen veroordeeld werd.

Deze Paddy is achttien, voelt zich iets te dik, en zij werkt net als hulpje bij een krant. Dolgraag wil ze het huis uit, dolgraag wil ze de knellende greep van haar familie ontvluchten. Maar ze is zelfs al verloofd, en ook zijn familie vindt het al veel te ambitieus van haar dat ze werkt.

Dan wordt er een klein kind gruwelijk vermoord, waarbij twee iets oudere jongetjes verdacht zijn. Een van die jongens is familie van haar verloofde. Dat zou Paddy een unieke invalshoek geven voor een eerste groot verhaal in de krant. Alleen kan ze dat nooit schrijven, zonder door haar familie te worden uitgestoten.

En dat is dan nog maar éen van de gewetensconflicten waar ze mee worstelt.

Dit boek speelt zich af in 1981. Er zijn inmiddels twee andere titels uit, die het leven Paddy Meehan verder volgen. En dat is wel een interessant universum om verder te exploreren, alleen al om haar werk bij die krant bijvoorbeeld.

Alleen hoop ik voortaan wel op betere uitgaven te stuiten dan deze. In deze pocket stond evenveel tekst op twee pagina’s als in een normaal boek op éen staat. Die 544 pagina’s is totale overkill; er had makkelijk met 300 kunnen worden volstaan. Dat had me dan ook een ander gevoel gegeven. Nu kwam het boek pas in de laatste 250 pagina’s onontkoombaar op gang. Eerst driehonderd pagina’s aan voorbereiding moeten lezen, lijkt wel erg veel.

Denise Mina, The Field of Blood
544 pagina’s
Bantam Books 2006, oorspronkelijk 2005

in: a-z, spannend, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Denise Mina-pagina

Trinus Riemersma (bes.) · Kul oer it skouder

Voor schrijvers als Hemingway was het een vertrouwd literair gereedschap. Laat belangrijke zaken of gebeurtenissen uit het verhaal weg, en het wordt daar sterker door, zo schreef hij in ‘The Art of the Short Story’. Lezers gaan dan nadenken.

Of noem een toneelstuk Wachten op Godot, en duidelijk is dat Godot er in een grote rol in speelt. Daarvoor hoeft die niet eens te zien te zijn.

Literaire voorbeelden genoeg om te verdedigen waarom in een boek of tekst nogal wat feitelijke informatie mag ontbreken. En toch vind ik zoiets een nogal elementair gebrek dat bij de uitgave van wat toch een bronnenboek is over literatuurgeschiedenis. De kul oer it skouder is zo’n verzameling bronnen.

Riemersma draait merkwaardig om de hete brei heen met dit boek. De ruimte in zijn inleiding gebruikt hij helaas vooral om vooruit te lopen op de inhoud. En die inhoud bestaat uit wat anderen schreven over het Friese literaire tijdschrift Quatrebras [1953-1968], het tijdschrift voor experimenten. Wat die anderen schreven was doorgaans weinig vleiend.

Maar het is heel simpel, alles wat in dit boek staat, geschiedde voor mijn geboorte. Dus heb ik context nodig om de inhoud te kunnen begrijpen. Ook al omdat Riemersma nog weleens aanvoert dat er in de jaren zestig tenminste nog belangstelling was voor Friese literatuur. Dus vraag ik me gewoon een paar heel elementaire dingen af. Hoeveel mensen lazen Quatrebras? Hoe vaak kwam het uit? Hoeveel nummers zijn er in totaal van verschenen? Wie waren de redacteuren, en wat werd er van hen? Waren de openbare bibliotheken erop geabonneerd, of deden die bijvoorbeeld niet aan Fries?

Waren er wel openbare bibliotheken zoals we die nu kennen?

Nu mist de samensteller zelfs de voorkomendheid om lezers te verwijzen naar andere boeken, waar wel iets feitelijks over Quatrebras is te vinden. Met plaatjes van het uiterlijk bijvoorbeeld. Of met fascimiles van een colofon.

Ik vind het jammer de schaarse feitjes die vermeld staan, nu moeten worden ontleend aan meningen van anderen. Dat is toch of je een schouwburgvoorstelling beoordelen moet aan wat je aan gebabbel in de pauze opvangt, zonder verder iets te kunnen zien.

Of — om de vaak zo zure toon van dit boek aan te houden — het is of ik als lezer een ongeluk moet reconstrueren door wat getuigenverklaringen van mensen die een klap vernamen en sirenes langs hoorden gieren.

Wat zich nu ook wreekt, is dat Riemersma’s eerdere bronnenboek, Hoe binne de helten fallen, zo aardig compleet was. Dat boek had namelijk wel een duidelijke kern. De twee teksten die Bauke de Jong in de jaren zestig schreef, en uitsprak, tegen alle gedweep met het Fries-eigene stonden er beide in zijn geheel in. Dit maakte het juist zo aardig om te kijken hoe diens woorden door anderen ontvangen werden.

Ook de bundel Op ‘e barrikaden en der by del uit 2005 toont wel een min of meer afgerond geheel. Dit bevat een verzameling aan tijdschriftartikelen die Riemersma zelf schreef, tot 1972. Wat hij daar deze eeuw aan toevoegde als commentaar, verrijkte het geheel.

In De kul oer it skouder mist mij daarom te veel. En door die twee eerdere boeken, die voor mij wel zeer geslaagd waren, begrijp ik niet goed waarom er zo veel moet missen.

Tenzij ik aan het interpreteren ga. Tenzij ik me dan bedenk dat geloven altijd weglaten. Een fundamentele eigenschap van menig religie bestaat eruit de kwaliteiten of eigenschappen van het allerhoogste juist niet te beschrijven. Of dit zelfs te verbieden.

Misschien is dit boek daarom nog het meest te beschouwen als een late eredienst van Trinus Riemersma persoonlijk. Een eredienst aan het experiment in de literatuur, dat ook voor hem zo belangrijk zou worden. Alleen zag hij dat toentertijd nog niet. Riemersma werd in 1964 redactielid van De Tsjerne, en niet van Quatrebras. Terwijl bij De Tsjerne de grootste kritikasters tegen het experiment bleken te zitten. Toen.

Tr. Riemersma (bes.), De kul oer it skouder
198 pagina’s
Utjouwerij Venus, 2007
isbn 978-90-5998-042-6
priis: € 17,90

in: a-z, geschiedenis, bundels, fryske boeken

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Trinus Riemersma (bes.)-pagina

E.B. White · Writings from The New Yorker 1927 - 1976

White is een van mijn helden. Ik lees op het moment daarom zijn verzamelde brieven — en voor zo’n tocht langs alle trivia moet er wel een band met een schrijver zijn, wil dat volgehouden kunnen worden. Maar snel gaat het lezen van dat boek niet. Daarom wissel ik het ook maar af met andere uit het oeuvre.

In Writings from The New Yorker zijn stukjes gebundeld die niet eerder in druk verschenen. Deels verschenen die eerder ook anoniem. Meestal zijn het kleine humoristische observaties, van een beknoptheid die het tegenwoordig goed zou doen op een weblog. Fait divers.

En zo heb ik dit bundeltje dan ook maar gelezen. Niet in éen zit, maar in heel kleine rukjes; alsof het een weblog was dat ik dagelijks tussendoor een paar maal bezocht. Op die manier was het in zijn geheel niet onaardig. Het was een zinnetjes hier, en dan weer eens een observatietje daar, die dit boek wel genietbaar maakten.

Maar White’s kracht zit hem voor mij toch meer in zijn langere stukken, en daarmee dus niet in dit boek. Als zijn stijl niet alleen een doel is voor een leuk effect even, maar ook een heel effectief middel om eens iets heel onnadrukkelijk toch te zeggen.

E.B. White, Writings from The New Yorker 1927 - 1976
245 pagina’s
Harper Perennial 2006, oorspronkelijk 1990

in: a-z, humor, bundels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de E.B. White-pagina

Mark Kurlansky · Wereldgeschiedenis volgens de Basken

Over éen boek van Kurlansky was ik eerder heel enthousiast, maar over een tweede helemaal niet. En deze derde titel heeft typisch genoeg de kwaliteiten van de éen gecombineerd met de gebreken van de ander. Dus vond ik het tot de helft de moeite waard, omdat het dan ook over cultuur en technologie gaat, en daarna helemaal niet meer.

Ik houd gewoon niet van politieke geschiedenis, en politieke geschiedenis is vrijwel het enige dat Kurlansky nog biedt, chronologisch eenmaal in de twintigste eeuw beland.

Toegegeven, de betekenis van Guernica uitleggen, heeft absoluut nut. Verklaren waarom de ETA al die bomaanslagen pleegde ook. Maar het boek is uit evenwicht door de grote aandacht hiervoor.

Het wordt voor mij pas weer interessant als Kurlansky eindelijk Franco heeft laten doodgaan, en stil kan staan bij het herstel van zo onderdrukte Baskische cultuur.

Dan pas ook klinkt enige relativering.

Dit boek begint door de Basken belangrijker te maken dan ze zijn. En dat is ook wel amusant, omdat het over de bewoners van een regio gaat die de mijne niet is. Zou iemand op dezelfde toon over de Friezen schrijven, of desnoods de Hollanders, had me dat hogelijk geïrriteerd. Maar goed, op gezag van Kurlansky wil ik nog wel aannemen dat de Basken unieke zeelui waren, en dat de maritieme geschiedenis ondenkbaar is zonder hun grondige verbeteringen van het zeilschip, of de vinding van smakelijk houdbare vis voor onderweg.

Kurlansky blijft het interessantst als hij over eten schrijft.

Maar dan, eenmaal in de jaren 70 van de twintigste eeuw aangekomen, moet hij getallen gaan noemen. Dan pas heet het dat er weliswaar 2,3 miljoen inwoners zijn in die zeven provinciën die samen Spaans en Frans Baskenland uitmaken, maar dat daarvan minder dan 1 miljoen de taal spreken. Terwijl de definitie van de Basken zelf is dat iemand tot het volk behoort als die de taal gebruikt. En in het gebied woont. En een Baskische naam draagt.

Over dit alles is veel te zeggen. Maar die aandacht kan ook vrij makkelijk overdreven worden.

Mark Kurlansky, De wereldgeschiedenis volgens de Basken
383 pagina’s
De Arbeiderspers, 2001
vertaling van: The Basque History of the World

in: economie, a-z, geschiedenis, politiek, vertaald

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Mark Kurlansky-pagina

Garrison Keillor · Lake Wobegon Days

Keillor reist met me mee dezer dagen. Ik heb het plezier ontdekt om de podcasts van zijn wekelijkse verhalen over Lake Wobegon onderweg te beluisteren. Voor audioboeken ben ik normaal veel te ongedurig. Mijn stillezen gaat ook minstens tien keer zo snel als zo’n declamerende vent of mevrouw. Maar de verhalen van Keillor duren hoogstens een kwartier, en dit is wel een prettige lengte gebleken.

Wel gaat opvallend vaak mijn speler, die ook mijn telefoon is, er toe over uit zichzelf de podcasts af te spelen. Klinkt Keillor ineens gedempt uit mijn jaszak op, zalvend alsof hij me een zegen geeft.

Dit boek herlas ik om even weer wat achtergrondinformatie te hebben over het decor van zijn verhalen. Over dat stadje, Lake Wobegon, aan de rand van de prairie. En alle bewoners van dat stadje en het omringende gebied.

In zijn begintijd, die in dit boek is vastgelegd, deed Keillor ook nog net of hij er was opgegroeid, wat de verhalen een extra lading gaf. Zijn wederwaardigheden over het geloof alleen al, waarvan zijn familie wel een heel eigen vorm aanhing, maken deze bundel de moeite.

Garrison Keillor, Lake Wobegon Days
502 pagina’s
Faber and Faber 1993, oorspronkelijk 1985

in: a-z, humor, verhalen, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Garrison Keillor-pagina

Hans Achterhuis · Politiek van goede bedoelingen

Dit essay van de filosoof Achterhuis is van even na de luchtoorlog tegen Kosovo, eind jaren negentig. Toen Nederland zich van de ene dag op de andere ineens in een oorlog bevond, elders in Europa. Dit gaf Achterhuis aanleiding genoeg om zich af te vragen waarom hij die betrokkenheid instinctief afwees.

Welke doelen werden er eigenlijk nagestreefd met die vijandelijke inmenging? Hoeveel daarvan waren enkel holle retoriek? Bühnepraat, en anders niet…

En wat werd er dan wel met die oorlog bereikt? Of anders gezegd, wat waren precies de negatieve gevolgen?

Achterhuis baseerde zich in dit essay vooral op het werk van Hannah Arendt, en Machiavelli. Al blijkt hij ook nog aardig wat prijzenswaardigs aan een boek van de geschiedtheoreticus Ankersmit te kunnen ontlenen. En met dit filosofische instrumentarium ontleedt hij dan onbarmhartig de uitspraken van de boven ons gestelden, om zo het doorgaans totale gebrek aan visie dat daar uitspreekt aan te kunnen tonen.

In die zin is dit een somber stemmend boekje. Politiek is de showbusiness van de lelijkerds en de talentlozen, ik heb dat hier vaker betoogd. Maar het blijft pijnlijk om te zien hoe die lelijkerds en talentlozen zich het nieuws inwringen als zij iets hebben waarmee zij zich daarmee kunnen profileren als krachtige persoonlijkheid.

Maakt niet uit als daarmee internationale verdragen eenzijdig worden opgezegd. Maakt niet uit als daardoor elders doden gaan vallen.

En zelfs als politieke liefdadigheid wel goede bedoelingen heeft, dan nog kent die smerige kanten, al was het maar door de afhankelijkheid die het kweekt.

Zo bekeken laat Achterhuis ook zien welke mechanismen zullen hebben gespeeld bij de beslissing van Balkenende’s CDA om mee op kruistocht te gaan met die wedergeboren Christen uit het Witte Huis. Of hoe de retoriek ontstaat die ons kabinet nu weer bezigt om een langer verblijf in Uruzgan te rechtvaardigen, zonder dat daarbij ooit wordt uitgelegd hoe lang de stammenstrijd in die regio al woedt.

meer Achterhuis op boeklog

Hans Achterhuis, Politiek van goede bedoelingen
144 pagina’s
Boom, 1999

in: recht, a-z, geschiedenis, politiek, essays

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hans Achterhuis-pagina

Tijs Goldschmidt · Darwins hofvijver

Om meerdere redenen vind ik dit een heel goed boek, behalve dan dat de verteller me soms wat merkwaardig wazig als personage in zijn eigen verhaal ronddwaalt. Maar omdat Goldschmidt terloops meldt dat hij tijdens zijn verblijf in Tanzania getroffen werd door de malaria tropica, ben ik ben misschien wat geneigd de bijbehorende koorts wat te extrapoleren naar de rest van het boek.

De beroepsernst van iemand die iets onbegrijpelijks onderzoekt, kan overigens ook vrij makkelijk als krankzinnig overkomen op een buitenstaander. Vertel mij wat.

Goldschmidt deed als bioloog jarenlang veldwerk in een baai van het Victoriameer, om de enorme soortenrijkdom van éen enkel visje te helpen verklaren. Honderden soorten cichliden waren er. Vrij gratige baarsjes zijn dat, elk met eigen voedingspatronen en bijbehorende speciale lichamelijke kenmerken. Gezien de jonge leeftijd van het Victoriameer leek de evolutie daar in actie te zien.

Dit boek is zo goed door de technische informatie die Goldschmidt door zijn verhaal mengt. Door zijn uitleg over wat genetica is, hoe het ook alweer zat met DNA en RNA, en al die technische achtergrondkennis meer. Maar vooral ook omdat hij laat zien hoe onderzoek verloopt. Hoe wetenschappers uit een tastend zien meer algemene conclusies proberen te trekken; om zo misschien tot theorieën te komen.

En goed, dan was er die ecologische ramp ook nog. De ramp die Goldschmidt eerst niet wilde zien, misschien omdat het idee te groot was dat zijn onderzoeksonderwerp geheel zou verdwijnen. Maar de nijlbaars werd in het Victoriameer geïntroduceerd, had er geen natuurlijke vijanden, en zou het totale evenwicht daar ineens ruw gaan verstoren midden jaren tachtig.

Darwin’s Nightmare, zo heet een veelbekroonde documentaire over ditzelfde onderwerp.

Het viel me op dat de ramp relatief laat in het boek plaatsvindt, en dat Goldschmidt die in deze recente druk een pietsje relativeert ten opzichte van oudere uitgaven. Ja, de ecologie is ernstig verarmd in het meer. Van de soortenrijkdom aan vis bleef weinig meer over. Maar doordat de cichliden uit de voedselketen wegvielen, kregen bijvoorbeeld de garnaaltjes in het meer de kans om groot te groeien zonder opgevreten te worden.

En, zelfs de cichliden lijken terug te komen, na een poos uit beeld te zijn verdwenen. Maar zijn het wel dezelfde soorten cichliden als van voor de nijlbaars alles opat?

Met de kennis van nu lijkt dit boek wat uit evenwicht geraakt, omdat de toon van toen niet zal zijn aangepast. Dat viel me wel op.

Tijs Goldschmidt, Darwins hofvijver
Een drama in het Victoriameer

288 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker 2004, oorspronkelijk 1994

in: economie, basisbibliotheek, a-z, biologie, kennis, [auto]biografisch

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tijs Goldschmidt-pagina

Tijs Goldschmidt · Bijenchoreograaf

Dit dunne boekje is een relatiegeschenk, zoals sommige uitgevers dat elke jaarwisseling rondsturen. Veel tekst staat er doorgaans niet in dan, maar daar gaat het ook niet om. Het gebaar telt. Voor mij geldt dan weer dat Goldschmidt een schrijver is van wie ik alles wil lezen; zo’n auteur waarvan er gewoon te weinig boeken zijn verschenen.

En dankzij hem weet ik nu dus weer meer over het houden van bijen; een onderwerp dat wat mij betreft alleen interessant te maken is door het er zijdelings over te hebben. Een directe uitleg kan me niet vreselijk boeien. Anders had ik ook allang meer over het onderwerp geweten.

Maar Goldschmidt lukte het weer eens goed mijn belangstelling vast te houden. Hij weet die technische details ook nu weer probleemloos in een vrij persoonlijk verhaal te mengen, dat tegelijkertijd nooit te intiem zal worden.

Dat ‘bijenchoreograaf’ uit de titel verwijst overigens naar een eigenschap van honingbijen, om met elkaar te communiceren middels de dans. Daaruit kunnen andere werksters dan afleiden waar er nectar is te vinden. Maar omgekeerd moeten die bijen dus ook zijn aan te sturen door iemand die de danstaal kent.

En welk een carrièreperspectieven wenken dan ineens wel niet.

Tijs Goldschmidt, De bijenchoreograaf
28 pagina’s
Athenaeum—Polak & Van Gennep
Em. Querido’s Uitgeverij
Nijgh & Van Ditmar, 2004

in: a-z, biologie, [auto]biografisch

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tijs Goldschmidt-pagina

Josse de Haan · Kastanjes poffe

Dit wordt een wat merkwaardige analyse van een schrijver, omdat ik hier ga uitleggen waarom ik hem nauwelijks kan lezen. Dat uitgangspunt klinkt waarschijnlijk als een veroordeling, en is toch niet zo bedoeld. De Haan’s opvattingen over literatuur, en over kunst, zijn domweg de mijne niet. Heel principieel niet. Maar geen onzer opvattingen is de andere superieur.

Ik houd me alleen vast aan wat de schrijver Kurt Vonnegut ooit schreef. Die vroeg eens aan Saul Steinberg hoe het toch kwam dat er zo veel auteurs waren die hij onmogelijk met plezier lezen kon. En de wijze Steinberg antwoordde meteen dat er gewoon twee soorten kunstenaars zijn. Geen van beide is beter dan de ander, maar beide werken wel met vanuit een heel ander perspectief; wat makkelijk tot onbegrip leiden kan. De éen reageert namelijk direct op het leven, en de ander reageert vooral op de geschiedenis van zijn kunst tot dan toe.

Zo’n verschil in cultuuropvatting lijkt er ook te bestaan tussen mij en Josse de Haan. Zonder dat dit een onderscheid betekent dat we het over sommige zaken niet eens zouden zijn, overigens. Maar een tweedeling als die van hierboven helpt om de blik even te scherpen.

In de vrij recente bundel Kastanjes poffe [2005] heeft De Haan verschillende malen uitgelegd waar hij als schrijver staat. Hij heeft zijn opvattingen over literatuur, of kunst, zelfs in een programmaatje vastgelegd, dat onder meer gepubliceerd werd in het opstel ‘Moaie literatuer bestiet net’.

  • literatuer is taal yn har wêzenlike mearsinnige foarm;
  • literatuer is noait papegaaietaal, sjabloon of klisjee, en stelt it persoanlike en unike elemint op it foarste plak;
  • literatuer is it sykjen nei in adekwate foarm foar dy taal;
  • literatuer is ymplisyt altiten engaazjemint mei mins, wrâld en de taal sels, en fynt yn dy polarisearring (yn de dialektyk), yn dy opposysje har ymmanint krityske funksje. [24]

Nu ben ik beroepshalve geprogrammeerd om schema’s, theorieën, en kennisstelsels te wegen op hun sterke en zwakke punten. En zwakke punten zijn er altijd. Alleen daarom al zou ik nooit opschrijven wat literatuur van mij per se moet zijn. Maar omdat ik nog weleens een boek bespreek, is het voor u misschien nuttig dat ik me niet helemaal op de vlakte houd; en hier toch iets meer over te zeggen — al is het dan nu vooral in reactie op het werk van De Haan.

Meest opvallende omissie in Josse de Haan’s ideeën over literatuur vind ik dat hij geen opvattingen uitspreekt over taal, of boeken, als communicatiemiddel. Hij schrijft me in Kastanjes poffe bijvoorbeeld veel te minachtend over de betekenis die ‘ferhaaltsjes’ hebben.

Foar my hawwe ferhaaltsjes noait ynteressant west — rychjes fan werheljende huzen binne arsjitektoanysk ek net botte opwinend. [7]

Elders heb ik namelijk meermaals geschreven hoe wij als mensen automatisch een verhaalvorm kiezen om met elkaar te communiceren. Altijd is er een vormdwang. Het is weliswaar niet moeilijk om het met De Haan eens te zijn dat verhalen grote beperkingen hebben — denk maar aan de narrative fallacies door mensen als Taleb beschreven. Maar helemaal afstand van de verhaaltjes nemen, gaat mij te ver. Dat is zoiets als je distantiëren van de menselijke natuur. Dat is een totaal onbegrip tonen voor waar literatuur wegkomt.

Toch doet De Haan dit bewust.

De makker allinne is ferantwurdlik foar wat er docht, foar dat wat makke wurdt dat allinne hy of sij op dat momint ta útdrukking bringe wol: allinne op dit eagenblik kin dit middels him of har stal krije. Dat kin betsjutte dat in skriuwer, in skilder, in byldhouwer, in komponist, in filmer of in fotograaf yn in duorjende steat fan permaninte revolúsje ferkeart, en dat sokke lju — lit ús sizze keunstners — as keunstner yn wêzen anargist wêze moatte, en oars gjin keunster binne. [31]

En weer is het bij een citaat als dit niet moeilijk om het met De Haan eens te zijn, alleen schiet hij me opnieuw te ver door. Om een heel simpele reden — want, wat is een roman? En waarom zou iemand nu juist dit massamedium kiezen om iets te zeggen?

Bij elk boek dat ik ter hand neem om te lezen, is er een stilzwijgende afspraak tussen mij en de auteur. Ik schenk hem of haar een paar uur van mijn schaarse tijd, en daarmee ook al mijn aandacht. Daar moet dan wel iets voor terugkomen, in ruil.

Ik geef toe, ik houd het meest van auteurs die mij vriendelijk binnen nodigen, me een comfortabele fauteuil aanbieden, iets te drinken inschenken, en me meteen op mijn gemak weten te stellen. Komt het des te harder aan als mijn stoel ineens omgeschopt wordt, of mijn drankje een langzaam werkend zenuwgif blijkt te bevatten.

Maar als ik die metafoor aanhoud dat elke roman als een visite is, dan moet ik bij De Haan via het keukenraampje inbreken, om dan zelf op zoek te gaan naar iets waarvan ik niet eens weet of het er is. Heeft hij me eigenlijk wel iets te melden? Zulke opvallende gedachten verwoordt hij nu ook weer niet in het werk dat niet lijdt onder de dwang kunst te moeten zijn; zoals de opstellen in Kastanjes poffe.

Het is ook éen ding om te stellen dat zo veel boeken voorspelbaar en bevestigend zijn. Het is iets heel anders om de in zulke boeken, of de populaire cultuur, gebruikte vertelvormen dan ook maar meteen te verwerpen — er daarbij vanuit gaand zelf iets beters te kunnen bedenken. Terwijl er op dit gebied zo veel in beweging is. Juist de meest afgesleten vertelvorm die er bestaat in de populaire cultuur, die van de televisiesoap, heeft de laatste dertig jaar bijvoorbeeld een enorme verandering doorgemaakt. En daardoor wordt een enorm publiek elke avond opgevoed om meerdere, soms behoorlijk ingewikkelde verhaallijnen tegelijk te kunnen volgen. Die ontwikkeling is in televisiedrama van alle niveaus terug te zien — zeker niet in alleen het platste vermaak. Maar waarom negeren zo veel schrijvers dit soort vanzelfsprekendheden toch zo hooghartig? Vorm is toch juist gereedschap voor hen?

Zelfs van de anarchie die De Haan zo waardeert, kan meteen gezegd worden dat veranderingen van binnenuit altijd effectiever zijn dan de pogingen ergens van buitenaf tegen te ageren op een nieuwe manier. Daar zijn honderden voorbeelden van te geven. Maarten ‘t Hart hield bijvoorbeeld om deze reden op met publiceren van stukken tegen de ongerijmdheden in het christelijke geloof. Hij merkte dat zijn inspanningen geen enkel effect hadden. Daarvoor was hij te veel een buitenstaander geworden, en dus te makkelijk te negeren. Maar alles wat een theoloog als Kuitert schrijft, kan bij gelovigen aankomen als een mokerslag.

Doelbewust afstand tot een publiek creëren door vormexperimenten boven alles te stellen, is veilig. Merkwaardig veilig voor iemand die anarchist wil zijn. Dit is misschien wel waar voor het voor mij het meest wringt tussen wat De Haan zegt voor te staan, en wat hij uiteindelijk creëert.

Laat me daarom nog wat dieper ingaan op dat zelfgekozen isolement van Josse de Haan. Op zijn alleengang in het experiment met de taal.

De Haan zet zich behoorlijk in postuur met zijn uitspraken over wat literatuur moet zijn. Hij stelt daarmee feitelijk boven alles kunstenaar te zijn, en maakt zich zo dus vrijwel immuun voor inhoudelijke kritiek op zijn werk. Het is mij te makkelijk om te zeggen dat ik maar harder werken moet om in ingang tot zijn werk te vinden, als hij mij niet over kan brengen waarom ik die moeite zou doen.

Veroordeel ik nu met die laatste woorden nu de Gysbert-jury die Josse de Haan dit jaar bekroonde? Welnee, ik wijs er enkel op wat onbewust mee kan hebben meegespeeld bij het oordeel. Boeken die een duidelijke leesinspanning vereisen, hebben een hogere status dan schijnbaar toegankelijk werk. Ook al levert die extra inspanning uiteindelijk niets. Lezers en boekenkopers houden er vrij massaal een ander oordeel op na, dat is ook iedereen helder.

Misgun ik De Haan soms de prijs? Nee, dit ook al niet. Iemand die al zo lang zo veel in het Fries publiceert, en daar ook anderen bij helpt, verdient alleen voor die volharding al een kroon.

Ik zal zijn romans alleen niet gauw meer lezen.

meer De Haan op boeklog

Josse de Haan, Kastanjes poffe
Opstellen/essays oer (’oare’) literatuer
analyses fan proazawurken en poëzij

237 pagina’s
Utjouwerij Venus, 2005
isbn 90-5998-022-0

in: boeken over schrijven, a-z, bundels, fryske boeken

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Josse de Haan-pagina

Eduardo Galeano · Aderlating van een continent

Dit boek had ik eerder gelezen. Maar dat me er vrijwel niets meer van bijstaat, is wel begrijpelijk. De aderlating van de continent blijkt vooral een zakelijk economisch traktaat te zijn. Het mist alle charme van Galeano’s latere werk.

Niet dat Galeano in latere boeken milder zou zijn, of minder zakelijk. Maar in die boeken zit meer lucht, omdat er ook mensen in voorkomen. Mensen die uitspraken doen, of weleens iets meemaken.

Galeano poneert ook een wel erg simpele economische theorie in dit boek. Die heeft weliswaar de charme om veel te verklaren, maar toch geloof ik hem daarbij niet helemaal.

Het rijke Noorden, zo zegt hij, heeft éen groot voordeel ten opzichte van het arme Zuiden. En dat voordeel is een gebrek. Natuurlijke hulpbronnen zijn er schaars, de grond mag er behoorlijk arm heten. Daardoor was het in het Noorden altijd al wroeten om door de tijd te komen, terwijl daar in het Zuiden nooit redenen voor waren.

Maar toen kwamen die wroeters naar wat later Latijns-Amerika is gaan heten. Eerst waren het de Europeanen, die overal een veel gullere natuur aantroffen dan zij het gewoon waren. Dat voordeeltje moest natuurlijk uitgebuit worden. Dit gebeurde door de mijnbouw te intensiveren, en op monocultures over te gaan op landbouwgebied.

Veel van de hierbij benodigde menskracht kwam op slavenschapen van buitenaf binnen. En de landen in Latijns-Amerika werden zelfs voor alles afhankelijk werden gemaakt van fabrieken in Europa — en dan vooral Groot-Brittannië. Galeano gebruikt me een paar keer te vaak het voorbeeld dat in de Caraïben nog geen speld niet uit Engeland kwam.

In de twintigste eeuw werd deze kolonialisering heel subtiel overgenomen door de VS. De Amerikanen deden of ze investeerden, maar namen ondertussen overal de belangrijke nationale bedrijven over. Met als effect dat nog steeds de opbrengst van de zo rijke natuur goeddeels het continent verlaat.

Vanzelfsprekend, gezien het tijdstip van publicatie, is dat Galeano over deze ontwikkelingen schrijft met het Marxistische vuur van die periode.

Dus nee, Ondersteboven is een aanmerkelijk beter boek, over hetzelfde onderwerp, van dezelfde auteur.

meer Galeano op boeklog

Eduardo Galeano, De aderlating van een continent
Vijf eeuwen economische exploitatie van Latijns-Amerika

372 pagina’s
Kritiese biblioteek Van Gennep / Novib, 1983
vertaling van Las venas abiertas de América Latina 4e druk 1973

in: economie, a-z, geschiedenis, politiek

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Eduardo Galeano-pagina

Auck Peanstra · Sitebuorren

Het verbaast me altijd wat dat er in Nederland zo veel boeken gaan over de jeugd van iemand. Of het nu om fictie gaat, of autobiografie, altijd is er overvloedig aandacht voor de kinderjaren. Terwijl er doorgaans heel weinig bijzonders te zeggen is over die periode. Het decors liggen vast, met de situatie thuis, die op school, en desnoods nog het buitenspelen. De mogelijke personages zijn daarmee ook bekend. Hierop heel verrassends variëren is bijkans onmogelijk.

Pas als het iemand wel lukt iets eigens te doen met dit thema, valt op hoe krachtig het eigenlijk is. En Auck Peanstra wist een sterk boek te schrijven, met haar herinneringen aan het leven op Sitebuorren. Dat was toen een gemeenschap op een eiland, ten oosten van Grou — in het lege midden van de provincie Friesland.

Voor een kind is alles normaal, dus ook het leven op een afgelegen boerderij in de jaren vijftig. Zelfs als daar in haar vroegste jaren de twintigste eeuw pas aanbreekt, als er waterleiding komt, en elektriciteit. Zij krijgt amper mee wat er daardoor iets verandert. Maar wel moet ze bijvoorbeeld al jong leren roeien, om van het erf te kunnen komen en naar school te gaan.

Dit boek is voor mij vooral zo aardig doordat de schrijfster haar gekleurde herinneringen, en dus haar heimwee, afzet tegen verslagen uit de tijd zelf. Er zijn namelijk ineens brieven opgedoken van toen. Brieven van haar moeder aan een stagiaire. Beide vrouwen lagen elkaar goed, dus werd er meer uitgewisseld dan enkel de beleefdheden. En daardoor blijkt dat Sitebuorren veel minder een paradijs te zijn geweest dan Auck Peanstra zich wel herinnerde. Het boerenbestaan kent altijd al onzekerheden, maar voor een boerderij op een eiland geldt dit nog meer, met het extra gevaar van wateroverlast.

Door die brieven helemaal op te nemen, krijgt dit boek een heldere vorm. Bovendien stelt de inhoud Peanstra in staat over alle aspecten van haar jeugd te schrijven, zelfs over de tijd voor haar geboorte.

Behalve een portret van haar jeugd, is dit boek daarmee ook een eerbetoon aan haar moeder. Een verontschuldiging ook haast, van had ik hier maar eerder over geweten.

Voor mij, met mijn achtergrond als cultuurhistoricus, bood dit boek bovendien nog wat interessante extra’s. Zo leerde ik van Peanstra hoe laat sommige afgelegen gebieden in Friesland pas bij de moderne tijd betrokken werden. Daarnaast waren zelfs haar herinneringen interessant aan de verplichte logeerpartijen, als de vaarten dicht waren gevroren en er niet normaal van school naar huis was te gaan. Ik leer daaruit dan weer uit sommige mensen hier dus nog tot in de jaren vijftig in een alkoof sliepen. Niet plat op de rug liggend, maar half rechtop zittend, met ladingen kussens in de rug.

Nederland was laat met het afschaffen van de bedstee en het alkoof, zo leerde Ileen Montijn me, maar dat ze nog zolang in gebruik zijn geweest, verrast me dan toch.

Bij elke paradijs-verhaal hoort een verdrijving. In dit boek is daar zelfs op verschillende manieren sprake van. Allereerst heeft natuurorganisatie It Fryske Gea inmiddels grote stukken van het gebied in bezit, en wordt er niet meer zo als in vroeger tijden landbouw bedreven. Teruggaan, kan alleen daarom al niet meer. De wereld ligt er heel anders bij inmiddels. Maar ook toen Auck en haar familie er nog woonden, kwam de buitenwereld al steeds dichterbij, door de aanleg van wegen. Er werd zelfs een polderweg helemaal vanaf Oudega doorgetrokken die het isolement van de boerderij in éen keer ophief. En Auck Peanstra kreeg dan misschien nog wat brieven van haar moeder terug, er waren maar een klein tal van die tijdscapsules. Al gauw werd het voor haar moeder makkelijker om even met haar vriendin te telefoneren.

Later verhuisde de familie naar een boerderij in de buurt van Wartena. Auck Peanstra heeft maar tot haar veertiende op Sitebuorren gewoond. Later werd ze kleuterleidster, en ging ze kinderboeken schrijven.

Het antwoord op mijn verzuchting waarom zo veel mensen zich geroepen voelen almaar over die jeugd te schrijven, is natuurlijk niet zo moeilijk. Een terugkeer naar het verleden is uitgesloten. Terugkeren kan dan alleen nog in herinnering, of door die herinneringen tot boek uit te werken. Niet vaak gebeurt dit zo boeiend als in Sitebuorren, myn eigen paradys. Wellicht omdat de kindertijd van de schrijfster zich op het breukvlak van twee tijdperken afspeelde, denk ik.

Auck Peanstra, Sitebuorren, myn eigen paradys
Oantinkens

175 pagina’s
Utjouwerij Venus, 2007
isbn 978-90-5998-041-9
priis: € 17,90

in: a-z, geschiedenis, [auto]biografisch, fryske boeken

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Auck Peanstra-pagina

Tim Krabbé · Marte Jacobs

Er is iets merkwaardigs met de boeken van Tim Krabbé, dat ik ook opmerkte in mijn boeklogje over De renner. Al moet tegelijk worden gezegd dat de bevreemding pas naderhand komt. Als het boek al uit is, en er nog eens over wordt nagedacht.

Krabbé’s boeken kloppen vaak niet, voor mij. Logisch gezien.

Tijdens het lezen valt dit niet totaal op. Tim Krabbé weet zijn verhalen altijd heel vaardig op te zetten; van te voren is meestal duidelijk dat er een twist komt op het eind, en toch komt die wending bijna altijd nog als een verrassing. De uitstel van het ongeloof blijft tot het einde. Dit alleen al maakt zijn boeken opmerkelijk.

En met Marte Jacobs schreef Krabbé zelfs een roman over een onderwerp dat me wel interesseert. Uiteindelijk gaat dit boek misschien wel over de vraag wat nu goed schrijven is. Al is die vraag in dit boek dan verpakt als een liefdesgeschiedenis — waarbij ditmaal het leeftijdsverschil tussen jongen en meisje het voornaamste belemmering is.

Ik heb het vaker op boeklog betoogd, de enige liefde waar boeiend over geschreven kan worden, is de gedwarsboomde liefde. Voor schrijvers levert dit het probleem op dat met het vrijer worden van de zeden, en het verdwijnen van het gearrangeerde huwelijk, nogal wat mogelijkheden tot verhalen wegvielen. Daardoor zoeken zij het mij nu wat te makkelijk in extremen.

Krabbé lijkt het zonder onredelijkheden af te kunnen. Hij schetst overtuigend de liefde tussen het jonge meisje Marte Jacobs, en de zeven jaar oudere Emile Binenbaum, een dichter in wording. Zij is negen jaar oud als ze elkaar voor het eerst ontmoeten. En zelfs al bestaat die liefde misschien alleen in Binenbaum’s hoofd, en ontmoeten de twee elkaar door de jaren maar een paar keer bewust, er lijkt iets bijzonders te zijn.

Maar juist als Marte oud genoeg geworden is voor Emile om nu eens door te pakken, wordt ze door een ander versierd, op een schoolreünie. Erger nog, de snoodaard was een vriend. Ene Willem Reiff, die zich later bovendien ook nog ontpopt tot schrijver, na eerst in de reclame te hebben gewerkt. Een buitengewoon succesvol schrijver bovendien, in elke boekhandel massaal aanwezig. Al leest Emile Binenbaum zijn boeken alleen om te zien of Marte er ooit in voorkomt.

Het moet duren tot de mannen al in de zestig zijn, als Reiff het boek Een meisje uit mijn jeugd publiceert.

En het is door die grote kloof in de tijd, dat het verhaal van deze roman voor mij bij nader inzien schuurt. Vijfendertig jaar na dato nog zulke emoties? Die Binenbaum moet wel erg weinig in zijn leven hebben meegemaakt…

Toegegeven, Marte Jacobs heeft hem ooit tot dichter gemaakt. Het vers waarmee hij in elke bloemlezing staat opgenomen, werd geschreven na de eerste ontmoeting met haar. Het was het allereerste gedicht dat hij ooit schreef — ook al zo’n onwaarschijnlijk gegeven.

En waarom haat hij haar niet, omdat hij misschien door dat ene gedicht wel een verkeerde afslag in het leven heeft genomen, en dacht de dichtkunst als roeping te hebben?

Nee, dit boek is een aardig sprookje over de liefde, waarvan ik hier het plot niet zal verraden, omdat er wel degelijk een hoop leesplezier aan te beleven is. Had het in een bundel gestaan met nog een stuk of zes, zeven vergelijkbare verhalen, dan was ik er waarschijnlijk aangenaam door getroffen geweest. Maar als roman blijft er na afloop mij te weinig van over.

meer Krabbé op boeklog

Tim Krabbé, Marte Jacobs
165 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 2007

in: a-z, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tim Krabbé-pagina

Donald Hall · Principal Products of Portugal

Er komt geen woord over Portugal voor in deze bundel, maar voor al die pagina’s proza plopte een titel met prettig veel p’s wel plezierig. Zo dacht de dichter Hall. Gelukkig is er verder aan de stukken niets gemaakts te merken.

Interessant is dit boek om een aantal redenen. Allereerst nog wel dat dit boek verscheen vlak nadat de schrijver ten dode was opgeschreven. Ik verwees daar eerder naar in mijn boeklogje over het autobiografische Life Work. Was dat boek een persoonlijke plaatsbepaling in de tijd, dan maakten de omstandigheden deze bundel tot een afgewogen keuze uit alle teksten die Hall ooit schreef voor het geld. Noem ook dat maar een eindafrekening.

Opmerkelijk is bovendien dat hij in een slotessay inzicht geeft in de moeite die het hem kostte om proza te schrijven. Donald Hall wist al jong dichter te zijn, Maar tegelijk met dat besef begreep hij ook nooit van de poëzie alleen te kunnen leven. Toch duurde het werkelijk decennia voor hij meende ook een eigen stem te hebben gevonden in de prozastukken die hij om den brode schreef.

Dat hij inzicht geeft in hoe het is, om bijvoorbeeld voor The New Yorker te schrijven, en eindeloos correcties te moeten aanbrengen, vind ik bijzonder. Al publiceert Hall het verhaal over de beeldhouwer Henry Moore in dit boek met zijn eigen eerste zin. Niet met die informatievere hem opgedrongen.

Opvallend is verder ook Hall’s onderwerpkeuze. Al spreekt het op zich bijna vanzelf dat een dichter over andermans poëzie schrijft, Donald Hall wijdt in deze bundel ook rustig een hele reeks verhalen aan sport; in dit geval over een paar helden uit het honkbal en het basketbal.

Maar naast de slotbeschouwing sprak me het meest aan wat hij schreef over stillezen, en hardop lezen. Hall is een dichter die het betreurt dat kinderen op school geen poëzie meer uit hun hoofd hoeven te leren; zoals trouwens meer van zijn collega’s.

Het is ook een smalle basis om te gaan schrijven met alleen het vocabulaire dat je uit jezelf bent gaan spreken.

meer Hall op boeklog

Donald Hall, Principal Products of Portugal
Prose Pieces

271 pagina’s
Beacon Press, 1995

in: a-z, boeken over schrijven, [auto]biografisch, bundels, poëzie, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Donald Hall-pagina

Geert van Istendael · Mijn Duitsland

De lange reeks essays, reportages, en columns in dit boek begint met ‘Aachen’, en eindigt met ‘Zalm’. Het staat nergens, maar deze bundel had ook Alfabet van mijn Duitsland kunnen heten. Net als Van Istendael vorig jaar een boek uitgaf dat Alfabet van de globalisering heette.

Die vorm moet hem bevallen zijn.

En daar is ook wel wat voor te zeggen. Onderwerpen kunnen te groot zijn om in éen boek af te doen. Zoals globalisering. Zoals Duitsland. Wat éen auteur daarover melden kan, is noodzakelijkerwijs fragmentarisch. Door zulke fragmenten in alfabetische volgorde te presenteren, wordt die onmacht erkend; terwijl er tegelijk toch iets aan overzicht lijkt te worden geboden.

Ik vond dit een uitermate prettig boek om te lezen. Zeker de reportages die Van Istendael schrijft, reiken ver. Zijn aandacht voor het kleine en persoonlijk ervarene vind ik wel aanmerkelijk interessanter dan de breedhistorische onderdelen in zijn beschouwingen.

Mijn voornaamste bezwaar tegen dit boek is het bijna geheel ontbreken van een verantwoording. Achterin deze bundel staat wel terloops dat sommige artikelen al eens elders verschenen — zoals in Alle uitbarstingen — maar liever had ik ook geweten wanneer elk stuk oorspronkelijk geschreven is. In deze bundel wordt ook werk van zeker twintig jaar oud gerecyclet. Daar heb ik niets op tegen, maar het ergert me wat als dit gegeven wordt weggemoffeld.

In deze bundel versterken de delen elkaar; en dat is altijd het enige criterium om zo’n magazijn van een boek mee te beoordelen. Maakt niet uit waar de delen dan wegkomen.

Maar goed, wat houd ik uiteindelijk over aan dit boek? In elk geval een lijst met Duitse worstsoorten, om toch eens te proberen — of belangrijker nog, de wetenschap welke worst te vermijden.

Nee, Van Istendael schrijft zo inspirerend over een paar schrijvers dat ik nu zeker weet me toch eens meer in bijvoorbeeld Tucholsky te moeten verdiepen.

En hij maakt nieuwsgierig, naar een paar plekken. Maar dat is allemaal extra; daarvoor lees ik niet per se een boek als dit.

meer Van Istendael op boeklog

Geert van Istendael, Mijn Duitsland
464 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2007

in: reizen, a-z, geschiedenis, essays, bundels

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Geert van Istendael-pagina

Keith Waterhouse · Billy Liar

Herman Brusselmans noemde dit onlangs ergens een lievelingsboek. Opvallend genoeg. Al weet ik nooit wat zulke lijstjes waard zijn. Zijn aanbeveling was voor mij ook niet de reden het te lezen. Ik kende de status van het boek al enige tijd. Het stond al op mijn lijst met alles nog eens te lezen. Ik wist dat het een kleine Britse klassieker met humor was uit de jaren vijftig. Een boek bovendien dat verfilmd was, vertoneeld, en vermusicald.

Dit exemplaar lag voor een euro in éen van de vele bakken die boekhandels buiten zetten. Ik kocht het vooral om het kaft; dat ontworpen is door een Tony Meeuwissen.

Billy Liar speelt zich grotendeels af op éen dag. Een vrij fatale zaterdag als alle leugens aan het licht komen die de 19-jarige Billy Fisher ooit heeft verteld.

En ja, het is grappig. Bij tijden. Maar eerder pijnlijk grappig, dan grappig grappig.

Als zedenschets van het leven in de jaren vijftig, in een vrij treurig arbeidersgezin, zal het zeker geslaagd zijn. Bovendien heeft Billy een kansloos baantje op kantoor bij een uitvaartonderneming — een mens zou voor minder geheel in zijn fantasie gaan leven.

Alleen, wat verloopt alles in dit boek ontstellend traag. Die keuze om alles in éen dag te laten plaatsvinden, zal best iets betekenen. Misschien zitten er onderhuids in dit boek parodieën op Ulysses verstopt, dat kan ik niet goed inschatten. Maar wat maakt het langzame tijdsverloop dit boek voorspelbaar.

Toegegeven, de slotvraag of Billy afreist naar Londen, of blijft om zijn problemen op te lossen, is wel weer erg goed uitgewerkt in dat laatste hoofdstuk.

Keith Waterhouse, Billy Liar
187 pagina’s
Penguin 1983, oorspronkelijk 1959

in: a-z, humor, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Keith Waterhouse-pagina

Nyk de Vries · Motorman

Prozagedichten, staat er om het omslag. En de Friese Pers Boekerij geeft dit boek uit als poëzie. Toch las ik verhalen. Erg korte verhalen weliswaar, van rond de honderd woorden. Maar wat Nyk de Vries schrijft, voldoet voor mij aan alle definities van het korte verhaal, zoals de beste auteurs daarvan die hanteerden.

Zo meldde Anton Tsjechow in een brief aan kranteneigenaar Aleksej Soeworin uit 1890:

Als ik schrijf, reken ik helemaal op de lezer om zelf de subjectieve elementen toe te voegen die ontbreken in het verhaal.

En Raymond Carver schreef in het essay ‘A Storyteller’s Shoptalk’:

What creates tension in a piece of fiction is partly the way the concrete words are linked together to make up the visible action of the story. But it’s also the things that are left out, that are implied, the landscape just under the smooth (but sometimes broken and unsettled) surface of things.

Ook Nyk de Vries geeft de lezer steeds net genoeg mee, om een idee te krijgen over het drama achter het verhaal dat er te lezen is. En telkens net als er begrip dreigt te ontstaan, is er tot slot ineens een draai.

Daardoor noemen sommigen deze prozagedichten allereerst grappig. Maar door alleen op dit twist aan het eind te letten, wordt de schrijver toch tekort gedaan.

Eén goed gedicht, of een uitmuntend kort verhaal, kan genoeg zijn voor een dag. Meer is niet nodig om toch voldoende te hebben gelezen. En sommige van De Vries zijn prozagedichten halen dit hoge niveau. Maar het is ook makkelijk om je eraan te overeten. Wie enkel op het absurdisme of de clou let, onderschat de schrijver. Dan wordt een bundel als deze makkelijk een doos bonbons die te haastig opgegeten is, waardoor er op het laatst niets meer wordt geproefd; omdat het alleen nog om de beloning van zoetheid gaat.

Een deel van deze prozagedichten is eerder al eens elders gepubliceerd. De Vries heeft ze ook bij optredens voorgelezen. Dat kan verklaren dat een groot aantal zinnen helemaal klaar lijkt; uitgebeend en wel, zijn ze toch immens rijk. Veel zinnen stralen uit op die plek al ervaring te hebben.

Wel bestaat er voor soms mij een verschil tussen de Friestalige versie van deze bundel, en de Nederlandstalige. Waar het Fries geheimzinniger kan lijken, komt het Nederlands juist onbarmhartiger over:

BELGIE

Met veel bravoure verliet ik familie en vrienden
om het helemaal te gaan maken in België, samen
met mijn lieve Wendelien. Dat viel eerlijk gezegd
nogal tegen en binnen korte tijd verloor onze
liefde al haar glans. Op het laatst kwamen we
terecht op een kartonfabriek waar onze chef
het duidelijk had voorzien op mijn Wendelien.
Ik was niet meer mezelf daar in België en
tijdens een pauze sloeg ik hem keihard met een
hooivork op zijn rug. Sommige collega’s kwamen
later naar me toe en zeiden: ‘Die hooivork
had daar ook helemaal niet mogen staan.’

BELGIE

Mei in protte bravoer ferliet ik famylje en kunde
om it hielendal te meitsjen yn België, tegearre
mei myn leave Wendelien. Dat foel earlik sein
wat ôf en fluch ferlear ús leafde al har glâns. Op
it lêst kamen we telâne op in kartonfabryk dêr’t
ús sjef it dúdlik foarsjoen hie op myn Wendelien.
Ik wie net mear mysels dêr yn België en ûnder it
skoftsjen sloech ik him bonkehurd mei in gripe
op ‘e rêch. Sommige kollega’s kamen letter nei
my ta en seinen: ‘Dy gripe hie dêr ek hielendal
net stean mocht.’

Tegelijk wordt een mens er niet wijzer van om beide versies te vergelijken. Door analyse lost de betovering op.

Ik besef namelijk steeds in prozagedichten als die hierboven meer te lezen dan me aangeboden is. Hele films aan gebeurtenissen trekken in een paar seconden op de achtergrond voorbij, enkel door die zes zinnetjes. Ik word gemanipuleerd — en weet dat — maar de laatste zin vergoedt toch de schaamte gemanipuleerd te zijn. Dus is die twist meer dan een grappige ontknoping, er ontstaat ook opluchting door.

Hoogstens heb ik op de deze bundel aan te merken dat er van mij niet altijd een twist precies aan het eind hoeft te komen, en dat sommige prozagedichten wat lijden onder de dwang dat alles steeds in die honderd woorden moet. De prettige onvoorspelbaarheid van de inhoud wordt teniet gedaan als de vorm tot voorspelbaarheid leidt. En dat vind ik jammer.

Daarom hoop ik dat De Vries, tussen het schrijven van romans door, en zijn optredens met Meindert Talma, verder blijft gaan met deze teksten. De dunste boekjes zijn vaak het dikst, dat is maar weer eens gebleken.

Nyk de Vries, Motorman
en 39 oare proazagedichten
59 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
isbn 978 90 330 0622 7
Nyk de Vries, Motorman
en 39 andere prozagedichten
59 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007

in: a-z, aanbevolen 2007, humor, verhalen, poëzie, fryske boeken

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nyk de Vries-pagina

E.B. White · Essays of E.B. White

Het eerste wat ik ooit las van E.B. White was het essay ‘Farewell, My lovely!’. Dit maakte grote indruk, en dan niet eens alleen door de stijl van schrijven, of de humor van de auteur. Het was vooral het onderwerp dat hangen bleef. White beschreef zijn liefde voor de Ford Model T.

Ooit besteedden de belangrijkste postordercatalogi meer ruimte aan accessoires voor die Ford dan aan mannenkleding. Maar in 1937, toen White zijn herinneringen opschreef, was de auto al tien jaar uit productie. En Sears Roebuck had nog maar éen bladzijde ingeruimd met verkrijgbare onderdelen.

In deze bundel met essays blijkt ‘Farewell, My Lovely!’ amper acht pagina’s lang te zijn. Terwijl het in mijn herinnering was uitgedijt tot de omvang van een kleine novelle.

Het is altijd een teken van goed schrijven als iets in gedachten zo veel groter kan worden als het is.

Nu stond er geen tweede ‘Farewell. My Lovely!’ in dit boek. Toch werd ik opnieuw verrast in de breedte en de diepte van White’s onderwerpskeuze. En zijn stijl, en zijn humor.

Voor een deel is dit te verklaren uit de keuzes in zijn leven. White wilde niet alleen een tijdschriftjournalist zijn. Naast stafmedewerker van The New Yorker werd hij ook keuterboer op het platteland van Maine. Die twee zo verschillende bestanen wisselde hij een tijd lang zelfs af.

Interessantst aan dit boek waren voor mij de meer persoonlijke stukken. Misschien om de keuzes die White in zijn leven heeft gemaakt. Zeker om de wijze waarop hij beschreef wat hem ooit na was.

E.B. White, Essays of E.B. White
364 pagina’s
Harper Perennial 1999, oorspronkelijk 1977

in: a-z, [auto]biografisch, bundels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de E.B. White-pagina

Herman Franke · Uit het niets

Over een roman als deze is het moeilijk een afgewogen boeklogje te schrijven. Omdat ik wel zie wat Herman Franke doet, maar mij dat nu soms wat ergerde — terwijl ik in een recensie voor een minder persoonlijk medium de schrijver waarschijnlijk juist geprezen had om zijn experimenteerdrift.

Deels is dit een van de boeiendste boeken die ik dit jaar van een Nederlandse schrijver las. Zelfs al komt er zo’n onvermijdelijk jongetje in voor, met al zijn jongetjesavonturen en jongetjesangsten. Was het nog een schrale troost dat die jeugd zich in de stad Groningen afspeelde.

Maar waarom kunnen Nederlandse auteurs het toch zo zelden af zonder scènes uit de kindertijd?

Interessanter was al dat Franke ook de studententijd van zijn hoofdpersoon meenam, diens vele zo vaak mislukkende liefdes, en boeiend werd het vooral toen het om het werk ging dat hij voor zichzelf schiep. Portrettenschrijver werd de man. Al ben ik dan zo vrij grote overeenkomsten tussen dat werk en de journalistiek te zien. Want, al geeft Franke aan dat portrettenschrijvers hun klanten vleien, en lang niet altijd waarheidsgetrouwe zinnen vormen, dit geldt voor de meeste Nederlandse journalisten net zo goed. Anders zou er niet zo veel geluld worden over met politici, zonder dat het ooit gaat over voor welke beslissingen die mensen werkelijk staan. Of, om wat zij eigenlijk zouden moeten doen.

Enfin.

Overigens is dit boek niet chronologisch, en komen die scène’s uit de kindertijd later, met als bedoeling om de hoofdpersoon beter te plaatsen. Maar is er wel éen hoofdpersoon? Er zijn meerdere personages in dit boek met de naam ‘ik’.

Deze boek is er bovendien in een uit komende reeks, volgens Franke. Een reeks die zowel voor- als achteruit zal lopen.

Ook dat mag.

Nee, waar ik mij wat aan stoorde was de nadruk op een bepaald soort filosofie in dit boek. Zo neemt Franke ergens gewoon een collegedictaat over de Griekse wijsgeer Parmenides over. Niet dat de auteur dit van mij niet zou mogen, maar het is veel meer dat mij die filosofie persoonlijk zo weinig interesseert.

Franke maakt bijvoorbeeld een terugkerend nummer van de paradox van Zeno; die van Achilles en de schildpad; die nooit in te halen is. Terwijl dat een onbestaand probleem voor mij is. Het bestaat alleen omdat in taal verwoordt kan worden wat helemaal niet zo hoeft te gebeuren.

En dan volgt er al dat geneuzel nog dat een mens er is en toch ook weer niet…

Dus las ik vanuit mijn exact-filosofische achtergrond een boek waarin voor een groot deel primair gespeeld wordt met de mogelijkheden en onmogelijkheden van taal. Maar dan wel zonder dat de auteur dit zich bewust schijnt te zijn. Die lijkt werkelijk het idee te hebben zich met interessante problemen bezig te houden.

Daarom trad er soms kortsluiting op tijdens het lezen.

Herman Franke, Uit het niets
253 pagina’s
Uitgeverij Podium, 2007

in: a-z, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman Franke-pagina

Frans de Waal · Aap en de filosoof

Primatoloog Frans de Waal hield in 2003 de Tanner-lezingen aan de universiteit Princeton. Daarop mochten enkele andere wetenschappers hun — meestal nogal filosofisch georiënteerde — antwoorden formuleren. Waarop De Waal uiteindelijk nog weer met een repliek kwam.

De weerslag van deze discussie staat in dit boekje.

En het is De Waal te prijzen dat hij die eeuwige discussie over de oorsprong van de moraal van nieuwe argumenten voorziet. Dat is een discussie waarin nogal eens merkwaardige stellingen worden ingenomen. Vooral door gelovigen, die zeker weten dat moraal een soort boekhouden is. De eindafrekening volgt namelijk nog wel, als alles eindelijk opgeteld kan worden. Eén de merkwaardigste titels op boeklog verzameld is voor mij Is alles geoorloofd als God niet bestaat?

Kort gezegd zijn wij nogal geneigd alles slechte dingen die mensen doen te wijten aan onze dierlijke oorsprong, aldus De Waal. Terwijl alle goeds zou komen uit wat wij samen aan cultuur hebben geschapen. Maar De Waal wijst er vervolgens op dat mensapen ook goed voor elkaar kunnen zijn, en wel degelijk empathie hebben.

Zijn ervaringen in het onderzoek van de primaten zet hij vervolgens om in een aanval op het “vernisdenken”, wat zou stellen dat cultuur maar een dun aangeleerd laagje is over onze beestachtige natuur.

De repliek in dit boek komt er vooral op neer dat De Waal overdrijft als hij zijn versie van de vernistheorie geeft, omdat werkelijk niemand die zo aanhangt.

Ik vond de discussies in dit boek aan de academische kant, en eerlijk gezegd ook niet vreselijk interessant. Constateren dat mensen een moraal hebben, is éen ding, maar de vraag waar die dan wegkomt, vind ik het voeren van een raar soort achterhoudegevecht. Een afrekening vooral, met een soort antropocentrisch denken dat niet vreselijk interessant is.

De vraag waarom de mens, met zijn immens hoge moraal, telkens weer oorlogen uitroept, of zo makkelijk anderen uitbuit voor het eigen gewin, is voor mij een stuk interessanter. Maar daarvoor dan bijvoorbeeld onderzoeken welke biochemie er meespeelt in onze emoties — wat ook weleens gebeurt — vind ik toch ook een verkeerde benadering van de kwestie.

Enfin, er zijn redenen voor waarom geschiedenis mijn studie werd.

meer De Waal op boeklog

Frans de Waal, De aap en de filosoof
Hoe de moraal is ontstaan

228 pagina’s
Uitgeverij Contact, 2007
vertaling: Primates and Philosophers

in: biologie, a-z, politiek, vertaald, filosofie, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Frans de Waal-pagina

Flessepost

De Portugees-Nederlandse auteur José Rentes de Carvalho schreef al in 1999 in zijn dagboek dat hij graag een eigen website wilde. Hij wilde daarop signalen op te zetten, met de intentie

waarmee men vroeger flessen in zee wierp

Het zou nog jaren duren, en toen had ook hij een weblog. Helaas voor mij is dat in het Portugees. Maar daar gaat het mij nu niet om. Ik gebruik dit voorbeeld van Rentes de Carvalho om aan te geven dat het idee flessenpost te verspreiden ooit een heel bruikbare metafoor was voor degenen die iets op het wereldwijde web publiceerden. Hij was toen namelijk lang de enige niet die dit zo zag.

Begin deze eeuw was er zelfs een dienst die ‘Flessenpost’ heette. Wie zich daarvoor opgaf, kon dan een e-mail opsturen die dan aanspoelde bij zo maar een andere abonnee. Lang heeft deze ‘Flessenpost’ overigens niet bestaan. Schrijven aan een onbekende is nu eenmaal moeilijk. En wie er al werk van maakt, en dan alleen kattebelletjes terugkrijgt, wordt ook niet aangemoedigd. Bovendien blijken internetgebruikers doorgaans helemaal niet zo heel veel prijs te stellen op anonieme toenaderingen. Sociale netwerken, als Hyves, schoolbank.nl, of Facebook, zijn tegenwoordig een groot succes — maar dan wel om bestaande contacten te versterken, of om verloren vrienden van vroeger weer terug te vinden.

Zelf heb ik via mijn beide weblogs toch wel zo veel leuke en onverwachte contacten opgedaan dat voor mij dat oude romantische idee wel bestaan blijft. Iets online publiceren, is een vorm van flessenpost. Al geef ik toe dat dit misschien voor alle vormen van publiceren geldt. Het blijft altijd afwachten wie je leest, en of er ooit een reactie terugkomt op je werk.

Tegelijk geldt ook dat wie schrijft misschien blijft.

De Amerikaanse auteur John Updike gebruikte het woord flessenpost niet toen hij aangaf wat voor hem het hoogste was dat hij met zijn schrijven kon bereiken. Toch had hij dit zo als metafoor kunnen gebruiken. Updike hoopt alleen van zijn werk dat ergens een tiener, of wie dan ook, ooit een boek van hem van een plank zou pakken, en dat die tekst dan net zo inslaat als hoe goede boeken hem ooit hebben weten te raken.

In de bundel Flessepost wordt dit romantische idee omgedraaid. Niet de kwaliteit van wat is aangespoeld telt allereerst, van belang is vooral de reactie daarop. Negentien Friese schrijvers en schrijfsters kregen iets verrassends voorgelegd dat Leendert Ferwerda ooit in een fles had gevonden, ergens op het Wad tussen Zwarte Haan en Holwert in. Aan hen de taak om daar een antwoord op te geven; op welke manier dan ook.

En in die omkering ging het wat mis voor mij. Dit is een fraai vormgegeven boekje, en ook aan de reacties van de schrijvers mankeert het op zich niet. Maar mij interesseerde de vondsten gewoon niet zo veel. Er waren nauwelijks bij die mij iets deden. Mijn fantasie werd niet in werking gezet. Terwijl ik daar toch op gehoopt had.

Wie voor het eerst iets bijzonders ziet, in een boekje als dit, of op een tentoonstelling, of desnoods op televisie, krijgt daar zo zijn gedachten over. Tenminste, zo werkt dat bij mij. Op zo’n moment is er weinig mooier om te lezen dan wat een schrijver nog meer gedaan heeft met datzelfde uitgangspunt.

Het interessants vond ik nog de echte flessenbrieven van kinderen. Omdat daarvan vermoed mag worden dat die met enige hoop in zee zijn gegooid. Zo’n briefje is er bij van het Amerikaanse jongetje Ryan, die een dollar had bijgesloten voor antwoord.

Van weer andere briefjes vermoed ik enkel dat die overboord zijn geworpen in een dronken of een baldadige bui. Uit verveling. Eerder omdat het te ver lopen was om de lege fles in de vuilnisbak te gooien, dan om een ander reden.

Goed, er is éen heel opvallend flessenbriefje bij, uit 1943. Overboord gezet vanaf de Duitse onderzeeër U72, varend voor de Nederlandse kust. Er was net een bemanningslid standrechtelijk geëxecuteerd aan boord om muiterij, en een kanonier moest daar blijkbaar toch zijn emoties over kwijt, op éen of andere manier. Maar dat karige briefje is weer zo sterk dat het voor mij wel zonder antwoord had mogen blijven.

Verder zitten er ook briefjes tussen die helemaal geen briefjes zijn, zoals twee uitgeprinte lijsten met bemanningsleden, of de lapelpas van een veiligheidsbeambte.

Tezamen is al dat aangespoelde goed allemaal mij wat te weinig dwingend om iets bij me op te roepen waar ik meer over zou willen horen. Terwijl ik het nu net altijd wel interessant vind wat schrijvers presteren, onder strikte dwang. Flessepost wordt daarmee eerder een staalkaart van wie op dit moment in Friesland korte literaire teksten schrijft dan iets anders. Dat is ook aardig, daar niet van, maar misschien ging het dus met dit boek al mis bij het idee. Het uitgangspunt versterkt het resultaat niet, en andersom. Ik zag ook niet zo veel van mijn idee terug dat het nu net schrijvers zijn die weten hoe het is om iets in alle onzekerheid met de stroming mee te geven.

Waarschijnlijk is actie wel per definitie veel spannender om te lezen dan reactie.

diverse auteurs, Flessepost
96 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
isbn 978 90 330 0628 9
priis: € 17,50

in: a-z, verhalen, fryske boeken

[+] zie de gerelateerde titels | 

Geert van Istendael · Belgisch labyrinth

Eerdere versies van dit boek hadden een andere ondertitel. ‘Schoonheid der wanstaltigheid’ stond er eerst op het kaft. Nu komt die titel alleen nog terug in het hoofdstuk dat over de huizenbouw in België gaat. Over het waarom van die verandering staat nergens iets. En eerlijk gezegd begrijp ik de nieuwe ondertitel ook niet goed.

Wakker worden in een ander land?

Ik had dit boek al eens gelezen, in een eerdere incarnatie. Toen het nog de ‘Schoonheid der wanstaltigheid’ heette. En het viel me mee hoeveel er mij bijgebleven was. Nu laat België me ook niet geheel onver