zondag 2 december 2007
Er bestaat bij mijn weten geen Nederlandse vertaling van de essays die Natalia Ginzburg schreef. Er is niet eens een wikipedia-pagina aan haar gewijd in onze taal. En omdat aan mijn Italiaans weer van alles ontbreekt, lukt het me alleen om haar oeuvre via een omweg te benaderen.
Deze bundel, A Place to Live, is een bloemlezing uit vier verzamelingen die Ginzburg tijdens haar leven publiceerde. Ik vermoed dat de samenstelster, die ook alles vertaald heeft, daarbij een sterke voorkeur had voor stukken met een autobiografisch karakter. Alleen staat hierover in de verantwoording niets.
Die keuze maakt dit voor mij een wat onevenwichtige bundel, zonder dat ik weet of dit terecht is. Een aantal delen uit het leven van Ginzburg, en vooral dan haar jeugd, krijgen uitgebreid aandacht. Waarover zij verder schreef, en dacht, en publiceerde, blijft het boek nogal onduidelijk.
Goed, door deze bundel zijn me passages uit die zo opvallend anders geschreven roman Stemmen van de avond wat helderder geworden.
Maar aan het slot van A Place to Live is bijvoorbeeld dan ineens een pamflet van Ginzburg opgenomen dat zij schreef tegen de willekeur van de Italiaanse kinderbescherming in een adoptiezaak. En ik begreep niet zo goed waarom dat stuk nu precies werd uitgekozen. Omdat ze toch ook tegen het fascisme geschreven heeft, om maar eens een wat minder toevallig onderwerp te noemen.
meer Ginzburg op boeklog
Natalia Ginzburg, A Place to Live
and other selected essays
239 pagina’s
First Trade Paperback, 2003
in: a-z, essays, vertaald, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Natalia Ginzburg-pagina
maandag 3 december 2007
Deze thriller voldeed voor mij aan vele eisen die ik aan een spannend boek stel. Alleen schoot het boek op éen front tekort. The Dead Hour was niet in éen zitting uit te lezen. En dit kwam wel degelijk omdat het boek te dik is — ofwel dunner had gekund.
Het is bij altijd maar afwachten of ik bij een tweede zitting met een spannend boek in dezelfde flow kan komen. Slaagt dit niet, dan wordt doorlezen nogal zinloos. Literatuur wil ik absoluut wel langzaam lezen, maar andere boeken juist helemaal niet. Hoezeer het Denise Mina ook lukt boeiende personages te creëren, het is toch het plot dat zo’n boek als dit voortstuwt.
The Dead Hour is in zekere zin het vervolg op Field of Blood, omdat het boek dezelfde hoofdpersoon heeft. Wel is deze Paddy Meehan inmiddels iets hogerop gekomen. Van kopijhulpje is zij tot verslaggeefster in de nachtdienst gepromoveerd. Die taak houdt vooral in dat zij op meldingen over de politieradio afgaat, om te kijken wat ergens gebeurd is.
Op éen zo’n nacht belt zij aan bij een huis, waar de politie net is geweest om een klacht af te handelen over burengerucht. Weliswaar doet er een man open, maar die scheept haar meteen af. Hij koopt haar afzijdigheid met een biljet van vijftig pond. Dat is veel geld voor Paddy, die nog thuis woont en daar als enige een inkomen binnen brengt. Alleen blijkt er later wel degelijk iets gebeurd te zijn. Een jonge vrouw is in het huis vermoord. En éen van de weinige sporen die de vermoedelijke dader heeft achtergelaten, is dat bankbiljet; en de mogelijke sporen daarop. Maar als Paddy dit aan de politie zou geven, komt ook uit dat zij is om te kopen; waardoor haar krant haar kan ontslaan.
Deze verhaallijn, en zowiezo de persoonlijke ontwikkeling van Paddy Meehan, is mij boeiend genoeg om te volgen. Maar Denise Mina voegt er nogal wat subplotjes aan toe; doet dit bovendien als een alwetende verteller, en voor mij houden al die zijpaden alleen maar op.
Had deze thriller 300 pagina’s geteld, in plaats van 458, dan was het voor mij een indrukwekkend boek geweest. Nu liet het mij vrijwel onverschillig. Vooral uit de eerste helft had wat mij betreft de helft mogen worden weggesneden. Het boek komt traag op gang.
meer Mina op boeklog
Denise Mina, The Dead Hour
458 pagina’s
Bantam Books 2007, oorspronkelijk 2006
in: a-z, spannend, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Denise Mina-pagina
dinsdag 4 december 2007
Zo’n bloemlezing als deze lees ik om verschillende redenen.
Allereerst is natuurlijk een vraag hoe goed het beste is wat Amerikaanse tijdschriften publiceren in een jaar. En het antwoord daarop luidt, nogal wat beter dan wat ik in Nederlandse tijdschriften krijg te lezen.
Een vervolgvraag luidt dan wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de Amerikaanse tijdschriftartikelen, en die van bij ons? Heel simpel is het antwoord daarop: de Amerikanen krijgen tenminste de ruimte om er iets van te maken. Niet alleen zijn veel van de bekroonde artikelen een stuk langer dan tijdschriften hier nog willen afdrukken. Aan de inhoud is ook af te lezen dat de auteurs er lang aan hebben kunnen werken. Zelfs interessante experimenten met de narratie zijn dan ineens mogelijk.
Aan het lijstje bekroonde stukken valt bovendien op dat er twee kortverhalen tussen staan, van bekende auteurs bovendien; Joyce Carol Oates, en E.L. Doctorow. Maar welk Nederlands publiekstijdschrift, behalve dan de damesbladen, publiceert hier nog wel eens fictie?
Helaas is het ook weer niet allemaal hosanna, wat mij betreft. Aan de bekroonde stukken valt op dat goed schrijven in de VS blijkbaar alleen over mensen mag gaan. Het ene human interest-verhaal wisselt het andere af. Blijkbaar werden er in 2002 geen beschouwingen over politiek, economie, of cultuur in het algemeen gepubliceerd die de moeite waard waren. Abstractie lijkt een vies woord te zijn.
Toch zou de VS het jaar daarop een onafhankelijke staat binnenvallen, met als doel dit te bezetten. Afghanistan was al veroverd in 2001. Maar nieuws over beide landen komt niet in dit boek voor; alsof oorlog maar vervelend buitenlands nieuws is waar op binnenlands niveau geen aandacht naar uit hoeft te gaan.
Ik geef toe, een paar van die human interest-verhalen zullen me wel even bijblijven. Maar zelfs dan vind ik nog een vraag of dit om de geportretteerde personen is, of om een andere reden.
The Best American Magazine Writing 2003
With an introduction by David Remnick
440 pagina’s
American Society of Magazine Editors | Perennial 2003
in: a-z, essays, bundels, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels |
donderdag 6 december 2007
Merkwaardig boek vond ik dit. Het is duidelijk te lang, want het is op plaatsen onstellend traag. Maar er staan ook weer briljant beschreven scènes in, alleen gaan die vrijwel zonder uitzondering over wreedheden — zonder dat die dan weer expliciet worden uitgewerkt.
Curzio Malaparte was de schrijversnaam van de Italiaanse journalist en diplomaat Kurt Erich Suckert. Een enigmatisch man. Zo schreef hij in de jaren dertig tegen de fascistische regering van Mussolini, die hem daarom verbande. Maar later vertegenwoordigde hij dit regime dan weer in het buitenland. Kennis over vele Europese landen deed hij op als correspondent voor de Italiaanse diplomatieke dienst.
Het grootste deel van dit boek speelt zich af in Finland, waar het wachten is op de inval van het Rode leger. Tijdens dat wachten doodt ome Malaparte veelal de tijd met fijne verhalen over de oorlogsomstandigheden elders in het oosten van Europa.
Die wreedheden die hij daarin schetst, staan dan weer in contrast tot het gezelschap van hoge luiden waarin hij dagelijks verkeert. Nu goed, iedereen weet aan de verliezende kant te staan, dat maakt alles extra navrant.
Enfin, ik kan nu begrijpen waarom Malaparte ook bij Nederlandse schrijvers nog weleens terugkeert in citaten. Zelf denk ik dat het maar bij deze kennismaking moest blijven. De beschrijvingen in dit boek riepen gewoon te zelden het idee op geweldige literatuur te lezen. Ellende blijft, zelfs fantastisch gestileerd, toch gewoon ellende. Ook al schijnt Malaparte grote delen van dit boek verzonnen te hebben, dat sommige wreedheden als echt aanvoelen, is daarmee eerder treurig dan iets anders.
Curzio Malaparte, Kaputt
621 pagina’s
De Arbeiderspers, 2005
Vertaling uit het Italiaans van Kaputt, 1944
in: a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Curzio Malaparte-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
vrijdag 7 december 2007
Van alle grote Amerikaanse verhalenvertellers had ik alleen haar nog nooit gelezen. Eudora Welty. Een vrouw met zo’n krachtige naam dat er ooit een e-mailprogramma naar haar is genoemd, dat ik dan wel weer jaren in gebruik heb gehad.
Bij schrijvers als haar speelt mee dat er grote verschillen bestaan tussen hoe zij leefde toen, en hoe ik leef nu. Al hoeft zo’n kloof niet onoverbrugbaar te zijn. Groot zijn de auteurs die het lukt iets te melden dat zich niets aantrekt van die verschillen in taal, in cultuur, en in mentaliteit.
Welty slaagde hier niet in. Voor mij.
Ja, ik zag heel goed wat ze deed. Als Eudora Welty ergens in uitblinkt zijn het haar beschrijvingen, in een met fijn penseel aangewend Engels. Maar de enige keer dat die aankwamen bij mij, was als er kinderen voorkwamen in haar verhalen. Omdat de zorg voor kinderen universeel blijft.
Verder heb ik te weinig met het Amerikaanse Zuiden, in de negentiende eeuw, om daar alleen over te willen lezen wat mensen er deden, of zeiden.
Verhalen als deze moeten iets extra’s hebben, zoals een duidelijk plot, om onthouden te blijven worden. En dat hadden ze niet.
Eudora Welty, The Wide Net
And Other Stories
214 pagina’s
Harcourt Brace, zonder jaar
© oorspronkelijk 1941, 1942, 1943
in: a-z, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Eudora Welty-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
zaterdag 8 december 2007
Ik wist ooit zeker dat dit éen van die boeken zou zijn die met mij mee zou groeien. Een boek zo vol geladen dat elke keer lezen iets nieuws zou openbaren.
Toch was dat ditmaal niet zo.
Ik keek er nu wat bevreemd naar. Met terugwerkende kracht was zelfs niet meer zo goed duidelijk wat me er eerder zo goed aan beviel.
The Unquiet Grave is voor mij een boek dat bij de laatste weken van het jaar hoort, als zelfs overdag de lamp al op moet. Als het jaar teneinde loopt, en er goede voornemens voor de komende periode worden geformuleerd. Cyril Connolly schreef het tijdens de Tweede Wereldoorlog, als een mengeling van dagboek en een common place boek; naast dat hij zijn eigen wijsheid noteerde, worden er veel maximes van Franse schrijvers aangehaald. Pascal. Sainte-Beuve. Baudelaire.
Zogenaamd is het dagboek geschreven door Palinurus — een naamgenoot van de ongelukkige stuurman uit de Aeneas; die in slaap viel aan het roer, overboord sloeg, en eenmaal toch nog aan land gekomen daar wordt vermoord.
Toch was het niet de donkerte die me stoorde, of het gebrek aan lucht en licht en leven. Ik was eerder wat verbaasd ineens over de absoluutheid van de uitspraken telkens. Hun macho-gehalte, zo u dat wilt.
Dit boek begint al met de uitspraak dat de enige ware functie van een schrijver is om meesterwerken te scheppen. Dit klinkt misschien aardig. Maar Connolly formuleert voor mij hiermee vooral het perfecte recept om iemand een depressie aan te praten. Zou ik elk boeklogje schrijven vanuit het idee het laatste woord over een boek te moeten zeggen, dan kwam hier nooit meer iets te staan.
In het voorwoord van deze editie schrijft Connolly dat de geest van Palinurus vernietigd moet worden. De herinnering aan hem is het die in ons de melancholie oproept, en het schuldgevoel dat ons van binnenuit vernietigt.
De geneeswijze die de schrijver daar tegenover stelt, leek me alleen minstens zo erg als de kwaal.
meer Connolly op boeklog
Palinurus, The Unquiet Grave
A Word Cycle by Palinurus
142 pagina’s
Persea Books 1999, oorspronkelijk 1944
in: boeken over schrijven, a-z, en français [& vertaald], [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Palinurus-pagina
zondag 9 december 2007
Doris Lessing won de Nobelprijs voor literatuur dit jaar, en enigszins tot mijn schaamte moest ik bekennen niet zeker te weten of ik ooit iets van haar gelezen had. Als een Poolse schrijver bekroond wordt, of een Italiaan, kan dat nog. Maar bij een goed verkopende auteur uit een taal die ik toch makkelijk lees, is dat raar .
Love Again maakte mij wel meteen duidelijk waar Lessing’s krachten zitten. De ambachtelijke kwaliteit van haar schrijven is hoog. Deze roman heeft bijvoorbeeld een werkelijk enorme cast, en toch wist ze aan alle personages iets mee te geven dat hen memorabel maakte.
Ook aan het thema van de roman valt op dat het aanmerkelijk simpeler lijkt dan het uitpakt. Het boek verkent wat liefde is, en wat daarin verandert, in de loop van een leven. De blurp achterop dit boek rept er dan vooral over hoe een vrouw van 65 — die er twintig jaar jonger uitziet — eindelijk weer eens verliefd wordt. En dan ook nog op een jongere man. Terwijl dit maar éen aspect aan dit boek is, en dan misschien nog wel het minst boeiende ook. Bovendien zijn er twee mannen.
De roman laat op zo veel meer manieren zien wat liefde is. De hoofdpersoon Sarah Durham exploiteert bijvoorbeeld met een paar oude vrienden een theatergroep — zonder dat dit ooit veel geld op heeft geleverd. Juist daardoor hebben zij de ruimte om te experimenteren. Waarom zou je juist dat ene stuk willen ontwikkelen? Of die en die acteurs casten? Dat zijn belangrijke vragen.
Ik vond dit vooral een enorm levendig boek, omdat het verhaal zo slim wisselt tussen groepsscènes en intieme momenten à deux. Het enige wat ik er op aan te merken heb, is dat ik als lezer wel erg veel meekrijg van dat ene toneelstuk — eigenlijk een entertainment — dat de doorbraak voor Sarah’s theater wordt. Al gaat het verhaal daarvan natuurlijk ook weer op meerdere manieren over passie, en liefde; en over wat iemands omgeving daarin tolereert en wat niet.
Lessing heeft met dit boek indruk op me gemaakt, met haar schrijven. Dus zal ik haar niet eerder hebben gelezen.
Doris Lessing, Love Again
a novel
352 pagina’s
HarperPerennial 1997, oorspronkelijk 1995
in: a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Doris Lessing-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 10 december 2007
Nanne Tepper heeft nu al zo lang gezwegen na de uitgave van dit boek, dat ik ertoe neig de teleurstelling van de hoofdpersoon aan die van de schrijver gelijk te stellen. Dit was het dus. Meer moeten we van Tepper niet verwachten. Eén veelbelovend debuut gaf hij ons, een later gepubliceerde novelle die eigenlijk eerder geschreven was, en deze tweede roman.
Ik had De vaders van de gedachte meteen toen het uitkwam al eens gelezen, en vond het toen een interessante mislukking.
Dat oordeel blijft ongewijzigd staan, ook een kleine tien jaar later weer, na herlezing.
Er staat me te veel dialoog in dit boek die enkel dient als vulling. En de hoofdpersoon is een pijnlijk ongrappige cabaretier; een uitgangspunt dat zelfs op metaniveau niet voor mij werkt. Ik kan begrijpen waarom iemand een boek zou schrijven tegen de wat al te makkelijke lol in het Nederlandse cabaret. Kritiek heb zelfs ik genoeg op het niveau van al wat hier doorgaans de volle zalen trekt. Maar daar tegen ageren, dwingt daarmee ook om iets te zeggen over onze cultuur. En zo’n boek is dit niet.
En dan is er ook nog dat makkelijke trucje van die zieke dochter, die met pappa op reis mag. Voor het laatst. Waarbij in het midden gelaten wordt of dit om haar ziekte is, of om zijn walging over zijn beroep.
Begrijp me niet verkeerd. Tepper kan schrijven. Althans, dat kon hij toen. Op zinsniveau is er niets met dit boek mis. Ook staan er zeer geslaagde scènes in, zeker als het broeierig wordt. Maar een boek is dit geen moment. Daarvoor mist er te veel. Daarvoor is bijvoorbeeld het verschil te groot tussen de soms wat aanmatigende toon van de schrijver zelf in zijn beschrijvingen, en die van de dialogen.
meer Tepper op boeklog
Nanne Tepper, De vaders van de gedachte
143 pagina’s
Uitgeverij Contact, 1998
in: a-z, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nanne Tepper-pagina
dinsdag 11 december 2007
Goed dat er eens een boek verschijnt over wat muziek met ons doet. Maar jammer dan weer dat het van de neuroloog Oliver Sacks is. Niet dat ik iets tegen Sacks heb. Ik vind alleen dat zijn methode wat beperkingen heeft.
En ja, daarmee zeg ik waarschijnlijk ook wat over de manier waarop wetenschappelijk onderzoek bedreven wordt naar menselijke vermogens.
Er komen weer tal van patiënten langs in dit boek, die vaak niet eens meer normaal functioneren, maar voor wie geldt dat muziek, en muziek alleen, hen tot opvallende daden aanzet. Elk boek van Sacks is zo’n verzameling ziektebeelden. En elke keer houd ik daar het gevoel over dat Sacks meent iets veelzeggends te kunnen melden over het algemene door vervolgens alleen het bijzondere te beschrijven.
Misschien kan dit moeilijk anders, maar zelfs dan zou een opmerking over de beperkingen van die methode toch ook voor de hand liggen. Sacks geeft overigens wel aan dat er betrekkelijk weinig onderzoek is gedaan, naar hoe wij muziek verwerken.
Ik blijf vaak iets van plaatsvervangende schaamte houden, als de optocht aan stakkers voorbijtrekt. Geweldig dat er in Alzheimer-patiënten nog een vonkje geheugen oplicht als er liedjes gezongen worden. En dan?
Het is opvallend dat muziek zo veel kan oproepen; dat muziek van alle kunsten het meest direct mijn emoties kan raken. Goed, dan kan ik zeggen, laat dat wonder dan een wonder blijven. Maar zo werkt wetenschap niet, of kennisvermeerdering voor mij persoonlijk. En ik geloof ook niet dat een verklaring van het mirakel het wonder minder groot zou maken. Integendeel.
Het interessantst vind ik dit boek daarom als het ingaat op wat bijna iedereen gemeen heeft in de beleving van muziek. Als Sacks verkent wat er gebeurt bij het luisteren, of het zingen, of het bespelen van een instrument. Maar daar is het weer veel te oppervlakkig over.
meer Sacks op boeklog
Oliver Sacks, Musicofilia
Verhalen over muziek en het brein
381 pagina’s
Meulenhoff, 2007
Vertaling van: Musicophilia. Tales of Music and the Brain
in: a-z, biologie, vertaald, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Oliver Sacks-pagina
woensdag 12 december 2007
Zoals vaker met Friese zaken, broeit bij dit boek onderhuids van alles mee. Dit begint al met de titel, waarin de provincie “Friesland” wordt genoemd. Merkwaardig genoeg is zoiets al een statement. Het provinciaal bestuur wil namelijk hebben dat iedereen de officiële naam “Fryslân” gebruikt voor het gebied. Al lijkt het mij dat een regio die toch al perifeer is, door die dwang alleen maar verder op een afstand komt te staan.
En dan is er de persoon van de auteur nog. Dezelfde uitgever bracht bijvoorbeeld twee vergelijkbare boeken van Geert van Istendael uit — Mijn Duitsland en Mijn Nederland. Maar daarin schrijft een geïnformeerd iemand van buitenaf wat opvalt aan een ander land. Terwijl voor Mijn Friesland juist een inboorling werd uitgekozen, en dan eentje met een vooraanstaande positie in het gebied daarbij.
Rimmer Mulder is al decennia éen van de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant, in Friesland verreweg het meest gelezen dagblad. Hem wordt hierom alleen al een enorme invloed toegedicht, door sommigen. Zijn de media de vierde macht niet?
Nu kan ik de Leeuwarder Courant niet zo goed meer lezen. Er staat te zelden iets in dat mij verrast. Al geef ik toe dat het volschrijven van een regionaal dagblad me een hondse taak lijkt. In een mediawereld waarin steeds meer op precies omschreven doelgroepen wordt gemikt, is het leefgebied van een publiek alleen zelden een inhoudelijk criterium. Toch moet een regionale krant zich wel op mensen richten die hoogstens de eerste cijfers van hun postcode gemeen hebben.
De Leeuwarder Courant is voor mij daarom een krant die altijd voorzichtig zal opereren; noodzakelijkerwijs; om iedereen toch maar zo goed mogelijk te vriend te houden. Een uitgave waaraan vooral opvalt hoe weinig uitgesproken die is. Tegelijk zijn er nogal wat groeperingen en individuen in de provincie die blijven vinden dat zij te weinig aandacht krijgen voor hun afgeperkte belangetjes. Ook een voorzichtige koers ontmoet kritiek, als iedereen beter weet hoe de vaargeul moet lopen.
Een grote vraag was daarom voor mij vooraf, durft Rimmer Mulder het aan om zich voor de verandering eens duidelijk uit te spreken in dit boek? Daarnaast speelde mee of het hem zou lukken iets over Friesland te schrijven dat ik nog niet wist.
Bij mijn beoordeling woog bovendien mee dat ik Mulder’s werk onwillekeurig toch moest vergelijken met de boeken van Geert van Istendael. En die Belgische auteur is niet alleen een groter stilist; hij permitteert het zich ook om te schilderen met een rijker palet aan persoonlijke opinies. In Mulder’s Mijn Friesland komt dat Friesland daarom wel naar voren, maar blijft het “mijn” nogal onderbelicht.
Dit is zeker een onderhoudend boekje, maar het blijft aan de journalistieke kant. Als Mulder hiervoor alleen onderwerpen gebruikt heeft die hij de laatste tien jaren al eens aanstipte in zijn hoofdredactionele commentaren, zou mij dat niet verbazen. Er mist mij te veel aan eigenheid, en ook aan diepte.
Mijn Friesland is, evenals het vergelijkbare Mijn Duitsland, of Mijn Nederland, opgezet om via alfabetische lijst met trefwoorden toch een brede verscheidenheid aan onderwerpen te kunnen behandelen, zonder dat daarbij een rode draad noodzakelijk is. Opvalt dat Van Istendael het in zijn boek over Nederland onbekommerd heeft over Friese zaken als de Beerenburg van de weduwe Joustra, of de mummies in het kerkje van Wiuwert. Mulder vermijdt deze onderwerpen. Maar hij kiest dan weer wat andere willekeurige Friese cliché’s, zoals het polstokverspringen, het schuitjezeilen, en de eeuwige strijd rond het eierzoeken.
Ik geef toe dat hij af en toe iets schreef dat nieuw voor me was. Mulder bracht een verhelderend artikel over de positie van de stichting Je Maintiendrai in de Nederlandse uitgeversmarkt. Maar dat onderwerp is aanmerkelijk groter dan Friesland alleen. Daar tegenover staat dat ik niet goed begrijp waarom bijvoorbeeld TV-kok Reitse Spanninga een eigen lemma waard was.
En zo gaat er wel vaker belangstelling uit naar namen of ontwikkelingen die over tien of twintig jaar niemand meer iets zal zeggen. Is de schrijver me toch te weinig losgekomen van de actualiteit die in zijn dagelijkse werk zo’n grote rol zal spelen.
Door een soms opvallend gebrek aan een meer historische duiding van ontwikkelingen zal Mijn Friesland snel verouderen, denk ik. Iets minder vluchtig dan een krant is het, die morgen alweer oud papier wordt. Maar toch ook niet zo heel veel minder oppervlakkig. Er blijft na lezing weinig hangen.
Neem ik dan helemaal niets mee uit Mulder’s voorzichtige opinies? Nee, hij doet toch een opvallende uitspraak over de positie van de Friese taal. Die taal verklaart hij namelijk dood in dit boek, al citeert hij daarbij wel heel laf iemand anders om dit als oordeel uit te kunnen spreken — en wat een naar journalistentrucje is dat toch. De Friese taal is dood, omdat er in het geschreven Fries geen nieuwe woorden bijkwamen in een bepaald jaar. Nu verbaast dit oordeel mij inhoudelijk niet, maar wel dat Rimmer Mulder ineens met deze opmerking komt. Als hoofdredacteur van de meest gelezen uitgave in Friesland heeft hij namelijk een bijzondere positie in het stimuleren of het tegenhouden van het schriftelijk gebruik van het Fries. Maar zoals hierboven al gemeld, daarbij kan hij het nimmer goed doen, voor velen.
Rimmer Mulder, Mijn Friesland
272 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2007
isbn 978 90 450 0076 3
in: economie, typisch hollands, a-z, geschiedenis, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rimmer Mulder-pagina