Inhoud januari 2008:

Guy Vanderhaeghe · Trouble With Heroes

Paul Frentrop · Tegen het idealisme

Geert van Istendael · Mijn Nederland

Koos Tiemersma · Ladder

Jeroen Brouwers · Schemer daalt

Jeroen Brouwers · In het midden van de reis door mijn leven

Karel van het Reve · Marius wil niet in Joegoslavië wonen

Karel van het Reve · Freud, Stalin en Dostojevski

Jeremy Clarkson · And Another Thing

Jimmy Carr & Lucy Greeves · Naked Jape

Charlie Brooker · Dawn of the Dumb

Rodger Streitmatter · Sex Sells!

Guy Vanderhaeghe · Man Descending

E.B. White · Letters of E.B. White

Rebecca Ray · Pure

Bob den Uyl · Illusie van gisteren

Bob den Uyl · Bloedende trein

Klaartje Peters · Opgeblazen bestuur

Bart Chabot · Broodje springlevend

Dagblad De Pers van woensdag 23 januari 2008

Bart Chabot · Brood en spelen

Bill Bryson · Mother Tongue

August Willemsen · Taal als bril

Durk van der Ploeg · Himelsk oerwurk

Maarten van Rossem · Drie oorlogen

Hans van den Bergh · Klein republikeins handboek

Guy Vanderhaeghe · Trouble With Heroes

Op mijn andere weblog ging er al meerdere keren aandacht uit naar wat ik mooi vormgegeven boeken vind. Dit is in dat spectrum het andere uiterste. Ik geloof niet een lillijker boek te bezitten als The Trouble with Heroes. En dan valt de kaft nog alleszins mee.

Het begint er al mee dat dit boek twee ISBN-s heeft, Vanderhaeghe er twee keer een verschillende opdracht in heeft gezet, en dit exemplaar werd uitgegeven in zowel 1983 als in 1986. Ik mag blijkbaar kiezen wat me het liefste is.

Verder staat er te veel tekst op de pagina’s, en zien deze er niet uit alsof ze gedrukt zijn, maar of iemand een kopie van een kopie van een fotokopie in een kaftje heeft gestopt.

Het is nog dat dit boekje niet naar toner ruikt.

Ik kocht het een jaar of tien geleden voor een stevige twintig gulden, omgerekend, en voelde me daardoor toen werkelijk ernstig bekocht. Maar tegenwoordig is het dan weer niet moeilijk online een boekhandelaar te vinden die er meer dan honderd pond, of honderdvijftig dollar voor vraagt. Dit is ook wel zo’n onooglijk ding, dat het makkelijk per ongeluk met de stapel oud papier meegaat. Ik kan me voorstellen dat er al heel wat zijn weggeraakt. Het is een curiosum.

In The Trouble with Heroes staan zeven verhalen. Daarvan kon mij er maar éen zonder voorbehoud bekoren. De resterende zes lijken nog het meest op vingeroefeningen. Zoals dit hele boekje de sfeer uitademt de uitgave te zijn van de restjes die voor opname in de bundel Man Descending waren afgevallen.

Vanderhaeghe is een Canadees schrijver. Dit heeft als merkwaardig gevolg dat ik toch zit te wachten op iets dat zich in Canada afspeelt, of over Canadezen handelt. Maar dan spelen zich twee verhalen in deze bundel af in Bijbelse tijden. Enfin, het kan dan zijn dat ik door een gebrek aan bijbelvastheid niet zie hoe Vanderhaeghe speelt met canonieke thema’s, maar die vertellingen zeggen me werkelijk helemaal niets.

Nee, dit boekje wordt gered door het verhaal ‘The Prodigal’, ondanks de enorme sentimentaliteit daarvan. Het gaat over een vader, en een zoon, die noodgedwongen wel met elkaar moeten praten, terwijl er tussen beide zo veel is om over te zwijgen. Maar de vader gaat dood, hij is al blind, en er moet nog wel degelijk iets worden uitgesproken.

meer Vanderhaeghe op boeklog

Guy Vanderhaeghe, The Trouble with Heroes
and Other Stories
70 pagina’s
Borealis Press 1986, oorspronkelijk 1983

in: a-z, bundels, verhalen, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Guy Vanderhaeghe-pagina

Paul Frentrop · Tegen het idealisme

Zo moet het, heb ik een paar keer gedacht bij het lezen van deze biografie. Paul Frentrop heeft een zeer geslaagde levensbeschrijving van Pierre Vinken afgeleverd, en dit komt vooral omdat de hoofdpersoon nooit te lang hinderlijk in het beeld blijft; soms zelfs even tot edelfigurant wordt in dit boek. Want heel vaak gaat Frentrop’s aandacht uit naar de wereld om Vinken heen. De geschiedenis van het leven van éen man is niet los te zien van grotere ontwikkelingen in de geschiedenis zelf, en dat heeft de auteur goed begrepen.

Dus telt dit boek misschien daarom meer dan duizend pagina’s. Maar waar ik doorgaans een zwaktebod vind als een schrijver meer dan driehonderd bladzijden nodig heeft, was dit nu niet zo. Hoogstens gaat me iets te veel tekst naar de mislukte fusie tussen Elsevier en Wolters-Samson in 1987. Paul Frentrop had net op dat moment kennis gemaakt met Pierre Vinken. Misschien heeft hij bij het beschrijven van deze episode er te veel waarde aan gehecht nu ook eens iets uit eigen ervaring te kunnen melden.

Tegelijk kan goed verdedigd worden dat er zo veel plaats is ingeruimd voor die mislukte fusie, ook al stelde die hele zaak in de carrière van Vinken niet zo veel voor. Er ging als vanzelf een overdreven aandacht van journalisten uit naar de mogelijk fusie tussen beide grote Nederlandse mediabedrijven. En omdat de media hier ter lande liever simplificeren dan nuanceren, werd die hele overnamestrijd in nogal schrille kleuren besproken. Elsevier-chef Pierre Vinken werd de kwade genius in het verhaal. Daarbij hielp het hem niet dat hij interviews afwees. En omdat Vinken eerder in zijn leven hersenchirurg is geweest, werden hem door vrijwel iedereen de stereotype eigenschappen toegedeeld die chirurgen schijnen te hebben. Vinken was volgens nogal wat journalisten, die hem dus geen van allen gesproken hadden, een kille saneerder.

Maar wat moeten we geloven, en wat is waar? Naast de levensbeschrijving van Pierre Vinken komt deze vraag in nogal wat varianten terug in dit boek. En dit alleen al maakt Tegen het idealisme zo geslaagd.

Het begint al bij de beschrijving van Vinken’s jeugd, waarbij gelukkig nu eens niet wordt stilgestaan bij hoogtepunten als toen hij voor het eerst zindelijk was ’s nachts, of welk van de buurmeisjes zijn eerste vriendinnetje werd. Frentrop beschrijft in plaats daarvan de katholieke kilheid die er in Nederland Limburg heerste, toen Vinken er geboren werd. Waarbij de voornaamste taak van de priesters was om de arbeiders gedwee te houden.

Terloops wordt de enorme sociale druk op de bevolking daar weergegeven in een droog maar nogal schrijnend citaat op de pagina’s 42 en 43:

Alleen dankzij het feit dat mijn moeder haar baarmoeder was kwijtgeraakt, kon ik later studeren. Zo niet, dan had ze nog veel meer kinderen gekregen en had mijn vader zich mijn studie niet kunnen veroorloven. Dan was ik in de mijn terechtgekomen.

Vinken gaat uiteindelijk medicijnen studeren, vooral om onder de dienstplicht uit te komen. Leeftijdsgenoten worden ingescheept om nog even het laatste koloniale oorlogje te voeren in Nederlandsch-Indië. Alleen de studenten met een roeping konden onder die verplichting uit.

Om aan het benauwde katholieke milieu in Limburg te ontvluchten kiest Vinken bovendien voor de universiteit in Utrecht. Zonder te beseffen dat ook daar het vooral katholieke hoogleraren waren die de toon bepaalden; zoals de merkwaardige F.J. Buytendijk. Hoe hoog deze wel niet in aanzien zou Vinken merken toen hij hem op plagiaat meende te kunnen betrappen in diens boek De vrouw.

Groots is het hoe Frentrop erin slaagt de intellectuele benauwdheid van het milieu in die tijd over te brengen, en de afwerende reactie van Vinken daarop. Hij werd juist geen lid van het corps, hij zocht zijn eigen vrienden, en richtte zich met hen tegen de keer.

Typerend citaat voor deze periode, dat Vinken toeschrijft aan zijn vriend Joop Goudsblom:

De waarheid bestaat wel, maar kan niet pasklaar van andere geleerd worden. Iedereen moet haar voor zichzelf benaderen, met inzet van al zijn vermogens: de plicht tot waarheid is een individuele plicht. [55]

Vinken heeft veel gehad aan deze tijd, die hij ook zo lang mogelijk geprobeerd heeft te laten duren. Door zich almaar verder te specialiseren in de medicijnen, bleef er altijd ruimte om er dingen naast te doen. Het volgende assistentschap liet soms maanden op zich wachten. Dus deed hij kunsthistorisch onderzoek. Dus schreef hij uittreksels van medisch-wetenschappelijke artikelen voor de uitgever Excerpta Medica; een bijbaantje dat uiteindelijk tot de keuze leidde om uitgever te worden, en daarmee ondernemer.

Na Excerpta Medica volgde de overname door Elsevier, met alle zakelijke perikelen die daarbij hoorden. Maar voor mij bovenal interessant waren de lessen in de automatiseringsgeschiedenis die hierbij hoorden. Vinken zag in de jaren zestig al de toegevoegde waarde van de computer bij het ontsluiten van informatie, en daarmee dus ook de wens tot standaardisering van bijvoorbeeld de zoektermen die mensen kunnen invoeren.

Tussendoor werd Vinken buitengewoon hoogleraar in Leiden, op het gebied van medische informatieverzamelingen. De intreerede die hij daarbij in 1976 uitsprak, staat vrijwel integraal in dit boek. En mij valt het op, hoe weinig die oratie in principiële zin verouderd is. Weliswaar kan er technologisch inmiddels enorm veel meer, maar de kern van Vinken’s ideeën zou vandaag nog net zo nuttig en noodzakelijk zijn in een achtergrondartikel. Doordat hij toen al die inzichten had, begrijp ik ook eindelijk iets van het merkwaardige gegeven dat het een medicus lukte een katholiek Nederlands bedrijf tot grootste wetenschappelijke uitgever in de wereld te maken.

Zo is er meer, veel meer. Waarbij ik het bijvoorbeeld prettig vond dat Vinken zich zo’n grote liefhebber van Lichtenberg toont; of dat een wetenschapshistorisch artikel dat ik nog als bron in mijn afstudeerscriptie gebruikte toch echt van deze Pierre Vinken kwam, en van niemand anders.

Dus gaat dit boek verder nog over iconografie, of over het Republikeins genootschap. Of over hoe Vinken telkens nogal pesterig in de tekeningen van Peter van Straaten terugkwam, nadat diens vriendin was overgelopen. Onder meer. Onder zo veel meer.

meer Frentrop op boeklog

Paul Frentrop, Tegen het idealisme
Een biografie van Pierre Vinken

1032 pagina’s
Prometheus, 2007

** illustratie uit het besproken boek:

in: economie, aanbevolen 2008, a-z, [web] technologie, media, religie, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Paul Frentrop-pagina

Geert van Istendael · Mijn Nederland

Na zijn boeken over Duitsland en België gelezen te hebben, was het logisch om Van Istendael ook nog eens over Nederland aan het woord te laten. De man heeft hier gewoond, in zijn jeugd. En zijn uitgever is in Amsterdam gevestigd. Het land is hem niet vreemd.

Bovendien begint Van Istendael dit boek met de verzuchting dat hij het niet erg had gevonden als 1830 nooit was gebeurd; als België bij Nederland was gebleven. Dit belooft dat de schrijver niet alleen kritiek zal uiten in deze bundel.

Alleen blijkt dan toch een nadeel te zijn dat ik, anders dan over België of Duitsland, over Nederland al zo mijn eigen gedachten heb gevormd. Dit boek leverde me geen nieuwe inzichten op, anders dan Van Istendael’s andere bundels. Daarmee werd ineens alleen het persoonlijke belangrijk, en de taal waarin de schrijver zijn bevindingen heeft genoteerd.

Mijn Nederland moest het daarmee vooral hebben van het vermaak dat het bood. De hoofdstukken van dit boek bestaan uit een alfabetische lijst met trefwoorden, een logische lijn is er verder niet; dus afwisseling biedt het daarom genoeg. Willekeur misschien ook wel.

Maar wat blijft er weinig van de inhoud hangen. Tenminste, wat blijft er weinig over aan uitspraken over zaken die typisch Nederlands zijn.

Ik mag Van Istendael graag lezen, maar nu ik voor de verandering eens uit eigen ervaring kon oordelen waarover hij schreef, las ik hem blijkbaar toch anders.

** zie ook het boeklogje over Mijn Friesland

meer Van Istendael op boeklog

Geert van Istendael, Mijn Nederland
382 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2005

in: reizen, typisch hollands, a-z, bundels, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Geert van Istendael-pagina

Koos Tiemersma · Ladder

Onlangs heeft de Friese Pers Boekerij drie succesvolle Friese romans in het Nederlands uitgebracht. Zwarte engelen van Willem Schoorstra, Prospero van Nyk de Vries, en De ladder van Koos Tiemersma. Dat bood mij de gelegenheid om eens iets te testen. Ik had namelijk niet zo’n goed idee met welke snelheid en intensiteit ik het Fries lees, ten opzichte van het Nederlands. Terwijl ik vermoedde dat er een duidelijk verschil zou zijn.


 

Koos Tiemersma heeft zelf zijn roman De ljedder uit 2002 naar het Nederlands vertaald. Dit was de voornaamste reden om hem te kiezen uit de drie. In de andere twee romans staat niet wie de vertaling heeft gedaan.

Goed, op boeklog heb ik eerder wel Tiemersma’s boekenweekgeschenk Mind games beknord. Geheel onbevangen stond ik niet meer tegenover deze schrijver. Mijn verwachtingen waren bovendien al niet groot door de op het oog wat clichématige onderwerpkeuze van De ljedder | De ladder. Zijn debuut.

Het is mij bijvoorbeeld een raadsel waarom een schrijver die geboren werd in 1952 een boek in de Tweede Wereldoorlog laat afspelen. Wat heeft zo’n jongen nog toe te voegen aan de bibliotheken die al over deze periode zijn volgschreven door mensen die er wel bij waren? Ik vind zo’n keuze naar onmacht neigen, of in elk geval weinig zelfvertrouwen tonen. In onze cultuur heeft die Tweede Wereldoorlog een onaantastbaar hoge status. Iedereen weet wat er toen gebeurde. Elke schrijver die zijn boek nu nog in die periode laat spelen, maakt daarmee gebruik van breed bestaande vooroordelen. Zijn boek is al spannend, zonder dat hij daar zelf ook maar iets aan hoefde te doen. Wie daar geen rekening mee houdt als auteur, wordt al te makkelijk tot een zielige partizaan in het naoorlogs verzet.

Iets vergelijkbaars geldt voor de keuze om over een jongetje te schrijven. Ik heb me hier al vaker verbaasd dat het in Nederlandse boeken altijd over iemands jeugd schijnt te moeten gaan. Wat me hierin heel principieel ergert, is dat schrijvers daarmee over het hoofd van hun personages een verbond met de lezers aangaan. Want wij volwassenen weten wel beter dan zo’n kind, hè. Maar is het niet schattig wat zo’n jong denkt? Hebben we niet allemaal die kinderangsten gehad? Ach gossie.

Inspelen op wat lezers al weten en herkennen, dat moeten schrijvers zeker; anders verkopen ze geen boek. Maar ze moeten daarbij wel oppassen. Er is een grens. Schrijvers moeten zelf ook nog wel wat toevoegen. En de beste literatuur bevestigt niet, die breekt juist vooroordelen af.

Met dit uitgangspunt begon ik aan het lezen van De ljedder en De ladder. Mijn idee was om de oneven hoofdstukken in het Fries te lezen, en de even in het Nederlands.

En meteen viel daarbij op dat Tiemersma’s eigen vertaling degelijk is. Het ritme van de zinnen en hun toon bleven aardig bewaard.Toch kon ik naderhand precies zeggen wat ik in welke taal gelezen had. Ik bleek namelijk aanmerkelijk langzamer te lezen in het Fries; dat scheelde zeker een factor twee. En dit was niet altijd een voordeel. Daardoor viel me iets op.

Koos Tiemersma moet het van zijn precieze taalgebruik hebben in dit boek, en de sfeer die hij daar mee oproept. Het verhaal over de jonge Jacob Nauta en de geheimzinnige Joodse onderduiker stelt namelijk niet zo veel voor. De vragen die het opriep, zijn te verwaarlozen. De verhaallijnen die Tiemersma uitzette, waren voorspelbaar. Spanning kwam er niet. Er was voor mij niets daarin dat de lengte van ruim driehonderd pagina’s rechtvaardigde.

Op zo’n boerderij buitenuit is normaal weinig te merken van een oorlog of een bezetting. Dat blijkt ook uit dit boek, waarvan de oorlogselementen er mij iets te nadrukkelijk lijken te zijn ingebracht; in elk geval nauwelijks een organisch deel van de tekst uitmaken. Ook Jacob’s kinderangsten en onbegrip zijn vrijwel tijdloos. Zijn jeugd had zich op elk moment in de eerste helft van de twintigste eeuw kunnen afspelen; en had dit maar beter kunnen doen.

Ik geef daarom toe de laatste drie stukken van dit boek in het Nederlands te hebben gelezen. Het leek me toen wel duidelijk dat de schrijver me niets in het bijzonder te melden had. Het boek uitlezen, was enkel controleren of mijn vooroordelen klopten, en in het Nederlands ging dat nu eenmaal een stuk sneller.

Voor mij persoonlijk had het nut om De ljedder in vertaling te lezen. Daardoor is me meer duidelijk geworden over ik het Fries intern verwerk.

Voor de schrijver lijkt het me dat hij de belangrijkste kwaliteit van zijn boek verloor, door het naar het Nederlands over te zetten.

meer Tiemersma op boeklog

Koos Tiemersma, De ladder
roman
320 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
vertaling door de auteur van: De ljedder
isbn 978 90 330 0638 8
Koos Tiemersma, De ljedder
roman

360 pagina’s
Friese Pers Boekerij 2005, eerste druk 2002
isbn 90 330 0546 8

in: a-z, vertaald, fryske boeken

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Koos Tiemersma-pagina

Jeroen Brouwers · Schemer daalt

Er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze schrijven, en er zijn schrijvers die ik lees om hoe ze denken. En opvallend is dat die twee kwaliteiten vrijwel nooit samen vallen. Het is weinigen gegeven iets mooi te formuleren dat ook nog geheel waar blijkt te zijn, en verrassend, en nieuw.

Fictieschrijvers, en dan vooral de humoristen, zijn misschien heel wel in staat iets te bedenken dat op waarheid lijkt, maar dat is altijd een waarheid van het moment; een slechts even oplichtende vonk in de duisternis, die opmerkelijk snel uitdooft. Terwijl, als ideeënschrijvers en wetenschappers iets waars weten te formuleren, dit niet in hun taal gestold hoeft te blijven. Als zij iets goeds weten te brengen, leidt dat tot een begrip dat groter is dan de woorden alleen; dat zelfs op een andere manier van zeggen net zo waar kan zijn.

Dit gegeven maakt het grappig om een schrijver die ik om zijn taal bewonder — Jeroen Brouwers — te zien vitten op iemand die ik om zijn ideeën waardeer — Karel van het Reve.

Nu deed Brouwers dit al vaker. Hij wees er bijvoorbeeld op hoe Van het Reve dikwijls heel lelijk het woordje “dat” inzet; in sommige zinnen zelfs wel drie of vier keer. Lees zo’n zin hardop, en laat dit “dat” een beetje knallen, en de tekst klinkt meteen belachelijk.

Ik heb zelf ook een voorliefde om vaak en veel met “dat” te voegen of te verwijzen. Door Brouwers’ gehoon is dit hopelijk minder geworden.

Neemt niet weg dat ik veel van Brouwers’ kritiek op Van het Reve te zwaar vind aangezet. Of niet terzake vindt doen. Zo lanceert hij in De schemer daalt uit 2005 een frontale aanval op de tekst van een losse aantekening die Van het Reve ergens in de jaren zestig publiceerde. Niet dat ik Van het Reve’s werk zo goed ken, maar toevallig kwam ik hetzelfde citaat even later tegen in Marius wil niet in Joegoslavië wonen, dat hier overmorgen geboeklogd wordt.

Van het Reve is lui, zo vindt Brouwers. Hij moet alle verwijzingen die hij geeft verantwoorden, en die niet afdoen met vaagheden. Van het Reve is bovendien niet geestig, wat Brouwers heeft nooit ook maar éen keer om hem kunnen glimlachen.

Brouwers heeft niet helemaal begrepen wat Karel van het Reve voor schrijver was, lijkt me; zonder dat ik daarmee die man nu heilig wil verklaren. Veel van diens werk is zo meteen alleen voor historici nog interessant. Denkbeelden over en kritiek op het communisme zijn inhoudelijk niet vreselijk boeiend meer na de val de Muur; behalve als illustratie van een tijdsbeeld. Maar toch.

De schemer daalt is de zevende aflevering van Brouwers’ eenmanstijdschrift Feuilletons. Het bevat dezelfde mix aan autobiografische stukken, levensbeschrijvingen van anderen, en kritische collumnpjes van eerdere edities.

Jeroen Brouwers mag Van Het Reve dan verwijten dat die zo vaak thema’s recyclet, ook de onderwerpen in zijn eigen geschriften zijn voorspelbaar voor wie er meer dan éen heeft gelezen. Dat is enerzijds prettig — men weet wat in huis komt — maar anderzijds ook wat vermoeiend. Hoeveel werk er ook zit in Brouwers’ artikelen over schrijvers die zelfmoord pleegden, ik heb daar nu al te veel van gelezen die me werkelijk niets interesseerden.

Dat eeuwige terugkijken van hem gaat irriteren, op den duur. Al begrijp ik tegelijk ook wel waarom Brouwers die stukken schrijven moet. Wie in geschrifte iets doet met alle informatie in zijn geheugen, of wat er in aantekeningen begraven ligt, verrijkt die gegevens daarmee. Zulks is ook een belangrijke reden voor mij om boeklog te schrijven.

Ik vond in dit tijdschrift Brouwers’ beschouwing over het werk van Bob den Uyl aardig, al citeerde hij daarin wat veel. Ook enige autobiografische stukken had ik niet graag willen missen. Voor de rest was het wel erg marginaal waarover Brouwers zich boog, en daarmee uitermate makkelijk te vergeten.

meer Brouwers op boeklog

Jeroen Brouwers, De schemer daalt
Feuilletons 7

236 pagina’s
Uitgeverij Noli Me tangere, 2005

in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jeroen Brouwers-pagina

Jeroen Brouwers · In het midden van de reis door mijn leven

Van Jeroen Brouwers lees ik bijna alles met plezier, behalve zijn romans. Hoewel de laatste twee minder gestileerd schijnen te zijn dan die daarvoor, heb ik ze nog niet ingekeken en ook geen plannen daartoe. Brouwers vind ik het interessantst als hij zich teugelloos in zijn taal laat gaan, niet als hij zich kwelt met zelfopgelegde stijleisen.

Dus lees ik het liefst zijn autobiografische geschriften. Dat heb ik hier eerder vermeld.

Dit boekje is een wat curieuze aanvulling op het oeuvre van Jeroen Brouwers, omdat het uit zo verschillende delen bestaat. In het eerste stuk kijkt de meester zelf terug op een periode in zijn leven, rond zijn dertigste. Het was in die tijd dat hij het bestaan in de goot toch maar eens opgaf, om rechtopstaand naar de sterren te kunnen reiken. Daarbij vult Brouwers wat biografische details in, die zijn vaste lezers al grotendeels hadden kunnen oppikken uit eerdere boeken. Maar mooi is dat het nu eens op een rij staat.

Na Brouwers zelf volgt een werkelijk stomvervelend stuk van een literatuurwetenschapper, of een ander soort kunstvlo, die de vroege boeken van Brouwers nader gaan duiden. En dan volgt na een inleiding, door weer een ander, het uiteindelijke doel van deze uitgave, de integrale publicatie van éen Brouwers’ oermanuscripten. Dit om zijn vaste lezers te kunnen tonen hoe weinig de meester verloren heeft laten gaan; hoeveel van de tekst uit die verzameling invallen en aanzetten uiteindelijk zijn boeken ook echt heeft gehaald.

Daarop volgt nog eens de herpublicatie van het deel uit de ‘De Exelse testamenten’ waarin inderdaad iets uit dat oermanuscript te herkennen is. De literatuurwetenschap staat toch maar weer voor niets, in deze.

Een curiosum was het derhalve, deze uitgave, dat voor mij alleen om het autobiografische stuk van Brouwers aan het begin de moeite van het lezen waard was.

Jeroen Brouwers, In het midden van de reis door mijn leven
Oerboek

192 pagina’s
Uitgeverij Atlas, 2006

in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jeroen Brouwers-pagina

Karel van het Reve · Marius wil niet in Joegoslavië wonen

Een lezer ben ik, veel meer dan een bibliofiel. Toch kan een zekere drang tot volledigheid me niet worden ontzegd. Zo stak het me al lang dat van alle boeken die Karel van het Reve ooit uitgaf, ik deze niet heb.

Die twee romannetjes van hem heb ik ook niet, maar dat kan me nauwelijks iets schelen — die boeken vind ik niet bijzonder goed.

Nu kan ik afwachten of de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren dit boek misschien uitbrengt, of tot het Verzameld werk van Van het Reve er eindelijk is, of ik kan zo’n ontbrekend deel voor veel geld antiquarisch bestellen. Maar blind iets kopen doe ik zelden nog, dat heeft me al te vaak een dure niet opgeleverd. Het leek me in elk geval nuttig dit boekje dan tenminste nog eens te herlezen.

En hieruit bleek me dat aanschaf overbodig is. Een groot deel van de losse aantekeningen in dit boek komt namelijk voor in Ik heb nooit iets gelezen. Andere stukken zijn herdrukt in Een grote bruine envelop, of komen voor in Grunberg’s keuze uit Karel van het Reve’s werk. En wat niet in deze drie boeken staat, was meestal zo tijdsgebonden anticommunistisch dat ik heel goed zonder leven kan.

Ook de wat tegenvallende inhoud van een boek kan gelukkig maken. Een beslissing is genomen; een pijnpunt weggehaald. Het was misschien een wat merkwaardige reden om een boek te lezen — maar het maakt ook wel weer rustig om te weten dat ik het niet per se hoef te hebben.

meer Van het Reve op boeklog

Karel van het Reve, Marius wil niet in Joegoslavië wonen
En andere stukken over cultuur,
recreatie en maatschappelijk werk

170 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1970

in: a-z, geschiedenis, politiek, bundels, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Karel van het Reve-pagina

Karel van het Reve · Freud, Stalin en Dostojevski

Omdat Marius wil niet in Joegoslavië wonen me wat tegenviel — het was te zeer verouderd — las ik deze bundel daar meteen achteraan. Die is van tien jaar later, dus ook nog van ruim voor de val van de muur, maar toch opvallend tijdlozer.

Al gaan artikelen over Freud, Nabokov, Stalin, of Dostojevski wel degelijk over al lang dode witte mannen, zij blijven toch nog wel even een onderzoek waard.

Van het Reve licht in dit boek onder meer uitgebreid toe waarom hij Dostojevski niet kan lezen. Die weerzin is misschien groter dan normaal, omdat hij wel geacht werd over deze schrijver college te geven. Tegelijk gebruikt Van het Reve de kennis die hij daardoor over het leven van Dostojevski opdeed, om kritiek op Freud te uiten. De Russische schrijver is namelijk éen van de weinige patiënten van wie de levensloop objectief te vergelijken is met de interpretatie door Freud daarvan. Daardoor valt op dat feiten voor Freud niet bijzonder zwaar tellen.

De laatste zestig pagina’s van deze bundel zijn gevuld met aantekeningen, die vrijwel zonder uitzondering werden herdrukt in Ik heb nooit iets gelezen. Slechts vijf stukjes blijven uniek voor dit boek.

Van de rest zijn de essays ‘Nabokov als docent’, ‘In memoriam John Collier’, en ‘In memoriam Sam de Wolff’ herdrukt in Een grote bruine envelop.

Uit wat er overbleef vond ik Van het Reve’s vergelijking tussen Tsjechov en Maarten Biesheuvel nog het aardigst, omdat hij daarin iets probeert te verwoorden over wat goed schrijven is. Tegelijk constateert hij dat de grootheid van beide auteurs er nu juist in zit dat ze het zich kunnen veroorloven algemeen geldende regels voor goed schrijven geheel te negeren.

Karel van het Reve, Freud, Stalin en Dostojevski
226 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1982

in: boeken over schrijven, a-z, bundels, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Karel van het Reve-pagina

Jeremy Clarkson · And Another Thing

Jeremy Clarkson schrijft de scripts voor Top Gear; een TV-programma dat hij bovendien presenteert. Het is éen van de weinige uitzendingen die ik zelden oversla. Maar over die reeks, en de jongetjestelevisie daarin, heb ik elders al eens uitgebreid geschreven.

Clarkson heeft ook een wekelijkse column in de krant The Sunday Times. Dit boek is daar een bundeling van.

Nu speelt Clarkson op televisie een duidelijke rol — die van een man met uitgesproken, dikwijls zelfs wat extreme meningen. Alleen daardoor al is hij niet bij iedereen even geliefd. De grote vraag vooraf aan het lezen van deze bundel was daarom of hij die rol op papier ook zou gaan spelen.

Dit bleek zo te zijn.

Toen werd een vraag of het moeite waard zou zijn een heel boek te lezen vol met aplomb gebrachte meningen.

Dit viel nog niet mee.

Clarkson’s humor is die van het overstatement. En maar heel soms weet hij iets daardoor zo bizar te maken dat het me verraste.

Overigens komen er nauwelijks verwijzingen naar zijn werk voor Top Gear in de columns voor. De lezers weten wel dat hij dit programma maakt, zo is waarschijnlijk uitgangspunt voor Clarkson. Dus schrijft hij uiteindelijk standaard-columns, en hangt het maar net van het seizoen af en de actualiteit waarover die gaan. Goed, hij heeft kinderen, maar daar gaat hoogstens zijdelings over; als het om de onmogelijke opgave gaat om cadeau’s voor hen te kopen. En Clarkson bezoekt wat vrij vaak bijeenkomsten waarvoor beroemdheden moeten worden uitgenodigd, dat valt dan nog wel op.

Het is dat hij die overstatements ook tegen zichzelf aanwendt, en zijn eigen onhandigheid behoorlijk kan uitserveren, anders was dit waarschijnlijk een onuitstaanbaar boek geweest.

Jeremy Clarkson, And Another Thing
The World According to Clarkson
Volume 2

318 pagina’s
Michael Joseph, 2006

in: a-z, bundels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jeremy Clarkson-pagina

Jimmy Carr & Lucy Greeves · Naked Jape

Er staan iets van vijftienhonderd moppen in dit boek, waarvan er precies vier toch nog zo leuk waren dat ik ze onthouden wil. Maar dan niet om ze na te vertellen. Eerder om de clou te kunnen gebruiken als komisch terzijde, in een lopend gesprek. Al blijft dit een wat ijdele hoop. Gochme bezit ik alleen als men probeert me op te lichten.

Moppen werken niet voor mij. En ik vind maar heel weinig zaken treuriger dan naar iemand te moeten kijken die voor de honderdste keer hetzelfde grappige verhaaltje oplepelt. Al die o zo populaire cabaretiers doen niets anders dan allang overleden geestigheden nog maar weer eens opwarmen. Mijn afkeer daarvan stuit zo vaak op onbegrip, dat het makkelijker is om gewoon maar te zeggen dat ik geen enkel gevoel voor humor bezit.

De Britse komiek Jimmy Carr vind ik heel soms dan nog wel eens geestig. Maar dan ook weer alleen als hij in zo’n typische BBC-spelshow ad-lib een grap maakt over wat hem daarin verbaast. Ik heb ook optredens van hem gezien, zij het nooit in de zaal, en omdat die vooral bestaan uit een eindeloze reeks moppen deden deze me niets.

Omdat ik spontane reacties zo hoog waardeer, was het misschien wat merkwaardig om een boek over humor te gaan lezen. Want, als er iets niet spontaan is, dan wel een boek. Aan publicaties wordt steevast tijden geschaafd.

Bovendien deed zich bij het lezen het merkwaardige verschijnsel voor dat beschouwingen over humor op zichzelf totaal niet grappig zijn, en veel eerder saai. Hoe veel moppen er bijgesleept worden ook, ter adstructie. Humor sterft niet alleen meteen op de ontleedtafel, maar verschrompeld ook tot bijna niets daarbij.

Ik kocht dit boek omdat een korte samenvatting ervan me zo bevallen was, in 2006. Het werd me al vrij gauw duidelijk dat in dat krantenartikel eigenlijk alles al stond wat nut had voor mij. Dit boek bracht niets extra’s, behalve dan al die pagina’s met moppen.

Als leerboek, of als naslagwerkje, misstaat het alleen absoluut niet in mijn kast.

Jimmy Carr & Lucy Greeves, The Naked Jape
Uncovering the Hidden World of Jokes

316 pagina’s
Penguin 2007, oorspronkelijk 2006

in: leerboeken, a-z, humor, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jimmy Carr & Lucy Greeves-pagina

Charlie Brooker · Dawn of the Dumb

Over Charlie Brooker hoorde ik voor het eerst in 2004. Toen versloeg hij in zijn TV-rubriek voor The Guardian het debat tussen de beide presidentskandidaten in de VS. Hij deed dit zoals elk weldenkend mens in Europa het had gedaan, als die hetzelfde podium had gekregen. Hij klaagde hardop over het klunzige marionettentheater dat hem was voorgeschoteld. En helaas maakte hij ter afsluiting een onschuldig grapje uit de Thatcher-tijd:

Waar is Guy Fawkes toch als we hem nodig hebben?

Helaas ook werd Brooker’s column online gezet, waardoor het stuk zijn normale setting miste. Amerikaanse lezers dachten daarom dat Brooker’s satire een serieus redactioneel commentaar van de krant was. Dus, zoals tegenwoordig gebruikelijk, waren onmiddellijk tal van doodsbedreigingen zijn deel.

De tweede keer dat Brooker me opviel was door zijn televisieprogramma Screenwipe op de BBC. Dit kwam niet zozeer door de inhoud van de kritiek die hij daarin leverde op andere TV-uitzendingen, voor mij vond hij daarin een nieuwe vorm om alle zo duidelijk zichtbare oppervlakkigheid aan te klagen. Brooker stond ook stil bij het waarom van de keuzes van televisiemakers. Dit maakte zijn opinies niet alleen sterker, ze werden er ook aanmerkelijk interessanter door; want intelligenter.

Brooker schrijft naast zijn TV-rubriek ook algemene columns voor The Guardian. Maar met bundels als deze blijft het altijd maar weer afwachten of de verzameling ook iets extra’s brengen. Al is aardig dat er bijdragen tot juli 2007 in dit boek zijn opgenomen.

Mijn eindoordeel over deze bundel valt uiteindelijk wat gemengd uit. Op zijn best is Brooker een intelligente en zeer humoristische gids in deze verwarrende tijden. Wat misschien mede komt door zijn wat ongebruikelijke achtergrond voor een journalist. Hij heeft een technische opleiding, en kwam tot zijn huidige werk door onder meer een tijd videospelletjes te bespreken voor specialistische tijdschriften. Brooker weet vaak heel goed wat er toe doet, en wat niet.

Zulks klikt met de nerd die ik nog altijd ben.

Op zijn slechtst doet Brooker niet meer dan bijvoorbeeld rechtstreeks reageren op de platste uitwassen van de commerciële televisie ons brengt. Passages waarin uitgewijd wordt over de kandidaten van de Britse ‘Big Brother’, of ‘X-Factor’, zijn niet vreselijk interessant voor wie die programma’s nooit gezien heeft; zelfs al zijn er parallellen te trekken met het TV-aanbod hier. Dat is hem misschien moeilijk kwalijk te nemen, ik ben tenslotte zijn hoofdpubliek niet.

Toch weegt zoiets mee.

Charlie Brooker, Dawn of the Dumb
345 pagina’s
Faber and Faber, 2007

in: humor, a-z, media, bundels, cultuur, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Charlie Brooker-pagina

Rodger Streitmatter · Sex Sells!

Dit is een Amerikaans boek van een Amerikaanse auteur. Dat was me van tevoren bekend. Ik heb het online bij een boekhandel in de VS gekocht voor heel weinig Amerikaans geld, dat toen bovendien nauwelijks wat waard was. Maar er is me ook bekend dat veel ontwikkelingen in de media in dat land beginnen, of daar in elk geval massa krijgen. Toch bleek dit een Amerikaans boek te wezen op werkelijk alle manieren die daar verkeerd aan zijn.

Twee van de TV-programma’s die er grenzen verlegden in het publieke debat, en die daarom een heel hoofdstuk waard zijn, kwamen oorspronkelijk uit Groot-Brittannië. Bijvoorbeeld. All in the Family kwam voort uit Til Death Us Do Part, en Three’s Company was een remake van Man About the House. Het lijkt mij op zijn minst opvallend die zo taboedoorbrekende reeksen scripts uit het buitenland stamden. Dat zou toch iets kunnen zeggen over de zeden elders, of in de VS, zo lijkt me.

Maar het valt de schrijver niet eens op. Het is alsof hij zich niet eens kan voorstellen dat er ook TV-programma’s bestaan die niet van Amerikaanse komaf zouden zijn.

Evenmin lijkt de schrijver te beseffen wat hij nu eigenlijk schrijft. Als hij de TV-serie Friends prijst, omdat de Amerikaanse tieners daaruit blijkbaar heeft kunnen leren dat een condoom ook weleens knappen kan, zegt dit ook iets over het niveau van de seksuele voorlichting daar. Maar het is geen conclusie die de lezer aangeboden wordt.

Dus is de waarde van dit boek tamelijk beperkt. Het kan als naslagwerkje in de kast, want op de feiten en de genoemde cijfers is niets af te dingen. Bij de interpretatie en de verwerking van al die informatie gaat het alleen mis op vrijwel alle niveaus.

Rodger Streitmatter, Sex sells!
The Media’s Journey from Repression to Obsession

283 pagina’s
Westview press, 2004

in: a-z, geschiedenis, media, cultuur, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rodger Streitmatter-pagina

Guy Vanderhaeghe · Man Descending

Het staat me niet meer bij of ik begin jaren negentig eerst Vanderhaeghe’s roman of deze vroege bundel verhalen in vertaling las. Wel weet ik nog goed toen even een nieuwe held te hebben gehad.


 

Ed.

De hoofdpersoon van de roman My Present Life [Tegen de morgen in slaap gevallen] is ook het belangrijkste personage in de laatste twee verhalen uit de bundel Man Descending [Het volmaakte einde van een volmaakte dag]. En mij deed dit deugd, omdat Ed zo’n prettige antiheld was. Intelligent is hij, en voorzien van een plezierig scherpe tong, maar toch niet goed in staat om zijn kwaliteiten nuttig aan te wenden.

Om uit te leggen waarom hij geen baan heeft, verzint Ed tegenover zijn vrouw en zijn vrienden dat hij een boek schrijft. Alleen lukt het hem niet ook maar een letter op papier te krijgen, tot hij een Western bedenkt. Niets blijkt makkelijker te zijn dan om hardop te fantaseren over de kwaliteiten van de stoere sherrif Sam Waters. Jammer alleen dat zijn omgeving iets anders onder schrijven verstaat dan het bedenken van pulp.

Ik weet niet precies meer wat ik toen precies zag in Ed. Maar behalve de humor van de verhalen, die de onderliggende tragiek van Ed’s leven aardig verbloemde, moet toch ook de boodschap van die twee verhalen indruk hebben gemaakt.

Er hoeft niet veel mis te gaan in een leven om het volledig te laten mislukken.

Inmiddels ben ik ouder dan Ed, en heb ik vele wannabe-schrijvers ontmoet die iets van hem hebben. De beide verhalen over hem, spraken me bij herlezing niet meer zo rechtstreeks aan als ze bij de eerste kennismaking deden. Humoristisch blijven ze zeker; bovendien bleek me ditmaal dat de vertaling toch niet echt recht doet aan de toon van het origineel.

Daardoor kreeg ik wel meer belangstelling voor de andere verhalen uit deze bundel, waarvan ik er nu een aantal duidelijk beter vind.

‘A Taste for Perfection’ bijvoorbeeld, of ‘The Expatriates’ Party’.

Vanderhaeghe is op zijn best als hij onder het oppervlakte van zijn verhalen grote emoties laat meespelen, zonder dat hij die zelf ooit zo uitspreekt. Tegelijk zit er ook wat schematisch, en daarmee iets opvallend bedachts, in zijn aanpak. Veel verhalen zijn in eenzelfde stroomdiagram te vatten: een kwetsbaar personage wordt in een andere omgeving gebracht, waardoor zijn trauma’s en angsten op verschillende manieren gaan leven.

Maar ik doe Vanderhaeghe als schrijver te kort om zijn verhalen zo beknopt af te handelen. Meermaals weet hij de voorspelbaarheid van zijn plots voor te zijn, en mij toch te raken ondanks de zekerheid over hoe het verhaal zal verlopen. Dit komt door zijn soms nogal opvallende taal. Dit komt dan door zijn beschrijvingen.

meer Vanderhaeghe op boeklog

Guy Vanderhaeghe, Man Descending
Selected stories by Guy Vanderhaeghe

227 pagina’s
Sceptre 1989, oorspronkelijk 1982

in: aanbevolen 2008, a-z, vertaald, verhalen, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Guy Vanderhaeghe-pagina

E.B. White · Letters of E.B. White

Deze verzameling brieven heeft het opmerkelijkste slot dat ik ken van een boek. Dit komt doordat er eerder een versie van verscheen, in 1976, en ook te lezen is hoe die editie ontvangen werd.

White had toen al moeite met zijn zicht, de brieven van na 1976 zijn meestal gedicteerd. Maar wat jaren later zou hij vrij plots dement raken. Daardoor staan in deze bundel ook brieven van zijn kinderen, die beleefd verzoeken van buiten afhouden. Hierbij gaan zij bovendien in op de gezondheidstoestand van hun vader. En daaruit leer ik dan hoezeer White er in zijn geestelijke schemering van genieten kon als hem brieven uit dit boek werden voorgelezen; omdat er dan weer iets van het plezier van toen oplaaide.

Schrijf na zo’n einde nog maar eens iets onaardigs op.

Plezier heb ook ik beleefd aan deze verzameling, al was soms speuren naar brieven waar werkelijk wat in stond. Zo staan er onnoemelijk veel nietszeggende bedankjes in dit boek. Die zijn misschien voor een biograaf aardig, omdat ze bewijzen dat er contact tussen White en andere beroemdheid is geweest, maar leveren verder niets leesbaars op.

Het boeiendst waren nog de brieven uit de beginjaren, ver voor hij bekend werd; toen White op de bonnefooi door de VS reisde. Soms tijdelijk die trip onderbrekend om ergens geld te verdienen als journalist.

Brievenboeken zijn ook maar zelden boeken om aan te schaffen, tenzij ze niets kosten, maar meer om uit de bibliotheek te halen. Vergeet Jeroen Brouwers’ Kroniek — dat is een uitzondering. Goed, Flaubert’s brieven, of de correspondentie tussen Philip Larkin en Kingsley Amis hebben me ook onnoemelijk veel leesplezier gebracht. Die brieven konden op zichzelf staan. Maar meestal zijn verzamelingen als deze alleen aardig om werkelijk alles over iemand te leren kennen.

Dit vraagt een welhaast blinde devotie voor zo’n auteur.

Bij White speelde mee dat zijn eigen leven al dikwijls onderwerp was van zijn essays. In die zin leverde de toelichting op de brieven in dit boek nog wel eens wat informatie op die mij niet bekend was. Maar van de meeste gebeurtenissen had ik al weet.

Nee, deze enorme bundel was vooral aardig, omdat White mij vaak zo sympathiek is. Zijn legendarische afkeer van sociale verplichtingen deel ik, bijvoorbeeld. Na diens dood werd tijdens de rouwdienst over E.B. White gezegd: als hij hier aanwezig had kunnen zijn, dan was hij weggebleven.

Kijk.

E.B. White, Letters of E.B. White
Revised Edition

713 pagina’s
HarperCollins, 2006

in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch, bundels, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de E.B. White-pagina

Rebecca Ray · Pure

Tijdens de eerste pagina’s van dit boek dacht ik, ja, dit is heel bijzonder. Het lukt de schrijfster meteen iets enorm illusieloos en wreeds aan deze roman mee te geven, dat desondanks nieuwsgierig maakt naar meer. Maar toen bleef de toon almaar hetzelfde, en werd die voor mij wat vervelend. Vierhonderd pagina’s is dan veel om te lezen. Toch kwam er nog een verrassende twist aan het eind, die me tot nadenken stemde.

De Britse auteur Rebecca Ray was zestien toen ze deze roman begon te schrijven, en zeventien toen die gepubliceerd werd. En dat is bijna niet te geloven. Behalve dan misschien dat een meer ervaren schrijver iets meer tempowisselingen had toegepast, of op andere manieren meer aan de vorm had gedaan. Maar dit zijn details.

De hoofdpersoon uit dit boek is een meisje van veertien, met alle onzekerheden die bij die leeftijd horen en nog een paar meer.

Dat meisje krijgt iets met een oudere jongen. Een vent van zevenentwintig. Die uiteindelijk eenendertig blijkt te zijn.

Nu is dat thema niet geheel uniek in de wereldliteratuur, maar door Pure realiseerde ik me bijvoorbeeld hoe kil en overgestileerd Lolita wel niet is. Dat boek gaat er bijvoorbeeld geen moment over hoe het met het meisje is. Dit boek wel, en daarmee wordt dat werk van Nabokov eigenlijk in éen klap onleesbaar; doordat het totale gebrek aan realisme daarin plots gaat schrijnen.

Vergeet verder die vergelijking maar; de leefomstandigheden van het meisje in Pure zijn heel anders. En de meisjes van veertien van nu zijn de nimfijnen van Nabokov niet meer.

Knap aan dit boek, dat in de Britse uitgave overigens A Certain Age heet, is dat het zo geloofwaardig blijft. Zelfs in de dikwijls zo grote lijdzaamheid van de hoofdpersoon, en de tamelijk destructieve manier waarop ze reageert op wat haar overkomt. Als ze reageert.

Rebecca Ray, Pure
A novel

404 pagina’s
Grove Press, 1998

in: a-z, books in english

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rebecca Ray-pagina

Bob den Uyl · Illusie van gisteren

Ik kende alle beschouwingen al, die in dit bibliografische uitgaafje staan afgedrukt. Deze moeten dus later opnieuw gepubliceerd zijn. Was het in: Schrijvers worden misbruikt en andere aanklachten? Dat moet haast wel, het zijn namelijk geen verhalen zoals Den Uyl die gewoonlijk publiceerde.

In dit bundeltje buigt Bob den Uyl zich onder meer over de vraag ‘Bestaat er een Nederlandse literatuur?’ En het antwoord daarop is nee, al was het maar omdat geen auteur hier leest wat de grote voorgangers schreven; er ontbreekt hier domweg een traditie om klassiekers in ere te houden. Al is er misschien ook wel niet veel om op voort te bouwen.

Maar het gaat natuurlijk nauwelijks om vraag noch antwoord. Van belang is alleen hoe Den Uyl formuleert, en om zijn humor daarbij. Al zij opgemerkt dat de schrijver zich ditmaal minder van zijpaden bedient dan hij gewoon is. Zijn ergernis over het grote tal middelmatige, en overschatte schrijvers lijkt zelfs verdacht echt, en is geen pose voor een leuk komisch effect.

En ander opmerkelijk stuk uit dit bundeltje heet ‘Over boeken’. En dit gaat over tal van zaken waar ik hier, op boeklog, vrijwel altijd het zwijgen toe doe. Op zijn best zeg ik hier iets over de inhoud, en mijn reactie daarop. Maar Den Uyl staat bijvoorbeeld stil bij het belang van goede eerste zinnen, en hij citeert er ook een paar met duidelijk genot. Al vind ik die dan allemaal weer te lang.

Ook kan Den Uyl er maar slecht tegen als een boek verkeerd ruikt; iets dat bij hem nogal vaak scheen voor te komen.

Nu we het daar toch over hebben, ik kan me niet herinneren alleen door de geur ooit van het lezen weerhouden te zijn. Al herinner ik me wel met afschuw de readers en klappers met gekopieerd materiaal die mijn alma mater verkocht, ter begeleiding van sommige colleges. Die walmden dermate vies chemisch dat het alleen al tranen opriep daarin te kijken. En dan had ik me nog niet eens gefocust op de armoede van het lesmateriaal.

Dit bescheiden boekje riep overigens vooral lust op meer Den Uyl te lezen. Snel.

meer Den Uyl op boeklog

Bob den Uyl, De illusie van gisteren
47 pagina’s
Uitgeverij Stichting Ravenberg Pers, 1983

in: boeken over schrijven, a-z, bundels, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bob den Uyl-pagina

Bob den Uyl · Bloedende trein

Den Uyl is éen van de weinige schrijvers die ik op de middelbare school al las, en nu nog altijd lezen kan. Toch hoort deze bundel verhalen tot de boeken die me vrijwel onverschillig laten. Dit komt omdat ik twee van de vijf verhalen veel te knullig vind.

Jeroen Brouwers meldt nog in De schemer daalt dat Den Uyl waarschijnlijk de eerste was die de naam euro gebruikte voor een betaalmiddel. Dit deed die in het verhaal ‘De grote klap’. Daarin komt de hoofdpersoon tot zijn verbazing bij in het jaar 2080, na bewusteloos te zijn geraakt in het jaar 1980. Helaas klopt de logica van dit verhaal niet voor mij, en die heeft dat ook nooit gedaan. Als buiten alles veranderd is, en binnen in het huis van de ik-persoon niets, hoe kan die het nieuwe jaartal aflezen op het kaft van zijn agenda?

Dus is dit verhaaltje meteen te rangschikken in het genre: en toen werd ik wakker, en was alles een droom.

Het titelverhaal ‘De bloedende trein’ vind ik ook zeldzaam onhandig in zijn schets van wat er gebeurt tijdens een verrassingstocht per spoor. Zelfs als Den Uyl het verhaal allegorisch bedoeld heeft, door met dat dagtochtje eigenlijk een gemiddelde vakantiereis te bedoelen, blijft het onnozel.

Daarmee blijven er drie verhalen over, van tezamen 93 pagina’s, die dit boek de moeite waard maken om nog eens te lezen. En waarom die dan wel? Omdat ze over niets gaan, maar door de formuleringen van de schrijver toch over alles handelen. Het zijn alledrie afleveringen in het lange feuilleton dat Bob den Uyl terloops over zijn leven schreef, en het vele waarover hij zich in dat bestaan verbaasde.

Bob den Uyl, De bloedende trein
Verhalen
168 pagina’s
Querido, 1980

in: a-z, verhalen, fictie nederlandstalig

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bob den Uyl-pagina

Klaartje Peters · Opgeblazen bestuur

Dit was éen van die boekjes uit 2007 die ik nog vergeten was te lezen. Zelfs al had ik bestaan zowel op mijn andere weblog als hier allang gesignaleerd. Maar toen de Provinciale Statenverkiezingen eenmaal geweest waren, leek de actuele aanleiding tot lezen ook wat voorbij.

Toch is dit een nuttig boekje, zelfs zonder daarbij meteen een link met die twaalf Nederlandse provincies nodig is. Omdat bestuurskundige Klaartje Peters voor de verandering eens kijkt waarom beleidskeuzen gemaakt worden, en daar dan conclusies uit durft te trekken.

In mijn somberste momenten vrees ik dat de politici hier zich vooral bezighouden met schijnproblematiek. Doordat immer alleen over deelkwesties gezeurd wordt, doen zij ons voorkomen dat beleid maken iets vreselijks ingewikkelds is. Als het verbeteren van details al nauwelijks lukt, zo lijken zij ons te zeggen, dan is een vraag om de echte problemen aan te pakken natuurlijk onmogelijk, geachte burger.

Prettig aan Het opgeblazen bestuur is dat Klaartje Peters zich niets van al die gewichtdoenerij aantrekt. Zij heeft onder meer bekeken waarom provincies toch sommig beleid ineens ontwikkeld hebben. En uit die simpele vraag blijkt dan bijvoorbeeld dat sommige van die regionale overheden zich op het moment regelmatig groter maken dan ze zijn. Er worden allerlei projecten begonnen die niets met de traditionele taken van de provincies van doen hebben.

Voor een deel is deze drukdoenerij een reactie op een ontwikkeling uit de jaren negentig, toen even het bestaansrecht van de provincie als bestuurslaag ter discussie leek te komen. Meteen begonnen de provinciale besturen zich als brulkikkers op te blazen, om hun aanwezigheid rond te kwaken.

In dit boekje geeft Peters tal van redenen waarom het provinciaal bestuur in Nederland aanmerkelijk bescheidener kan. In elk geval zou het nuttig zijn als het geheel overheidsdiensten werden; rechtstreeks onder het bestuur van ministerie vallend. Dat politieke deel, met die Statenleden, en de Gedeputeerden, mag van haar meteen verdwijnen.

Tegelijk geeft Peters ook aan dat het in Nederland niet zo werkt. Provincies hebben nu eenmaal geschiedenis. Alleen al omdat ze bestaan, lijkt hun bestaansrecht voor eeuwig bewezen.

Maar vrijwel geen burger heeft een band met zijn provincie, en zeker niet met het bestuur daarvan. En het idee dat de Friezen dit dan nog wel hebben? Dat is een mythe volgens Peters. Protestanten zijn trouwere stemmers dan katholieken, en plattelandsbewoners zijn trouwere stemmers dan stedelingen. In een plattelandsprovincie met veel protestantse inwoners zullen de opkomstcijfers bij Statenverkiezingen dus hoger zijn dan elders. Daarmee is de relatief hoge opkomst in Friesland verklaard.

Klaartje Peters, Het opgeblazen bestuur
Een kritische kijk op de provincie

195 pagina’s
Boom, 2007

in: typisch hollands, a-z, politiek

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Klaartje Peters-pagina

Bart Chabot · Broodje springlevend

Herman Brood staat al niet eens zelf meer op de voorkant van dit boek. Het is zijn wassen evenbeeld, in opdracht van Madame Tussauds vervaardigd. En waar die foto in eerste aanblik onvoorstelbaar echt lijkt, wordt deze in de loop der tijd steeds griezeliger.

Dit boek had ook de Kroniek van een aangekondigde dood kunnen heten. Brood was er in 2000 vaak zo slecht aan toe dat het haast een wonder lijkt dat hij nog zelfmoord heeft kunnen plegen. Zijn lichaam was op. De speed die hem vierendertig jaar over zijn verlegenheid had geholpen, had geen effect meer. Het enige dat nog wel effect had, was alcohol; alleen werkte zijn lever niet goed. Door blijven drinken zou dodelijk zijn.

Bart Chabot schreef uiteindelijk vier boeken over zijn vriend, waarvan dit de laatste is. Met daarin de aftakeling. En uiteindelijk de sprong, die Brood in zijn afscheidsbrief een bungeejump zonder elastiek had genoemd.

Ik heb de drie boeken die Chabot schreef na Broodje gezond altijd beschouwd als bijlagen bij dat eerste boek. Het hoge niveau van de eerste is nooit meer gehaald. Dit deel is het addendum, dat in toon en inhoud afwijkt van de rest; wat ook moeilijk kan als de protagonist na veel lijden doodgaat.

Voornaamste hoogtepunten in dit punt zijn nog de sessies bij Madame Tussauds, waar Brood’s kracht nog even opflakkert. En natuurlijk blijft het gevoel voor humor van de familie Brood ongeëvenaard. Maar de omstandigheden van buiten het boek zijn groter dan de inhoud van het boek. Wat ook niet erg is, voor een keer.

Bart Chabot, Broodje springlevend
319 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar 2004, oorspronkelijk 2003

in: a-z, [auto]biografisch, cultuur

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bart Chabot-pagina

Dagblad De Pers van woensdag 23 januari 2008

Het gratis dagblad De Pers vierde vandaag een jubileum, zoals ook groot op de voorpagina te lezen staat. Nu opent deze krant vaker groot met een spannende illustratie, toch is het merkwaardig om te zien dat de eigen eerste verjaardag het belangrijkste nieuws van de dag vormt.

Maar misschien is het heugelijker voor de krant nog altijd te bestaan dan wij kunnen weten. Advertenties staan er nauwelijks in. Abonnee-inkomsten zijn er niet.

Vorig jaar publiceerde ik hier mijn impressies van het allereerste nummer. Alleen zijn periodieken nooit op de eerste editie te beoordelen. Dus volgt hier een tweede indruk.

De Pers heeft zich in de afgelopen twaalf maanden voor mij absoluut ontpopt tot de meest interessante van de vier gratis landelijke dagbladen in Nederland. Dit komt dan vooral door de grote hoeveelheid eigen nieuwsgaring.

Alleen zegt dit compliment niet veel. Waar ik Metro, Sp!ts, of DAG doorgaans in een paar minuten doorgebladerd heb, zal ik eens vier of vijf minuten over een editie van De Pers doen.

De krant mist, ook na een jaar, nog iets eigens. Zoals echt spraakmakende en intelligente columnisten. En nee, de dagelijkse rubriek van Peter Middendorp is noch intelligent of vreselijk spraakmakend. Er mist een goede strip. Ook mis ik aandacht voor cultuur, en dan doel ik niet eens op het gebrek aan belangstelling voor boeken. Vrijwel alles moet kort in deze krant. Maar waarom wordt er dan meer niet met serietjes gedaan? Trouwens, zo’n heksentoer is het ook niet om een recensie willekeurig waarover binnen de 250 woorden te houden.

Al dat, er nog even van afgezien dat ik hier al herhaaldelijk heb geschreven steeds meer moeite te hebben met het lezen van teksten in kolommen.

Nee, dat deze krant zich toch in mijn belangstelling mag verheugen, komt door iets bijna triviaals. De pdf-versie is namelijk ’s avonds laat, meestal ruim voor twaalven al te lezen. En op dat tijdstip blijk ik er vrij vaak behoefte aan te hebben om iets anders aan nieuws te zien dan het zoveelste TV-journaal met opgewarmde kliekjes.

Dat De Pers daarom nog maar vele jaren mag bestaan. Ook op zaterdag.

kranten die eerder besproken werden op boeklog:
- DAG 08.05
- Dagblad De Pers van dinsdag 23 januari 2007
- Leeuwarder Courant van zaterdag 9 december 2006
- De Volkskrant 16:00 jaargang 1 nr 3
- nrc.next jaargang 1 no. 1
- Het Parool van zaterdag 4 maart 2006
- Algemeen Dagblad DNL van zaterdag 3 september 2005
- De Volkskrant, weekend 26 en 27 februari 2005
- Trouw, zaterdag 5 februari 2005

Dagblad De Pers van woensdag 23 januari 2008
28 pagina’s
Mountain Media BV © 2008

in: a-z, periodieken

[+] zie de gerelateerde titels | 

Bart Chabot · Brood en spelen

Dit deel uit het kwartet over Herman Brood maakt dat die trits toch niet helemaal een hagiografie wordt. Chabot is het grootste deel van de tijd die het boek beslaat nauwelijks over het gedrag van zijn vriend te spreken; al blijkt dat vooral uit zijn zwijgen. Dat maakt dit een pijnlijk boek, waaraan ook de enorme lengte nog eens bijdraagt.

Bart Chabot deed in de seizoenen 1998-1999, en 1999-2000 een theatertour, samen met Jules Deelder en Herman Brood. In Brood en spelen wordt beschreven hoe nogal wat voorstellingen toen zijn verlopen. Dit kan omdat er nogal wat improvisaties in zaten. Sterker nog, tijdens het tweede seizoen werden zelfs alle bestaande stramienen losgelaten — op voorspraak van Herman Brood — en hing vrijwel alles af van de invallen op het moment. Daardoor speelden de heren na de pauze nogal eens voor minder mensen dan er daarvoor in de zaal zaten.

In dit boek keren telkens botsingen terug tussen Deelder en Brood daar op dat toneel. Die worden steeds grimmiger, wat de lezer tot in de treurige details krijgt voorgeschoteld.

Door die voortdurende herhaling — steeds weer is er die chaos op dat podium — heeft dit boek iets hypnotiserends. Alsof het Chabot er om te doen is geweest om dit boek tot éen lange trip te maken; alsof hij een parabel wilde geven voor hoe het is om op een foute manier verslaafd te zijn.

Toevallig viel dit goed, bij mij. Terwijl ik me heel goed kan voorstellen dit op een ander moment een draak van een boek te hebben gevonden, omdat het niet eens twee keer, maar wel vier keer te lang is.

Bart Chabot, Brood en spelen
669 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2002

in: a-z, [auto]biografisch

[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bart Chabot-pagina

Bill Bryson · Mother Tongue

Het is weinigen gegeven mij te laten lachen om kale wetenschappelijke feitjes. Bill Bryson lukt dat wel. Daarom durf ik het ook rustig aan om een boek van hem te lezen over de Engelse taal, terwijl me daarin ongetwijfeld vele nuances zullen ontgaan. Een native speaker ben ik niet, en zal ik nooit meer kunnen worden; hoe spijtig dat ook is.