vrijdag 1 februari 2008
In 1979 vloog de Gossamer Albatros over het Kanaal, als eerste vliegtuig dat alleen de piloot als krachtbron had. De propeller werd aangedreven door een man op een fiets.
In 1986 kwam dit boekje uit, van de schrijver Bob den Uyl. En daarin noemt hij tal van mislukte pogingen van de mens om zich enkel door fietskracht van de aarde los te maken. Maar de Gossamer Albatros noemt hij niet, en dat vond ik bij het lezen merkwaardig.
De inhoud van dit boekje stoelt op twee bronnen; een Duits boek uit 1936, waaruit ook de illustraties werden overgenomen; en een Brits boek uit 1971. Logischerwijs stond de Gossamer Albatros daar niet in. En toch vond ik de omissie niet kunnen. Hoe vermakelijk het ook is om over de strijd te lezen van voor de Eerste Wereldbrand om meer dan tien meter per fiets door de lucht af te leggen.
Goed, Den Uyl heeft, eenmaal in zijn eigen tijd aangekomen, geen prijzend woord over voor al die superlichte vliegtuigen die het alleen doen als het niet waait. Maar dat is wel een erg algemene veroordeling voor iets dat hij verder niet beschrijft.
Zo dacht ik.
Bij het schrijven van dit boeklogje heb ik dan ontdekt dat al in 1976 een boekje met dezelfde titel was uitgekomen van Den Uyl, waarvan in deze uitgave niet gerept wordt. Waarschijnlijk is dit dus gewoon een ongewijzigde herdruk, wat toch merkwaardig mag heten gezien de ontwikkelingen in het onderwerp de jaren daarvoor.
Den Uyl fietste zelf veel. Hij heeft in zijn boeken ook uitgebreid verslag gedaan van de reizen die hij zo maakte. En zoals vrij normaal is bij fietsreizigers, trad dat voertuig ook in zijn dromen op. Ik ken dat verschijnsel goed. Bob den Uyl droomde eens na een lange beklimming niet meteen op hoge snelheid de afdaling in te gaan, maar juist ‘het luchtruim’ te kiezen.
Dit was de aanleiding voor dit boekje. Daarvan ben ik blij het toch eens onder ogen te hebben gehad, zonder het nu meteen onder de hoogtepunten in zijn oeuvre te willen scharen. Voor mij kleeft er te zeer de indruk aan dat Den Uyl heeft naverteld wat anderen allang voor hem hadden uitgezocht. Weliswaar gebeurt dit op amusante toon, maar toch is dat weinig.
meer Den Uyl op boeklog
Bob den Uyl, De vliegende fiets
39 pagina’s
Uitgeverij Vriendenlust, 1986
in: a-z, [web] technologie, geschiedenis, sport, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bob den Uyl-pagina
zaterdag 2 februari 2008
De helft van dit boek bestaat uit de serie ‘Verhelderende kronieken’, waarin Den Uyl tamelijk briljant over een hele reeks aan onderwerpen kout. Verhalen zijn het, die ik gezamenlijk met die uit zijn andere boeken maar het feuilleton over zijn leven ben gaan noemen. De schrijver komt weer eens ergens op zijn vele omzwervingen, en doet daar dan verslag van, zonder zich ooit rechtstreeks over iets uit te spreken. Vooral zijn latere werk staat vol met die miniverslagen. Misschien kreeg hij die vorm toen nog wel beter in zijn macht.
Tegelijk staat er geen slecht verhaal in Vreemde verschijnselen, en dat is toch uitzonderlijk in het oeuvre.
Den Uyl lees ik om zijn formuleringen, en het humoristische effect dat die op mij hebben. Tegelijk zou ik hem onrecht doen om hier iets in een los citaatje weer te geven. Zinnen, of paragrafen, zeggen niets. Het gaat nu net om de cumulatie van zinnen, de opeenstapeling van kleine meningen, en niet bijster opmerkelijke zaken, die de totale vervreemding brengen.
Tegelijk ben ik het steeds vaker eens met Den Uyl. Las ik hem vijfentwintig jaar geleden zeker nog om zijn gemopper, tegenwoordig denk ik vrijwel altijd dat hij het juist heeft gezien. Er is niets zo goed in de wereld of het deugt niet.
Al kan het natuurlijk ook zijn dat ik me Bob den Uyl’s denkbeelden, en afstandelijkheid, zo eigen heb gemaakt, dat hij me in die zin niet meer kán verrassen.
meer Den Uyl op boeklog
Bob den Uyl, Vreemde verschijnselen
Verhalen
Em. Querido’s Uitgeverij, 1978
in: a-z, [auto]biografisch, verhalen, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bob den Uyl-pagina
zondag 3 februari 2008
Heeft Eco eigenlijk ooit weleens iets geschreven dat me enig durend plezier gaf tijdens het lezen? Misschien dat een column hier of daar me niet meteen verveelde. Maar Umberto Eco scoort bij mij hoog op de lijst van schrijvers waarvan ik niet goed begrijp dat anderen er zo mee weglopen. Hij wiegt me steevast in slaap, doordat de schaarse interessante observaties altijd ingebed worden in pagina’s aan wollige tekst, die in het geheel niet boeiend zijn, maar blijkbaar wel heel goed kunnen doen alsof.
Ik ga er daarom maar van uit dat ik te dom voor hem ben, omdat mij volkomen onduidelijk blijft waarom zijn teksten altijd zo veel brij en zo weinig krenten bevatten.
Het voordeel van een boek als De geschiedenis van de lelijkheid is wel weer dat er nogal wat plaatjes in staan. Meer plaatsjes dan tekst. Zo zag ik een fraaie Bosch die ik nog niet kende, en ook een pijnlijk karikaturale Grosz. Bij het onderwerp van dit boek had ik alleen al meteen wat mijn bedenkingen.
Tolstoj schreef dat elk gelukkig gezin er hetzelfde uitziet, maar dat een ongelukkig gezin elk op zijn eigen manier ongelukkig is. En ditzelfde gaat voor schoonheid en lelijkheid op volgens mij, zelfs door de eeuwen heen.
Van schoonheid weet je dat, ondanks alle modes en culturen, een zekere symmetrie en een ideale verhouding altijd mooi wordt gevonden. Eco bracht eerder het boek De geschiedenis van de schoonheid uit. En dat zit veel simpeler in elkaar, al was het maar omdat het schone in de oudheid ook voor het goede stond. Een mechanisme dat nog altijd werkt, gezien het voordeel dat mooie mensen in onze samenleving genieten. Die krijgen hogere salarissen, en betere posities.
Maar is lelijkheid dan alleen wat niet mooi werd gevonden? Kan er in eigenlijk in het algemeen wel iets worden gezegd over lelijkheid?
Bijna laf vind ik Eco’s conclusie op pagina 421:
het lelijke is gerelateerd aan tijd en cultuur, het onaanvaardbare van gisteren kan morgen geaccepteerd worden, en dat wat als lelijk wordt gezien kan, in de juiste context, bijdragen aan de schoonheid van het geheel.
Al is nog erger dat hetzelfde er vier keer staat op die pagina.
Dit boek vermijdt bijvoorbeeld de vraag waarom er zaken zijn, of kunst is, die door grote groepen mensen hevig als schoonheid worden ervaren, terwijl tegelijk even grote groeperingen zich er afkerig van wegwenden. Neem nu de wisselende waardering eens voor liedjeskwelers als een Frans Bauer. Of neem anders de waardering voor hedendaagse architectuur, als het vorige voorbeeld niet highbrow genoeg was.
Eco schrijft alleen over wat er gebleven is uit het verleden, en al veilig door de kunstgeschiedenis werd gecanoniseerd.
Nee, dit is een leuk plaatjesboek, en de plaatjes zijn door anderen verzameld.
Umberto Eco, De geschiedenis van de lelijkheid
451 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2007
Vertaling uit het Italiaans van: Storia della Bruttezza
in: a-z, geschiedenis, vertaald, filosofie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Umberto Eco-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
maandag 4 februari 2008
Het is als academisch gevormd lezer merkwaardig om van een prentenboek bedoeld voor kleuters te zeggen dat het me wat tegenviel in de behandeling van zijn onderwerp. Toch geldt dit oordeel wel voor Ik.
Elders heb ik ooit uitgebreid mijn eigen herinneringen proberen te reconstrueren uit de tijd voordat ik lezen kon.
Eerder ook heb ik veel plezier beleefd aan het prozaboek Picknick op de wenteltrap van Esther Jansma, die beter bekend is als dichteres. Omdat ze in dit boek vanuit het perspectief schrijft waarmee een kindje de wereld beziet.
Bovendien interesseert de geschiedenis van het ik me nogal.
Dus verwachtte ik iets van een boek dat Ik heet. Omdat het zegt te gaan over het moment dat een kind ontdekt dat de wereld niet alleen een verlengde van zijn ik is, maar er ook een wij bestaan, en een zij. Maar om aan mijn verwachtingen te voldoen was er dus wat meer nodig dan een droomverhaaltje te schrijven waarin de persoonlijke voornaamwoorden schuingedrukt worden.
Gelukkig waren er de plaatjes nog.
Lieselotte Schwarz, Ik
zonder paginanummering
De Vier Windstreken, 2000
vertaling uit het Duits van: Ich
in: a-z, jeugd, Deutsch [& übersetzt]
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Lieselotte Schwarz-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
dinsdag 5 februari 2008
Vrij snel al na de dood van Boudewijn Büch verschenen er verschillende nogal onthullende boeken over hem. Daarin werd steevast aangetoond wat voor pathologische leugenaar hij was geweest. Harry Prick bleef overigens nog opvallend hoffelijk over alle bedrog, in zijn biografie die las ik in september 2006. Dit boek van Vrij Nederland-redacteur Rudie Kagie leek me veel onbarmhartiger, en zo pakte het ook uit.
Toch overheerste vooral verbazing bij me. Niet zo zeer over de leugens die Büch stelselmatig verspreidde, door zijn hele leven heen. De grootte daarvan was me inmiddels ook wel bekend. Nee, het bevreemdde me vooral dat er nooit tijdens zijn leven iemand is geweest die hem eens openlijk aan de kaak stelde.
Boudewijn Büch was ook een zeer charmante man, Kagie herhaalt het telkenmale in dit boek. Maar enfin, alle goede oplichters zijn ook uiterst voorkomend.
Het belangrijkste verschil tussen het boek van Prick en dit, is het aantal mensen dat sprekend wordt opgevoerd, en de persoonlijke betrokkenheid van de auteurs. Harry Prick keek vooral terug op zijn eigen contacten met Büch, zelfs al waren die al in 1981 verbroken. Kagie daarentegen onderzoekt nogal wat geruchten, en weet daardoor ook veel te ontsluieren. Hij lijkt vooral op de mooie verhalen uit te zijn.
Prick sprak zich er bijvoorbeeld niet over uit of “De kleine blinde dood” echt bestaan had, als zoontje van Büch. Kagie voert de jongen sprekend op, met een foto erbij. Want dood is hij niet, en het kind van Büch al evenmin. Alleen dat blonde haar, dat klopt dan nog net wel.
Verder interviewt Kagie nogal wat mensen die ooit met Boudewijn Büch bevriend is geweest, maar gebrouilleerd raakten. Zijn leugens werden dus wel degelijk doorzien.
Het interessantst nog vond ik de gesprekken met de mensen die met hem gewerkt hadden, voor zijn TV-programma’s. Al koppelt Kagie aan die gesprekken ook de nogal pijnlijke conclusie dat het met de kwaliteit van die uitzendingen steeds minder werd.
En hoewel in dit boek tal van pijnlijke details geopenbaard worden over het slepende faillissement van Büch en andere financiële narigheid, blijft éen vraag toch onbeantwoord. Hoe kwam hij zo vlak na dat bankroet aan het geld om dat enorme grachtenpand van hem aan te schaffen?
meer Kagie op boeklog
over Büch op boeklog
Rudie Kagie, Boudewijn Büch
Verslag van een mystificatie
239 pagina’s
Prometheus, 2004
in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Rudie Kagie-pagina
reageer!
woensdag 6 februari 2008
Hoe ging het ondertussen met Redmond O’Hanlon? Het was al even geleden dat ik voor het laatst een boek van hem met plezier had gelezen. Misschien is het zelfs zo dat alleen zijn eersteling, over een reis door de binnenlanden voor Borneo me werkelijk bekoorde. Zijn latere verblijf bij de Yanomami, in het Amazonegebied, ging al met zoveel media-aandacht gepaard dat het boek daarover uiteindelijk wat tegenviel. Aan O’Hanlon’s reis door de Kongo waren me vooral de overeenkomsten opgevallen met de eerdere boeken.
Hoe leuk ook als uitgangspunt, het verhaal van een mollige studeerkamergeleerde die allerlei lichamelijke ontberingen moet doorstaan, wordt bij de derde keer wat voorspelbaar. Mag het nog zo humoristisch zijn.
O’Hanlon zocht het avontuur ditmaal dicht bij huis — ook al meende hij altijd dat het daar niet te vinden zou zijn. Hij monstert aan op een trawler om te gaan vissen op de Atlantische Oceaan. Natuurlijk kiest hij daarvoor wel een speciaal schip uit. O’Hanlon reist mee met de enige schipper die ook uitvaart als er een orkaan wordt voorspeld, omdat deze zo’n grote hypotheek op zijn boot heeft dat elke dag in de haven hem te veel geld kost.
Enfin, ook de avonturen van een studeerkamergeleerde zonder zeebenen zijn ietwat voorspelbaar. Dus was het niet om O’Hanlon zelf dat me iets van dit boek zal bijblijven. Trawler wordt gered door de aanwezigheid van de andere bemanningsleden aan boord, die tamelijk laconiek het statistisch gevaarlijkste beroep van deze tijd uitoefenen. In het bijzonder zal me de marien-bioloog Luke blijven heugen, die door zijn kennis van het zeeleven dit boek een verdieping meegeeft dat het ernstig van node was.
Redmond O’Hanlon, Trawler
A Journey Through the North Atlantic
352 pagina’s
Knopf 2005, oorspronkelijk 2003
in: reizen, a-z, biologie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Redmond O'Hanlon-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
donderdag 7 februari 2008
Dit boekje biedt de weerslag van de eerste Hannah Arendt-lezing, zoals die in 2006 in Nijmegen werd gehouden. Ik heb het tamelijk blind uit een bibliotheekcatalogus gekozen, omdat het als een mij onbekende publicatie bij de auteur Hans Achterhuis vermeld stond.
Maar Achterhuis was ditmaal slechts co-referent.
Belangrijkste spreker bleek Dirk de Schutter te zijn geweest; en dat is niet iemand waarvan ik nog eens iets uit mijzelf zal lezen. De man denkt nogal slordig, en misschien daardoor opvallend schril en extreem. Het was zelfs een straf hem bezig te zien de denkbeelden van de filosofe Arendt uit te leggen, zoals die bijvoorbeeld beschreven staan in Origins of Totalitarianism. Wat hij daar aan eigenheid inlegde, klonk mij in de oren zoals een haperend krijtje op een schoolbord piept.
Achterhuis blijft beleefd in zijn reactie op die lezing. Dodelijk beleefd. Dat was dan nog wel aardig om te lezen.
Zoals Achterhuis eerder betoogde in Politiek van goede bedoelingen reikt Arendt ons nuttige middelen aan om onderscheid te maken in wat overheden allemaal aan het doen zijn. Om gradaties van erg aan te brengen, zoals ik dat zelf altijd wat gemakzuchtig formuleer. Alleen door ziend te kijken, zijn we tot adequate reacties in staat. Dit klinkt als het intrappen van een open deur. Maar alleen diagnoses die gebaseerd zijn op kennis van de symptomen, leveren iets op — en die vereisen wel een vaardigheid om te weten waarop te letten. Hannah Arendt heeft bijvoorbeeld ooit een heel bruikbaar onderscheid aangebracht in de verschillen tussen machtsuitoefening en geweld. En hoewel haar denkwijzen een groot nut hebben om tot eigen inzichten te komen — Achterhuis raakte ooit zelfs verliefd op haar ideeën — zijn ze toch ook weer niet geheel zaligmakend.
De Schutter verklaart haar misschien wel al te zeer heilig, dat is ook een probleem.
meer Achterhuis op boeklog
Dirk de Schutter, Hans Achterhuis, en Erik Borgman,
De opdracht van de politiek
Hannah Arendt over totalitarisme en bureaucratie
88 pagina’s
Damon, 2007
in: recht, a-z, politiek, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dirk de Schutter-pagina
vrijdag 8 februari 2008
Deze bundel van Nina Berberova bevat zes verhalen, volgens het kaft. Alleen meet het kortste nog altijd een kleine veertig pagina’s. In de jaren tachtig zijn alle zes in Frankrijk dan ook elk apart als boekje uitgegeven. Maar Amerikaanse uitgevers doen daar niet aan. De novelle bestaat er niet.
Dit leek me geen probleem. Ik stuitte alleen op iets anders.
Wie meer dan twee boeken van iemand leest, zal bij het derde waarschijnlijk al gauw vertrouwde thema’s zien. Ook de decors kunnen bekend zijn, of anders zelfs de manier waarop de personages van de verhalen in het leven staan.
De boeken die ik eerder van Berberova las, smaakten telkens naar meer; al was het maar omdat ze zo veel weglaat. Ik vind het boeiend hoe ze schreef over de moeilijkheden die vrouwen ondervonden, nadat ze uit Rusland waren gevlucht na de Revolutie. En vooral dan hoe die naar oplossingen zochten binnen de beperkte ruimte die de samenleving hen daarvoor bood.
Twee van de novellen in deze bundel hebben een man als hoofdpersoon. En helaas zijn die mannen voor mij niet geloofwaardig. Ik kan zien dat Berberova geprobeerd heeft om in die verhalen haar gebruikelijke palet aan vertelmogelijkheden eens uit te breiden. Toch bleef ze daarbij te zeer voor dezelfde vertrouwde tonen kiezen om me van die vernieuwing te overtuigen.
Het meest geslaagd vond ik daarom de eerste twee novellen en het titelverhaal.
Daarvan gaat ‘The Waiter and the Slut’ erover dat vrouwen uiteindelijk nog éen economische keuze meer hebben dan mannen. Mij viel daaraan vooral op hoe geserreerd Berberova het bestaan beschrijft van iemand die om te overleven dan maar iemands maîtresse wordt.
De bundel begint met ‘The Resurrection of Mozart’, waaraan opvalt dat Berberova ineens over de oorlogsjaren schrijft in Frankrijk. In de eerdere fictieboeken die ik van haar las wordt dit tijdperk haast altijd vermeden. Dit verhaal heeft verder voor de verandering nu eens niet éen duidelijke hoofdpersoon.
‘The Tattered Cloak’ is een verhaal zoals ik ze het liefst lees van Berberova. Omdat er grote periodes uit iemands leven in beschreven worden, en de hoofdpersoon daarin nogal wat moeite heeft zelf de keuzes te maken die haar vooruit kunnen brengen in dat bestaan. Toch zijn er wel degelijk momenten waarop een duidelijke keuze iets had uitgemaakt, zonder dat de schrijfster daar dan weer de nadruk op legt.
Nina Berberova, The Tattered Cloak
And Other Stories
308 pagina’s
New Directions 2001, oorspronkelijk 1986 en later
in: a-z, vertaald, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nina Berberova-pagina
zaterdag 9 februari 2008
Een prentenboekje als dit is om de kijk, niet om te lezen. Het gaat over Lolla. Een meiske is dat, met voeten die naar schatting twintig keer zo groot zij als haar lichaampje. Al variëren die verhoudingen noch al eens per tekening.
Doet er niet toe.
Over de praktische implicaties van zulke grote voeten, biologisch gezien, stapt de schrijfster luchtig heen. Dit is een vrolijk boekje, waarin Lolla alleen maar voordeel haalt uit haar lichamelijke afwijking. Ze ontmoet zelfs het geluk.
Doet er ook al niet toe.
Nee, ik kan vooral lang kijken naar de mengtechniek die de Baradoy gebruikt heeft voor haar illustraties. Omdat ze zo effectief het krasserige van een tekening met kleurpotlood, of vetkrijt, afwisselt met foto’s en lijnillustraties, en ook scans van bijvoorbeeld behangpapier.
Die gevonden stukjes zijn ongetwijfeld via de computer in een correct perspectief gezet om de collage te vervolmaken.
Maar dat doet er niet toe.
Het geheel klopt zo goed.
Katrin Baradoy, Lolla
Het meisje met de handige voeten
zonder paginanummering
Uitgeverij Afijn, 2003
in: a-z, jeugd
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Katrin Baradoy-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
zondag 10 februari 2008
Er was iets merkwaardigs met dit boek. En dan doel ik onder meer op de overlap binnenin. Dezelfde argumenten worden namelijk soms wat makkelijk herhaald. Ik heb volgens mij zeker twee keer, maar misschien ook drie keer, gelezen dat Nederlandse MKB-ers op cursus leren dat ze hun schoenen moeten poetsen, willen ze zaken doen met Duitse bedrijven.
Ook was het of ik de inhoud al grotendeels kende. Toch staat nergens in dit boekje dat mevrouw Birschel ergens een column heeft; waardoor ik haar woorden al eens opgevangen zou kunnen hebben. Dit lijkt een bundeltje te zijn van al gepubliceerd werk — wat ook die herhalingen zou verklaren — maar het wordt me dus gepresenteerd als een unieke publicatie. Toch zit het daarvoor dan te slordig in elkaar, zeker in de inhoudelijk nogal zwalkende beginhoofdstukken.
En wat in een bundel nog mag, is in een monografie onvergeeflijk.
Wel is het altijd goed om het eigen land eens bekeken te zien worden door buitenlandse ogen. Wat ik normaal acht, zal dat meestal toch niet zijn. Eerder las ik daarom al eens een Portugees, een Amerikaan, en een Belg over het hedendaagse Nederland. Nog even afgezien van de buitenlanders die even kwamen buurten, maar voor wie de visite niet het hoofdonderwerp van hun boeken was.
Annette Birschel is Duitse. En ik herinner me haar uit een TV-programma op de zondagmiddag, waarin de hier gestationeerde buitenlandcorrespondenten het nieuws van de week doornamen. Heel veel verschillende correspondenten bleken dat overigens niet te zijn. Nederlanders overdrijven het belang van hun land nogal eens. Maar wereldschokkende gebeurtenissen spelen zich doorgaans toch echt elders af.
Leuk aan Duitsers is dat ze genoeg op Nederlanders lijken om grote overeenkomsten te hebben, terwijl er toch aantoonbare verschillen tussen beide landen zijn. Al heb ik de Nederlanders ook weleens horen beschrijven als ’stiekeme Duitsers’ — als een volk dat zeker even hiërarchisch in elkaar steekt, en net zo gesteld is op Ordnung, maar daar alleen niet voor wenst uit te komen.
Het meest opvallend aan dit boekje vond ik nog de opmerkingen over Birschel’s positie als freelance-journaliste. Een paar keer geeft ze aan dat opdrachtgevers een bepaald beeld van Nederland hebben, en dat zij geen artikelen kon leveren die deze vooroordelen ontkrachten.
Tot de actualiteit vanzelf tot een bijstelling van de vooroordelen dwong.
Toch had zijzelf bijvoorbeeld al veel eerder gemerkt dat de spreekwoordelijke gastvrijheid en tolerantie hier zich niet uitstrekt tot de autoriteiten die zich met immigratie en vestiging bezighouden. Al valt mij daar over op dat zij hier verder geen conclusies uit trekt, zoals de Amerikaan Steven Stupp dat wel deed. Regels worden heilig gemaakt hier, behalve als iedereen wel weet dat ze niet te handhaven zijn. Maar dan nog komen die regels er; alsof deze daad van de bestuurderen alleen al een op zich niet te onderschatten betekenis heeft.
Op zijn best is dit daarom een aardig boekje, met observaties die pijnlijk kunnen worden als Birschel de situatie hier vergelijkt met die in Duitsland. Wij kunnen bijvoorbeeld inderdaad niet inhoudelijk en principieel discussiëren hier; het blijft eeuwig polderen.
Op zijn slechtst blijft het boek hangen in een wat luie journalistiek van het verstrooiende soort — met oppervlakkige waarnemingen over dat ene lullige koekje bij de koffie, het eeuwige broodje schuifkaas bij de lunch, die zeldzaam potsierlijke kring op verjaardagen, of de constatering dat het met de moffenhaat sinds 1988 behoorlijk minder is geworden. Vriendinnen van Birschel zijn het dan altijd met haar eens, dat was ook opvallend aan Do ist der Bahnhof.
Annette Birschel, Do ist der Bahnhof
Nederland door Duitse ogen
208 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2008
in: typisch hollands, a-z, politiek, media, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Annette Birschel-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
4 commentaren
maandag 11 februari 2008
Dit boek is een bundel met columns en langere stukken die Abram de Swaan begin jaren tachtig schreef voor NRC-Handelsblad. Dat maakt de opgenomen artikelen minstens vijfentwintig jaar oud. De vragen die ik voor het lezen had waren daarom: is het nog actueel waarover hij schreef, versterken de stukken elkaar, en mist er misschien wat, achteraf gezien?
Mij viel vooral op dat de werkwijze die De Swaan als socioloog ontwikkelde, hem als columnist of essayist zeer ten dienste staan. Doordat hij zo gewend was om vooral naar de constanten te zoeken achter de actuele ontwikkelingen, zijn delen uit deze bundel erg goed bewaard gebleven.
Het gaat misschien wat ver om te stellen dat die teksten ongewijzigd zo weer in de krant kunnen. Maar de ideeën zijn blijven staan, hoogstens moeten misschien de voorbeelden worden geactualiseerd. Zo’n stuk over de bescherming van onbekwamen bijvoorbeeld? De conclusie dat wie eenmaal ergens zit daar nauwelijks weg te krijgen is, gaat nog evenzeer op als in 1981. Anders zou er op het moment geen discussie zijn over de versoepeling van het ontslagrecht in Nederland.
Ik vind De Swaan het sterkst in deze bundel als hij nagaat waaruit onze vrijheden op dit moment nog bestaan. Ofwel, opvallend goed is hij in zijn onderzoekjes naar wat allemaal aan persoonlijke keuze werd uitgeleverd aan de overheid, of andere onpersoonlijke instanties.
[O]ok de nog resterende boeren, al zijn ze bij geen baas in dienst, zijn niet zelfstandig maar eerder rentmeesters van het staatslandbouwbedrijf.
Tot op de cent, de liter en het gram is het boerenbedrijf verkaveld, genormeerd, gesubsidieerd en gegarandeerd van staatswege en al dat boerengeploeter is niets anders dan de moeizame vervulling van wat het landbouwministerie een half jaar van tevoren al had doorgerekend.
[11]
Een belangrijke, en telkens terugkerende vraag wordt daarmee dus ook wat de gevolgen zijn, van al die nieuwe zekerheden.
Grappig is verder dat De Swaan door de NRC-lezers blijkbaar verweten werd zich te zelden oordelend uit te laten over wat hij signaleerde. Anders is niet te verklaren dat een column zo eindigen moet:
Vooruit dan maar, op veler verzoek, maar wel gelijk oversteken: belastingontduiking en uitkeringsmisbruik, schande is het, allebei
[52]
Voor het overige is op te merken dat een redelijk tal teksten aansluit bij wat Hans Achterhuis signaleerde in zijn boek De markt van welzijn en geluk, en dat de discussie over nut en noodzaak van het welzijnswerk thans toch wat verstomd is. Maar dit was voor mij eigenlijk het enige dat het boek echt dateerde — zij het dan lang zo erg niet als dezelfde Achterhuis overkwam.
Abram de Swaan, Halverwege de heilstaat
Essays
133 pagina’s
Meulenhoff, 1983
in: typisch hollands, aanbevolen 2008, a-z, geschiedenis, bundels, politiek, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina
reageer!
dinsdag 12 februari 2008
Eenmaal afgestudeerd ligt het niet voor de hand nog eens een boek te lezen dat als inleiding kan dienen op je vakgebied. Dit gebeurt eigenlijk nooit. Alsof in zulke boeken niets kan staan dat nog eens verrassende inzichten brengt.
Nu ben ik weliswaar historicus, maar in de geschiedenis gaat mijn belangstelling vooral uit naar alles wat niet direct politiek is. Mij interesseert dus cultuur, en de sociaal-economische ontwikkelingen. En de vragen die daarbij spelen, lijken al verdacht veel op waar de sociale wetenschappen zich mee bezighouden.
Die afbakening van vakgebieden, met al zijn versterkte grensbewaking, vind ik ook niet vreselijk interessant. En gelukkig geldt ditzelfde voor Abram de Swaan, die met De mensenmaatschappij een inleidend boek schreef dat de beperkingen van zijn vakterrein — de sociologie — oversteeg.
Abram de Swaan heeft twintig jaar over de samenstelling van dit boek gedaan. Het ontstond als inleiding terwijl hij als gastdocent in Suriname werkte, en werd in de loop der tijd aangescherpt door wat zijn studenten niet, of anders begrepen dan hij bedoeld had.
De mensenmaatschappij is een boek over de mens, en de wereld waarin die na zijn geboorte terecht komt. Daarin blijken nogal wat afhankelijkheden te bestaan. We zijn om heel verschillende redenen telkens aangewezen op de inspanningen van anderen, of maken dankbaar gebruik wat anderen al bedachten. Of het nu de taal is die ook wij maar zijn gaan spreken en lezen, zoals nu, of het de weg is waarover we rijden.
Het was voor mijn eigen denken niet verkeerd om al die afhankelijkheden nog weer eens, zij het wat geabstraheerd, langs te zien komen. Die afhankelijkheden erken ik zonder meer. En goed, helemaal nieuw was het inzicht niet voor mij. De Swaan doet niet aan bronverwijzingen in de lopende tekst — er staan wel wat achterin — maar veel ideeën over die afhankelijkheidsrelaties komen bijvoorbeeld bij Norbert Elias weg.
Wel is een conclusie dat De Swaan, zoals zijn vakbroeders, anders naar maatschappelijke ontwikkelingen kijkt dan ik het doe. Zij proberen daar toch telkens constanten uit te distilleren. En goed, dan heet een ontwikkeling die eigenlijk niemand wil — zoals de verrommeling van het landschap in Nederland — bij hen een ‘blind proces’.
Ik ben zeker dankbaar voor dit soort indelingen en benamingen, tegelijk weiger ik om mij daar nu blind op te staren. Al verhelderen ze het eigen denken wel. Maar het is éen ding om constanten te ontlenen uit wat gebeurd is, het is alweer iets heel anders om bijvoorbeeld dezelfde constanten te projecteren op wat nog te gebeuren staat.
Abram de Swaan, De mensenmaatschappij
Een inleiding
164 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker 2002, oorspronkelijk 1996
in: recht, a-z, geschiedenis, kennis, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina
reageer!
woensdag 13 februari 2008
Rudy Kousbroek schreef ooit: ‘Het treurigste gevoel dat ik ken, is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat’. [Het meer der herinnering; anathema’s 5].
En ik las deze roman als wat een plagend antwoord op deze stellige uitspraak. Al blijft het natuurlijk een hypothese van mij. Maar de auteur Sarah Hart trouwde wel met diezelfde Rudy Kousbroek. En het lijkt mij alsof Hart met dit boek zegt: ‘het is anders nog treuriger om de weg te weten in een huis waar je noodgedwongen afstand van moet gaan doen. Een huis dat misschien dan nog bestaat, maar straks toch echt niet meer van jou is.’
Zelfs al bestaat daardoor de kleine kans dat het daarmee misschien ooit nog goedkomt.
Dus gaat een groot deel van deze roman er indirect over hoe bijzonder dat huis in Ierland is voor de hoofdpersoon; een gevoel dat al in haar kinderjaren ontstond. En tegelijk vond ik het schrijftechnisch knap hoe weinig dit huis, Waterstown, daarvoor eigenlijk direct in het boek hoeft voor te komen.
Maar alleen die verhaallijn volstaat niet, voor een boeiende roman. Dus stopt Hart er ook een liefdesgeschiedenis in. En die bestaat dan, zoals nodig is om indruk te maken, uit een gedwarsboomde liefde. Waarbij ik het knap vind hoe vanzelfsprekend Hart die vormeis invult — dat het misloopt, had iedereen kunnen overkomen.
Nee, dit boek moet het niet van zijn plot hebben, maar van zijn sfeer, en de lichte roes die daardoor opgeroepen wordt — en in die zin vond ik het zeer geslaagd; zij het wat traag. Maar als een schrijver mij tot een bedachtzaam leestempo dwingt, is dat ook wel degelijk een grote kwaliteit.
Sarah Hart, In Ierland
Roman
288 pagina’s
Uitgeverij Prometheus, 2008
vertaald uit het Engels
in: a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Sarah Hart-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
donderdag 14 februari 2008
De van oorsprong Haagse kunstenaar Marcel van Eeden publiceerde jarenlang éen tekening per dag op zijn weblog. En ik bekeek ze alle dagen.
Die tekeningen hadden altijd hetzelfde liggende formaat, en waren immer gemaakt met een zwart negro-potlood. Verder zei Van Eeden altijd linksboven te beginnen, en rechtsonder te eindigen. En dat detail heb ik altijd wat interessantdoenerig gevonden, al kan het zijn dat die potloodlijnen makkelijker uitsmeren dan ik weet.
Van Eeden tekende bovendien alleen de wereld van voor zijn geboorte, in het jaar 1965, door als voorbeeld foto’s en andere afbeeldingen te kiezen uit eerdere jaren. Hij noemt de verzameling die dit oplevert ‘de encyclopedie van mijn dood’. En dat is aardig, maar ik vind het wat naar pretentie rieken, of leuk een marketingtruukje zijn. Al is over 1965 op te merken dat het een uiterst opmerkelijk jaar was in de Nederlandse geschiedenis. Er zijn nooit meer mensen geboren ter lande als toen. Voordien niet, en daarna evenmin. De pil, hè. ‘De encyclopedie van mijn dood’ kan dus net zo makkelijk ‘De encyclopedie van het ooit wel geboren leven’ heten.
Hij is lang de enige niet voor wie dat jaar een speciaal jaar is.
Boeiend was het om in de loop der jaren op Marcel van Eeden’s andere weblog zijn ontwikkeling te volgen. Zijn tekeningen werden steeds vaker tentoongesteld. Galeries van steeds verder weg wilden zijn werk. Ook ging Van Eeden in opdracht series van tekenwerk maken.
Dit boek was een speciale uitgave voor de 4. Berlin Biennale für zeitgenössische Kunst. Het bevat 140 tekeningen, die samen een fictieve biografie van K.M. Wiegand; een man die alles was en alles kon.
Voor het gemak zie ik dit boek maar als parodie op het stripverhaal, met zijn actiehelden die ook altijd alles konden. Maar eigenlijk heb ik niet zo veel zin om daar over na te denken. Deze uitgave liet me vrijwel onverschillig.
Niet de kwaliteit van de beelden die Van Eeden uitkoos, valt mij op. Ik zie telkens vooral zijn knullige, of gewild onhandige manier van arceren. Ik lees geen ondersteunende tekst, maar ik zie eerst dat de letters telkens met datzelfde plasticen malletje getekend zijn als mij ooit opgedrongen is bij het vak werktuigbouwkundig tekenen.
Mij stoort het zo duidelijk aanwezige handschrift van de maker in beide gevallen. De verpakking leidt me van de inhoud af.
Marcel van Eeden, K.M. Wiegand
Life and Work
159 pagina’s
Hatje Catz, 2006
in: a-z, strips/graphic novels, Deutsch [& übersetzt], books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Marcel van Eeden-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
éen opmerking
vrijdag 15 februari 2008
Al jaren voor ik een abonnement op Het Parool had, kocht ik altijd een los exemplaar op zaterdag. Die krant had namelijk altijd iets speels, en oneerbiedigs, dat ik in andere dagbladen miste. Al spreken we nu wel over de jaren negentig van de vorige eeuw.
Tegenwoordig consumeer ik mijn nieuws vooral online. Bijna al mijn abonnementen zijn opgezegd, zoals ook dat op Het Parool. Kranten overlappen elkaar te veel in hun nieuwsgaring, er staat teveel ruis in die me slechts stoort, en ik houd er niet meer van om tekst te moeten lezen opgesplitst in talloos veel kolommen.
Neemt niet weg dat ik op het moment weleens het aangename missen kan, dat een krant wel degelijk brengen kon. Zoals de interviewrubriek ‘Op de klapstoel’, zaterdags in Het Parool.
Het interview is een onderschat genre. Journalisten denken me er wat te makkelijk over. In gedrukte vraaggesprekken wordt doorgaans te vaak hetzelfde weer gezegd.
Komt nog bij dat de televisie het ook al zo zeer van pratende hoofdjes moet hebben.
Geluld wordt er kortom genoeg, gezegd wordt er doorgaans weinig.
De rubriek ‘Op de klapstoel’ is net een tikkeltje anders dan normaal, omdat de geïnterviewden — doorgaans bekende Nederlanders — kort op steekwoorden moeten reageren. Die beknoptheid kan makkelijk tot een zekere oppervlakkigheid leiden, maar in dit geval is dat het bezwaar niet. De gesprekken kunnen er ook amusant door worden, zelfs al springen ze van het ene onderwerp naar het andere.
Ik was wel blij de beste interviews uit dat ene decennium dat ik Het Parool intensief las, toch nog in een boek verzameld te zien staan. Verbazingwekkend was bijvoorbeeld, hoe goed sommige citaten in mijn geheugen zijn blijven hangen. Ik wist soms van een gesprek, uit bijvoorbeeld 1993, zo maar weer het eerder te hebben gelezen.
Dit boek biedt een overzicht van de rubriek over de periode 1992 — 2002. Uit elk jaar worden twee tot acht gesprekken integraal gepubliceerd, en komt uit 17 à 18 nog éen quote terug. En vooral die streng geselecteerde uitspraakjes waren soms erg amusant om te lezen.
10 april 1999
Jaap van Heerden (1940), filosoof
Renate Rubinstein
‘Was ik twaalf jaar mee getrouwd. Een tuttig huwelijk met twisten van kaliber. Doordat Renate zo oplettend was. Ze kon verontwaardigd van de slager terugkomen, omdat ze hem meende te hebben betrapt op een zekere biologische vooringenomenheid. De slager had twee biefstukjes afgesneden. De ene was groter dan de andere. Ik bracht ertegenin dat het voor een slager ook godsonmogelijk is twee gelijke stukken te snijden. Dat werd ruzie.’
Op de klapstoel
252 pagina’s
Vassallucci | Het Parool, 2002
in: a-z, [auto]biografisch, media
[+] zie de gerelateerde titels |
2 commentaren
zaterdag 16 februari 2008
Bij Nederlandstalige poëzie wreekt zich altijd wat dat ik zo snel lezen kan. Ik heb het niet meer nodig om woorden eerst te vocaliseren; de herkenning van de tekst verloopt altijd directer. Veel van het klankspel, dat een gedicht toch ook hoort te zijn, ontgaat me zo.
Neemt niet weg dat er wel degelijk poëzie is die op het oog geschreven wordt; die wel degelijk op mijn normale manier van lezen te begrijpen zijn. Maar normaal doe ik er beter aan alles hardop te zeggen.
De gedichten van Hendrik de Vries waren me altijd een raadsel. Met al die sprookjesmotieven. Of die enge moeder. Ik las de warme woorden van Willem Wilmink over hem meer dan eens, maar wat ze zeiden bleef onbegrijpelijk.
Tot me een sleutel werd aangereikt.
De onvolprezen ‘Dode dichters almanak’ liet in 2005 eens opnamen zien van De Vries die uit de jaren zestig dateerden. En daarmee kreeg diens poëzie plots een stem. Daardoor lees ik zijn gedichten nu ook alsof de dichter ze zelf aan mij voorleest. Met dat Groninger accent.
En daardoor bleek deze bloemlezing een rijk boek om te lezen. Het afsluitende essay van Jan van der Vegt is bovendien over sommige zaken heel informatief. Al wreekte zich wat dat er naast deze bloemlezing een biografie over De Vries uitkwam, door dezelfde van der Vegt, en ik uit de media-aandacht daarvoor veel meer over de dichter had opgepikt dan me hier werd aangeboden.
Nuttig was in elk geval er nog weer eens op gewezen te worden wat De Vries met ‘klankbeperking’ bedoelde. Voor hem mocht een woord nooit beginnen met de laatste letter van het woord daarvoor; een regel die ik in deze zin éen keer overtreed. Grappig is dan weer wel dat door De Vries’ zijn Groninger achtergrond, en het bijbehorende knauw’n, woorden op het oog weleens anders eindigen dan voor het oor.
Hendrik de Vries, Een raadsel in de nacht
Een bloemlezing uit zijn gedichten
272 pagina’s
Meulenhoff | Manteau, 2006
** bonus:
click image to play. 1.00 minutes
in: a-z, bundels, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hendrik de Vries-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
zondag 17 februari 2008
Eerder kwamen op boeklog al eens de cultuurgeschiedenissen langs van vuur, zout, arabische gom, blond haar, het bed, oplichters, en voetbal. Plus zo nog wel wat meer. Omdat ik nogal van die manier van geschiedschrijving houd. Door de nadruk op éen detail kan het geheel er ineens heel anders uitzien. Rijker vooral.
A Mind of Its Own biedt een geschiedenis van de mannenpenis. En dat is geen tautologie. Ook dieren hebben penissen, en daar gaat dit boek niet over. Maar meteen kan ik dus nu al niet meer schrijven dat door de nadruk op een detail het geheel er ineens anders kan uitzien.
Slappe woordgrappen dringen zich anders meteen wel onontkoombaar aan mij op. En nu weet ik al niet goed of ik dat ’slappe’ in de vorige zin niet door ‘harde’ moet vervangen.
Dit boek toont zich, gelukkig maar, zelden zo melig, al is het zeker humoristisch. Hoogstens besteedt Friedman wel erg veel aandacht aan éen bizar moment in de geschiedenis van de penis. Aan de dag in 1983 dat de uroloog Giles Brindley op een congres in Las Vegas zijn broek liet zakken, om de volle zaal te bewijzen dat mannen altijd een erectie kunnen krijgen, als ze maar geïnjecteerd worden met de juiste stof.
Prik.
Vervolgens onderzochten tal van collega-urologen belangstellend het resultaat.
Voor de auteur is dit moment net zo’n mijlpaal in de geschiedenis van de man, als de uitvinding van de pil dat voor de vrouw was. Omdat vanaf dat moment de zekerheid van de technologie de onzekerheid van de biologie overwonnen had. Met als extra gevolg dat mijn mailbox tegenwoordig iedere dag overspoeld wordt door vertegenwoordigers van de erectie-industrie; of oplichters die zich voordien alsof. Al valt uit die post ook uit af te leiden dat de mannelijke onzekerheid zich tegenwoordig toont in angst over de grootte, nu blijkbaar af te dwingen is dat het ding op commando verstijfd.
Ik vond dit boek het boeiendst in de eerste helft, als Friedman de Westerse geschiedenis zo’n beetje samenvat vanuit die ene invalshoek. Omdat het thema penis dan tenminste nog gekoppeld is aan vaak nogal merkwaardige ideeën over voortplanting, en sexuele moraal. De invloed van de Christelijk kerk hierbij is groot geweest. Al negeert Friedman daardoor misschien wat makkelijk hoe Joden en Islamieten over de penis denken; zij hakken er tenslotte altijd nog bij elk joch een stukje vanaf. Over de oorsprong van de besnijdenis wordt alleen helder dat die wat duister is.
Dit boek verslapt halverwege, op het moment dat het in de twintigste eeuw aankomt, als de invloed van Freud tamelijk uitgebreid behandeld wordt [penisnijd, etc.], of als de ideeën van wat marginale feministes meer aandacht krijgen dan ze verdienen. Ja, vrouwen zijn altijd onderdrukt door de mannen. Al was het maar omdat die zich, ten onrechte, zo vaak superieur wanen. Het is alleen vreemd om het bezit van een penis & onderdrukking in dit boek alleen gelinkt te zien worden in pamfletten van wat vrouwen uit de jaren zestig en zeventig. Friedman geeft bijvoorbeeld wel aandacht aan de merkwaardige opvatting eeuwenlang dat een spermacel al het kind in het klein was — wat de vrouw dan slechts tot broedstoof maakt — maar hij trekt de consequenties uit zijn eigen woorden niet.
Wat ik vooral aan dit boek overhoud, is een gemengde verzameling anekdotes. Zoals dat ik het wel interessant vond waar het idee wegkomt dat negers zo’n grote hebben. Dit is waarschijnlijk toch vooral een residu uit tijden toen gedacht werd dat zwarten dichter bij de aap stonden dan de blanken. En daar spreekt dan toch weer de christelijke angst uit dat alleen beesten onbekommerd sex hebben. Akkiebah.
David M. Friedman, A Mind of Its Own
A Cultural History of the Penis
358 pagina’s
Penguin Books 203, oorspronkelijk 2001
in: a-z, geschiedenis, biologie, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de David M. Friedman-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
maandag 18 februari 2008
Bijna 90% van het bezoek hier komt binnen via een zoekmachine. En ik ben er stiekem zeker trots op dat eenmaal geboeklogde titels zo hoog op de ranglijsten scoren daar. Veel minder vind ik het, als blijkt dat ik als éen der weinigen online aandacht heb besteed een bepaalde schrijver. Wie nu enkel de naam ‘Lolle Nauta’ intypt bij Google, komt op de eerste pagina’s met resultaten al verwijzingen naar mijn beide weblogs tegen.
Dus zal er wel niets komen van mijn wens nog eens het Verzameld werk van de man te kunnen lezen. Dan blijft me weinig anders over om zelf het in talloze bladen verspreide oeuvre van hem op te gaan sporen.
Het essay lag Nauta het best, en hij publiceerde rondom.
In dit bundeltje staan twee stukken van zijn hand, de overige zes zijn van collega-wetenschappers; en doorgaans zijn dat filosofen.
Het centrale thema van dit boekje is tamelijk tijdloos, maar tegelijk ook makkelijk naar de actualiteit te vertalen. Hoe komt het, om maar iets te noemen, dat de publieke discussie in Nederland zo makkelijk door éen man gedomineerd kan worden; met diens nogal eenzijdige denkbeelden?
Nauta concludeert terecht dat de massamedia in deze een grote rol spelen. Er is geen eenduidig publiek forum, maar de meningsvorming is versnipperd over allerlei stellingen in de grote mediasupermarkt; waarvan sommige wel extreem druk bezocht worden.
Sjaak Koenis stelt dat de intellectuelen niet meer bestaan als aparte groep in de samenleving. Het beheer en het transport van ideeën is niet meer in handen van éen exclusieve groep.
Hans Harbers verwijst onder meer terug naar Elias’ conclusies, dat zelfbeheersing en distantie nodig zijn voor intelligente observaties, maar dat beide nauwelijks bewust zijn op te brengen.
Gerard de Vries bewijst dan weer dat kennissociologie en contextualisme telkens weer aantonen hoezeer intellectuelen speculanten zijn, in de wereld van het culturele kapitaal.
Annemarie Mol tenslotte, vindt ‘distantie’ en ‘betrokkenheid’ niet de juiste begrippen om de gewenste positie van intellectuelen aan te duiden. Meestal bestaan er verschillende werkelijkheden van waaruit geredeneerd kan worden. De intellectueel dient zich in elk geval daar van bewust te zijn.
Daarmee is het verschijnsel weliswaar verklaard dat in Nederland telkens hetzelfde beperkte groepje mensen aan het woord komt, maar verder helemaal niets. Maar ik weet ook niet goed wat ik dan van dit boekje verwacht had. Misschien wat lessen in de ‘intellectuele zelfverdediging’, zoals Chomsky die ooit schreef. Misschien wat duidelijker aanwijzingen hoe het dan wel moet, dat met niveau discussiëren.
Lolle Nauta, Gerard de Vries, Hans Harbers,
Sjaak Koenis, Annemarie Mol, Dick Pels, Rein de Wilde
De rol van de intellectueel
een discussie over distantie en betrokkenheid
144 pagina’s
Van Gennep, 1993
in: a-z, typisch hollands, politiek, filosofie, bundels, media, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Lolle Nauta e.a.-pagina
reageer!
dinsdag 19 februari 2008
Zeker dertig jaar heb ik me afgevraagd wie dit stripboekje had gemaakt. En niet dit boekje alleen. Er is een hele reeks gewijd aan de sportieve avonturen van de sprekende aap Jimmy Brown. Alleen ontbeert deze uitgave alle informatie die boeken normaal meekrijgen. Slechts de naam van de uitgever staat erin. Albert Rikmans NV.
Dat dit een heruitgave was, wist ik ondertussen wel. Een heruitgave uit de jaren vijftig. En dat de tekeningen van de strip waren gemaakt door Carol Voges was me ook wel duidelijk. Voges illustreerde zo veel boeken uit mijn jongste jeugd. Pietje Puk. Oki en Doki. Tup en Joep, en meer van deze pareltjes, die beter herinnerd kunnen worden dan nog eens bekeken.
Carol Voges tekende altijd handen met maar vier vingers. Kinderen valt dat op. Ik wilde niet dat hij maar vier vingers aan éen hand tekende.
Enfin, de internetten leerden me dan daarnet dat de schrijver van deze verhalen ene Herman J. Looman was. Over hem vertellen de internetten trouwens ook alleen dat hij deze krantenstrip heeft gemaakt. En dat is toch een tamelijk treurig testament. Zelfs als onschuldig kindervermaak blijft dit een oubollig, en merkwaardig wijdlopig en slecht geschreven verhaaltje. Kan er tien keer op het kaft staan dat het hier kostelijke avonturen betreft, dat is niet zo.
Er zelfs nog van afgezien dat de hoofdpersoon een grote, sprekende aap is. Elk land krijgt de superhelden die het verdient, en blijkbaar was dat dus in de jaren vijftig alhier een aap die uitblonk in sporten. Ditmaal construeert hij uit sloopmateriaal, en zonder enige kennis, een auto, die meteen alle racewagens verslaan kan.
Ik telde om de vier vijf bladzijden enorme onwaarschijnlijkheden. Dat is geen manier om jeugdverhalen of strips mee te beoordelen, maar ik kan mijn verstand bij het lezen toch echt niet helemaal uitschakelen.
En helaas was er niets waarbij de schrijver zich even, over de hoofden van zijn jeugdig publiek, tot de volwassen lezer richtte.
Herman J. Looman & Carol Voges, Jimmy Brown als autorenner
76 pagina’s
Albert Rikmans 1973, oorspronkelijk 1954
in: a-z, jeugd, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Herman J. Looman-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
2 commentaren
woensdag 20 februari 2008
Dit schijnt het meest verkochte boek van John McPhee te zijn. Een onverbiddelijke bestseller, mede door extra goedkope uitgaves als deze paperback.
Maar anders dan de overige titels van McPhee, hier zo vaak lovend besproken, liet dit boek me vrijwel koud. Het bestaat uit drie delen, en aan elk daarvan deugt er iets niet.
Coming Into the Country gaat over Alaska. En het eerste deel beschrijft een kanotocht die McPhee maakte op éen van de talloze wilde rivieren daar. Nu heeft McPhee vaker over kano’s en kanotochten geschreven, en vrijwel onveranderlijk zijn dat de minste gedeelten in zijn boeken. Hij kan, of wil, niet diepgravend over zichzelf schrijven. Dus moet het verhaal over de natuur gaan, om hem heen. Maar hoe indrukwekkend die ook zijn mag, en Alaska is indrukwekkend, aan natuur valt niet veel uit te leggen. Daarom houden zijn beschrijvingen iets leegs.
Het tweede deel van het boek behandelt vooral de vraag waarom Anchorage niet de hoofdstad van Alaska is, en het vrij nietige Juneau toevallig wel. Maar om éen of andere reden ontbreekt dan de luchtigheid die nodig is om dit onderwerp verteerbaar te houden.
Verreweg het dikst is het derde deel, dat op zich ook het boeiendste thema heeft. John McPhee bekeek daarvoor wie er in Alaska wonen, en beschrijft daarbij dan natuurlijk het liefst de mensen die van elders komen, om zich vervolgens in het midden van niets te willen vestigen.
En in Alaska is er nogal veel van al dat niets.
Om éen of andere duistere reden lukt het McPhee niet om een interessante vorm te geven aan de bonte verzameling individuen die aan mij langstrok. Hij kon me al snel niet meer boeien. Dat vond ik helaas vrij ontluisterend.
Wat misschien meespeelde is dat hij in andere boeken zo veel interessanter heeft geschreven over het leven in noordelijke gebieden, als Alaska.
John McPhee, Coming Into the Country
419 pagina’s
Bantam Books 1979, oorspronkelijk 1977
in: a-z, reizen, biologie, politiek, bundels, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
reageer!
donderdag 21 februari 2008
Audioboeken vind ik ondingen. Hoewel ik het wel degelijk prettig vind als iemand mij voorleest. Maar ik lees gewoon zo veel sneller dan iemand anders het oplepelen kan. Een compleet audioboek beluisteren vergt een enorme investering in tijd; dat eist werkelijk stukken van een leven.
Op die regel zijn twee uitzonderingen. Sommige literaire podcasts doen het heel goed, als ze niet langer dan een minuut of tien duren. Dat is precies een lengte die leemten vult, of een prettige begeleiding is op een karweitje dat verder geen hersencapaciteit vraagt.
En, inmiddels hel ik ook naar het idee over dat de meeste poëzie beter beluisterd, dan gelezen kan worden.
Dit werk van John O’Farrell, An Utterly Impartial History of Britain, was voor het eerst eens een boek waarvan ik denk dat het audioboek een stuk interessanter uitpakt dan dit papieren exemplaar. Dat is om de humor waarin het verhaal wordt verpakt.
Hij heeft trouwens ook al gedeelten eruit als hoorspel gebracht, op de BBC radio. Fragment, 2.24 minuten.
En ik geef toe, het was door die uitzendingen dat ik het boek heb gekocht. Bovendien leek het uitgangspunt me interessant, zeker nu de Nederlandse goegemeente de Vaderlandsche geschiedenis het liefst in plechtige canons ziet vastgelegd. Totaal oninteressant, die ontwikkeling om de Nederlandse historie belangrijker te maken dan die is. Speel toch liever eens met het verleden. Als het dan toch per se over vroeger moet gaan, vertel die verhalen dan maar met grapjes erbij. Relativeer.
Maar, hoewel ik nog altijd gewonnen ben voor het idee, faalde O’Farrell voor mij op een aantal punten in de uitvoering.
Humor bedrijven, is natuurlijk ook een hachelijke zaak. Humor is namelijk uiterst tijdgebonden, omdat humor vooral speelt met de taboes van een cultuur, en een tijd. Daarbij is het voor de humorist een basis om te vertrekken vanuit wat het publiek met hem deelt.
Maar een lezer van een geschiedenisboek heeft lang dezelfde kennis niet over de geschiedenis als de schrijver van het boek. Daardoor rest die meestal weinig meer dan te spelen met de cliché’s die er over het verleden bestaan — Vikingen, Henry VIII, Jethro Tull — of door het vroeger te benaderen vanuit het nu.
Dit boek werkt het best als het de geschiedenis beschrijft waarover het minst bekend is. Dan durft O’Farrell zich tenminste nog vrijheden te permitteren die tot hilarische beschrijvingen leiden. Naarmate de tekst naar deze eeuw toekruipt, wordt deze vervelender. Dan moeten bijvoorbeeld alle koningen genoemd worden die in Engeland ooit de troon bezetten. De grapjes daarbij, blijven roerloos op het papier liggen; hoe prettig het op zich is dat de historicus van dienst behoorlijk op al die gekroonde hoofden kankert.
Ik geef opnieuw toe, puur door een gemis aan belangstelling had ik anders nooit een overzichtwerk van de Britse geschiedenis gelezen. In die zin heeft de humor in dit boek wél nut gehad.
John O’Farrell, An Utterly Impartial History of Britain
Or 2000 Tears of Upper Class Twits in Charge
498 pagina’s
Doubleday, 2007
in: a-z, geschiedenis, humor, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John O'Farrell-pagina
reageer!
vrijdag 22 februari 2008
Er bestaan voor mij twee soorten van teksten in het werk van De Swaan.
Van de ene soort houd ik zeer. Daarin behandelt hij verschijnselen die iedereen heeft kunnen waarnemen, maar daar plaatst hij dan opvallend nieuwe opmerkingen bij. Zijn achtergrond in de sociologie is daarbij een geweldige hulp; de abstrahering helpt hem dan om meer te zien dan ik ooit gekund heb.
De andere soort teksten laten me vrij onverschillig, omdat die te theoretisch sociologisch geöriënteerd zijn. Weliswaar behandelt hij ook daarin verschijnselen die iedereen heeft kunnen waarnemen, hij zegt er alleen helemaal niets over dat ik zelf had willen kunnen bedenken. Op dat moment bezondigt De Swaan zich voor mij aan de fout van zovele menswetenschappers: dan probeert hij iets te benoemen wat voor iedereen met een normaal verstand en enig historisch inzicht niet per se benoemd had hoeven worden. Dan is het of hij schrijft van een publiek van over een paar eeuwen. Kan me niet schelen dat hij, en zijn collegae, daarover weleens zeggen dat we niet wisten konden dat we hun observaties al kenden, voor dat zij die observaties hadden gemaakt.
In De mens is de mens een zorg staan nogal wat teksten van het tweede, door mij niet zo geliefde soort.
Zo is het laatste kwart van het boek gewijd aan ‘Het medisch regiem’. Daarin onderzoekt De Swaan onder meer de afhankelijkheden tussen patiënten en het verplegend personeel of de doktoren.
Dat was trouwens een logische onderwerpskeuze. Eén aspect dat ik hier, op zijn boeklogs, altijd wat veronachtzaam, is de precieze achtergrond van de auteurs. En heel opmerkelijk aan De Swaan is dat hij psychotherapeut was, en daarvoor dus ook die hele Freudiaans geöriënteerde therapie heeft moeten doorlopen
Maar om éen of andere reden lezen die zorgverhalen hier toch als een soort invuloefening. Sociologie op z’n smalst zijn die, zeg maar. Knap dat zo’n organisatie met permanente en tijdelijke bewoners zo in woordenschema’s gevat kan worden. Toch wordt er een ideaaltoestand beschreven. Een paar aardige anecdotes erbij over hoe doktoren er door de eeuwen heen van alles aan hebben gedaan om status te verwerven — en anderen de artsenij te verbieden — waren mij wel zo lief geweest.
Bert Keizer heeft indringender conclusies getrokken over wat het betekent dat de geneeskunde zich zo toelegt op de diagnose. En dus de zorg zo verwaarloost.
En ook moe