zaterdag 1 maart 2008
Nuttig aan het achter elkaar lezen van Abram de Swaan’s boeken, is dat me duidelijk wordt wat me in hem aantrekt als schrijver, en wat eigenlijk niet.
Bundels zoals deze, Perron Nederland, met essays die voor een algemeen publiek geschreven zijn, bevallen me het best. En dat komt waarschijnlijk omdat er zo veel minder vormdwang is.
De Swaan doet dan misschien wel interessanter observaties in zijn specialistischer sociologische werk — of formuleert daarin de echte waarheden, voor zover mogelijk — maar die boeken zijn ook een knellend corset. De bewijsvoering voor zijn ideeën dwingt hem tot een uitgebreide uitleg, maar daarvan kan ik eigenlijk altijd het meeste wel overslaan. Dit kan zijn omdat ik al te veel gelezen heb van de mensen die hem beïnvloed hebben. Het kan ook zijn dat hij overbodig veel woorden en voorbeelden nodig heeft. In de boeken staat me te veel tekst in dienst van te weinig ideeën.
Dat onderstreept misschien het belang van die ideeën en inzichten, maar levert niet noodzakelijk ook boeiende lectuur op.
Essays en lezingen, zoals in deze bundel, moeten daarentegen wel van begin tot eind blijven communiceren, zonder dat ze daarbij iets te bewijzen hebben. En die relatieve vrijheid brengt veel.
In Perron Nederland zijn twaalf artikelen verzameld, waaraan gemeenschappelijk is dat ze over Nederland gaan, of het Nederlands, en de plaats daarvan in de wereld.
Wie zijn overige werk kent, zal opvallen dat in dit boek zijdelings nogal wat onderwerpen aan bod komen die elders al eens anders uitgewerkt waren, of later tot een heel boek zouden leiden. Dat maakt Perron Nederland toch ook weer nuttig als extra toelichting op het meer wetenschappelijke werk.
‘Het Nederlands in het Europese talenstelsel’ en ‘Verdriet en lied van de kosmopoliet’ zijn bijvoorbeeld te zien als de voorafspiegelingen van het latere boek Woorden van de wereld. Al vraag ik me af of De Swaan de opinies in de essays nog steeds zo fel zou formuleren, nu hij inmiddels meer onderzoek had gedaan naar wat taal voor waarden heeft. Sommige Friezen willen hem bijvoorbeeld niet meer lezen, om citaten als deze.
[M]et drang, dreiging en subsidie worden gezonde kinderen geprest om te praten in het namaakantiek dat voor de streektaal doorgaat. In Friesland is het geloof ik al zover dat de scholieren die kitschtaal wettelijk krijgen opgedrongen. Dat zal hun in elk geval levenslang een weerzin inboezemen. Want wie wil er nu worden opgescheept met een geheimtaal, een taal die afsluit van de buitenwereld in plaats van er toegang toe te geven?
[132]
Maar waarschijnlijk onderstreept een quote als die hierboven ook het duidelijke verschil dat er zijn kan tussen de boeken van De Swaan. Het verschil dat er is tussen wetenschappelijke distantie, en persoonlijke opinie.
Abram de Swaan, Perron Nederland
235 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1991
in: typisch hollands, economie, a-z, politiek, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina
reageer!
zondag 2 maart 2008
Deze novelle van Nina Berberova week in toon wat af van de eerdere verhalen en romans die ik van haar las. Dat komt door de hoofdpersoon, en omdat zij het is die ons zogenaamd haar verhaal vertelt.
Het boek bestaat uit een stapel beschreven papieren, gevonden na de dood van de eigenaresse. Dat is een oude literaire truc. Maar daardoor las ik dus vooral over de angsten en onzekerheden van de hoofdpersoon. Sonechka. Dat ze ook nog kwaliteiten heeft, moet ik afleiden aan de zijdelingse opmerkingen die zij van anderen heeft opgetekend.
Het onderwerp van dit boek is vertrouwd, maar mag Berberova van mij telkens opnieuw vertellen. Hoe ging het verder met de mensen in Rusland, nadat er in 1917 eenmaal die Revolutie was geweest?
Sonechka leeft dan een armoedig bestaan met haar moeder, in twee kamers, in Petersburg. Haar vader heeft ze nooit gekend; ontsproten als ze is uit een terloops liasson van haar moeder, die pianolerares was, en een 18 jaar jongere leerling.
Uit dit leven wordt ze gered doordat een succesvolle zangeres vraagt haar te begeleiden op piano, bij de repetities en de optredens.
De zangeres, en haar man, gaan op den duur uit Rusland weg, en nemen Sonechka mee.
Wat mij vooral aan dit boek beviel waren de terloopse details die ik nooit ergens anders heb gezien. Zoals de opmerking dat in Rusland na de Revolutie tijdens de zomertijd de klok maar liefst drie uur vooruit werd gezet. Zo’n detail heeft verder helemaal niets met het boek te maken, maar toch wordt de inhoud daarmee heel geloofwaardig.
Uiteindelijk had ik alleen niet veel op met de hoofdpersoon. Iedereen die in het boek voorkomt, is interessanter dan zij. Toch is alleen zij de hele tijd in een wat sentimentele stijl aan het woord. En goed, dat zij wil dat haar leventje als begeleider zo blijft voortbestaan als het was, is zo begrijpelijk, dat de gebeurtenissen op het laatste wat voorspelbaar zijn.
Dit verhaal schijnt tot toneelstuk te zijn bewerkt, en dat is ook goed te begrijpen. Er komt wel enig drama in voor.
Maar mij zijn de verhalen waarin Berberova wat meer verzwijgt wel zo lief.
Nina Berberova, The Accompanist
94 pagina’s
New Directions, 1987
vertaling van het Russische origineel uit 1936
in: a-z, vertaald, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nina Berberova-pagina
reageer!
maandag 3 maart 2008
Kom bij mij niet klagen dat internet de cultuur verarmt. Zonder internet was er nooit iemand geweest die mij de schrijver John McPhee had aanbevolen. Zonder internet was het onmogelijk om diens boeken aan te schaffen. En dat was voor mij persoonlijk een verarming geweest.
Een deel van mijn werk bestaat uit journalistiek. En dat vak komt met een aantal praktische problemen. Telkens ben ik gedwongen een aantrekkelijke vorm te vinden om informatie te presenteren, om net die tekenende details te kiezen uit een grote verzameling meer. McPhee is alleen al een interessante schrijver om het voorbeeld dat hij geeft van hoe non-fictie geschreven moet worden.
Al blijft het nogal jaloersmakend dat hij reportages van twintig-, dertigduizend woorden kan schrijven. Een van de artikelen uit deze bundel, ‘Heirs of General Practice’, verscheen in zijn geheel in The New Yorker; en is later ook nog apart als boek uitgegeven. Het telt iets meer dan honderd pagina’s.
Dit was het eerste boek dat ik ooit van McPhee las, ruim tien jaar geleden. Sindsdien las ik alles, en inmiddels ben ik aan het herlezen begonnen.
Table of Contents was een goede introductie tot het werk van McPhee. Al strekt zijn belangstelling zich ook uit tot beeldende kunst; en die kant van de cultuur komt niet aan bod in dit boek. Maar mensen staan vrijwel altijd centraal, en in deze bundel komt een aantal van de boeiendste mensen voor uit het hele werk van John McPhee.
Zo is daar die andere John McPhee, een bush-piloot uit Maine, die er per brief bij The New Yorker over klaagde dat iemand zijn naam misbruikte. Deze McPhee werkt als natuurbeheerder. De andere schreef kritisch over het natuurbeheer, en de eerste werd daar op aangekeken. Beide mannen worden vrienden.
Het boeiendst in deze bundel zijn de verhalen over menselijke ondernemingslust. Zoals ‘Riding the Boom Extension’; het verhaal over Richard Hutchinson, die persoonlijk het elektriciteitsnet en de telefoon aanlegde in het stadje Circle, in Alaska. Of ‘Ice Pond’, het artikel over een systeem om met windenergie water te bevriezen tot ijs; daar grote pakhuizen mee te vullen, en deze zomers te gebruiken als airco.
Eigenlijk vond, en vind, ik ‘Heirs of General Practice’ het minst interessant, hoewel ik het geprezen had als het van een andere schrijver was geweest. Het is erg informatief. Maar in een lange reportage over verschillende plattelandsartsen moet een auteur iets aan zijn personages meegeven om ze memorabel te maken. En al die geportretteerde artsen werden op duur toch wat inwisselbaar, omdat ze nu eenmaal allemaal patiënten behandelen van allerlei aard. In een TV-documentaire was dit niet opgevallen, dan hoeft hun verschijning of manier van spreken niet eerst door dat filter van de interpretator. Maar in een documentaire op papier zijn sommige vanzelfsprekendheden dus aanzienlijk moeilijker vanzelfsprekend te maken.
John McPhee, Table of Contents
293 pagina’s
The Noonday Press 1992, oorspronkelijk 1985
in: reizen, economie, a-z, [web] technologie, bundels, biologie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
reageer!
dinsdag 4 maart 2008
Van alle literaire genres zijn boeken als deze het moeilijkst te bespreken. In Reserves staan namelijk vooral aforismen. Sommige daarvan zijn heel kort, en toch diep. Zo heet een heel hoofdstuk bij Goudsblom: ‘Twijfel ik?’.
Goudsblom debuteerde in 1958, met de verzameling Pasmunt. Daarvan verscheen in 1976 een aangevulde herdruk. En die is dan weer opgenomen in deze bundel, waarin onder de titel ‘Voorbehouden’ zes nieuwe hoofdstukken met aforismen en gedichten zijn toegevoegd, gevolgd door een coda.
Naast de aforismen die autobiografisch lijken, of het eigen handelen ironisch beoordelen, valt op dat Goudsblom ook reageert op wat hij elders schreef.
Zo signaleerde ik al eerder dat het thema uit zijn dissertatie een paar keer terug komt in dit bundeltje. Ook schrijft hij een paar keer afstandelijke observaties op over zijn eigenlijke vakgebied, de sociologie.
Sociologie: een vorm waarin samenlevingen zich van zichzelf rekenschap geven. [113]
Al wordt zo’n uitspraak dan alweer aanmerkelijk rijker voor wie weet dat de historicus Johan Huizinga schreef:
Geschiedenis is de vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden.
En zo heb ik van tal van uitspraken en aforismen het idee dat ze verwijzen of variaties zijn, maar waarschijnlijk lang niet altijd op iets dat bij een breder publiek bekend is.
Enfin, laat ik maar besluiten met een uitspraak waar ik het hartgrondig mee eens ben, zij het waarschijnlijk om heel andere redenen dan voor Goudsblom geldt.
Zelden heb ik een lezing van een socioloog gehoord waarbij ik niet minstens één keer dacht: hier klopt iets niet. Blijkt hieruit dat sociologen hun lezingen slecht voorbereiden? Of is het vak zo moeilijk dat op ieder betoog wel iets valt af te dingen. [113]
J. Goudsblom, Reserves
waarin opgenomen Pasmunt
127 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff, 1998, oorspronkelijk onder meer 1958, 1976
in: boeken over schrijven, a-z, humor, [auto]biografisch, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J. Goudsblom-pagina
reageer!
woensdag 5 maart 2008
Zo af en toe lees ik een filosofisch bedoeld boek, en bijna altijd erger ik me daarbij aan de toevallige manier waarop de auteur daarvan de wereld bekijkt.
Alsof er geen harde wetenschap zou bestaan. Alsof er van daaruit geen eisen zijn ontstaan die gelden voor het poneren van kennis.
Dus hebben van alle boeken over filosofie eigenlijk alleen de boeken met kritiek op de filosofie mijn belangstelling nog. Punt is helaas wel dat ook die boeken niet zonder meer deugen. Zo vind ik het bijvoorbeeld een zwaktebod als de auteur het feilen van de filosofie aantoont door in hetzelfde dieventaaltje te blijven orakelen dat nu net bestreden zou moeten worden.
Echte filosofie van Th.C.W. Oudemans bevat wel enkele zinnige conclusies, verwoordt die alleen wat merkwaardig, en komt ook tot een hoogste eigenzinnige conclusie over wat filosofie zou moeten zijn.
Neem alleen de vormgeving van dit boek al.
Op boeklog staat er standaard een witregel tussen de paragrafen tekst. Dit is enkel omdat deze opmaak het best leest van een scherm. Zou ik deze teksten als boek publiceren, dan bleef de layout niet zo gehandhaafd.
Oudemans hanteert in zijn boek wel zo’n opmaak als hier op het scherm. Met opvallend extraatje dat de paragrafen vervolgens inhoudelijk zelden vloeiend op elkaar aansluiten. De lezer wordt zo van associatie naar associatie gedwongen. En al doende dringt wel iets van een betooglijn door, maar vreselijk boeiend kon ik die niet vinden. Het was allemaal nogal gratuit wat er aan echte feiten vermeld werd, voor zover die nog opvielen in de woordendiarree.
Zo doet Oudemans in de eerste delen van dit boek weinig anders dan om in eigen woorden na te vertellen a] welke invloeden de mechanisering van het wereldbeeld, of het verdwijnen van God uit de wetenschap, hadden op de positie van de filosofie, en b] welke ontwikkelingen in de filosofie zelf de status van deze discipline verder uitholden.
Blijft staan dat de auteur in de tweede helft uitlegt dat het wel degelijk mogelijk blijft filosofie te bedrijven. Als maar begrepen wordt waar de onmogelijkheden zitten. Zo is voor Oudemans bijvoorbeeld taal iets dat per definitie ongrijpbaar groter is dan de gebruiker van die taal.
Dankzij de taal is datgene wat afwezig is niet zonder meer weg.
De actualiteit van de technowereld is doortrokken van dit afwezige dat niet weg is.
In zekere zin ziet niemand die nadenkend gestemd raakt dit. Maar alleen in de modus van het afscheid, als harde voeging. [280]
Gewauwel als dit riekt vreselijk naar Heidegger, en diens uitleg van Husserl’s fenomenologie. Daar hoefde ik de noot bij het citaat niet eens voor op na te slaan.
Voor de lezer die nu niets begrijpend naar het scherm staart: fenomenologie vindt de subjectieve beleving van de werkelijkheid nogal belangrijk. En helaas levert die benadering vervolgens vooral quasi-diepzinnige toverspreuken op, en ander hol georakel. Eén van de kwalijkste krompraters op dit gebied is Martin Heidegger — die bovendien een Nazi was.
Oudemans is in Heidegger. Eigenlijk had ik wel met die vier woorden kunnen volstaan hier. Want ik ben dat namelijk niet.
En ik begrijp ook werkelijk niets van de idee dat taal meer zou zijn dan het vrij onhandige middel dat mensen gebruiken om kennis of emoties over te brengen aan elkaar — dat taal helemaal op zichzelf nog veel meer te betekenen zou hebben.
Th. C. W. Oudemans, Echte filosofie
317 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2007
in: a-z, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Th.C.W. Oudemans-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
10 commentaren
donderdag 6 maart 2008
Dubravka Ugrešić heeft het wonderbaarlijke vermogen om dieptrieste conclusies te trekken, maar die toch op een lichte en humoristische manier te brengen. Dat maakt deze bundel met essays bijzonder. De kritiek erin blijft in het geheugen hangen als een goede grap, al is die eigenlijk helemaal niet om te lachen.
Dit boek gaat over schrijven, en over uitgeven, en ook een beetje over de leescultuur. En het is over dit laatste onderwerp dat Ugrešić de hardste waarheden opschrijft.
Zo verhaalt ze in ‘Eco among the nudists’ over een vakantie begin jaren tachtig aan de Adriatische zee. Waar ze ontdekte dat op een eilandje voor de kust alle blote toeristen massaal aan het lezen waren, en dan ook nog in hetzelfde boek. Eco’s De Naam van de roos was toevallig de rage dat jaar.
Later zou Ugrešić zelfs succesvol voorspellen welke schrijver er dan even in de mode zou zijn, onder de blote lezers, op dat eiland.
Maar, waarom is dat? En voor wie geldt deze wet van de markt allemaal? Waarom zou iemand in zo’n cultureel klimaat ertoe over gaan om zelf te willen schrijven?
Dubravka Ugrešić raadt iedereen met ambities in deze richting aan om liefst eerst op een ander terrein beroemd te worden. In de profvoetballerij, of zo. Dit bevordert de verkoop van een boek nogal.
De conclusies die ze trekt, zijn dus te schrijnender in het besef dat ze zelf in een taal schrijft waarin ze niet eens wordt uitgegeven. Ugrešić ontvluchtte Joegoslavië toen het land begon uiteen te vallen. En nadat de landjes daar zich elk voor zich onafhankelijk verklaarden, begonnen ze ook meteen hun geschiedenis te vervalsen. Dus worden er de verschillen met het Servisch overdreven, om een eigen Kroatische literatuur te kunnen hebben.
Ik schreef op boeklog eerder over haar roman Ministerie van pijn, die onder meer over die vervreemding gaat.
Deze bundel essays is uiteindelijk een diep sombere verzameling met cultuurkritiek. Een willekeurig voorbeeld:
The concept of literature is disappearing, and its place is increasingly being taken by books.[203]
Misschien ben ik nog cynischer dan Ugrešić, maar ik vind dat het ze het belang van literatuur wat overdrijft. Zij komt uit het voormalige Oostblok, waar schrijvers nog min of meer belangrijk waren als tegenstem. Ik kom uit Nederland, waar het boek een handelsartikel is, met een lagere economische betekenis dan willekeurig welke soort kattenvoeding. Schrijvers hebben hier nooit iets betekend.
Hoe graag ik ook zou willen dat het anders was.
Dubravka Ugresic, Thank You For Not Reading
Essays on Literary Trivia
221 pagina’s
Dalkey Archive Press, 2003
vertaald uit het Kroatisch
NB: oorspronkelijk in het Nederlands uitgegeven als Verboden te lezen!
in: boeken over schrijven, aanbevolen 2008, a-z, vertaald, cultuur, bundels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dubravka Ugresic-pagina
reageer!
vrijdag 7 maart 2008
Dick Hillenius was in 1986 gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen. In die functie hield hij drie openbare colleges. Deze zijn gebundeld in dit boek, daarbij aangevuld met een interview van hem met de Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen, uit 1973.
Hillenius heeft een paar dingen voor. Hij was bioloog, en biologen hebben goed leren kijken. Anders kunnen ze hun vak niet uitoefenen. Hillenius was ook dichter, dus let hij op zijn taal. Maar bovenal aan hem te bewonderen vind ik zijn lenige geest.
Want, eerlijk gezegd, zodra Hillenius mij de biologie gaat uitleggen, vertelt hij me niets opmerkelijks. Dertig, veertig jaar geleden was het zeker baanbrekend en nieuw waar hij zich mee bezighield — al dan niet in navolging van Tinbergen. Maar al die TV-documentaires van het moment, met al hun neukende beestjes op Mozart, hebben bijvoorbeeld kennis over de evolutie tot een gezonken cultuurgoed gemaakt. Iedereen die begrijpt daar inmiddels wel wat basisprincipes van, zonder misschien de vaktermen te weten. Mits natuurlijk niet geslagen met de blindheid des geloofs.
Aardigste lezing vond ik dan ook de tweede uit deze bundel, omdat die voor een deel speculatief is. Hillenius bekend daarin nogal slordig te zijn, en vraagt zich vervolgens af of het mogelijk is dat hij deze kwaliteit overgeorven heeft; en wat dan het evolutionaire nut van slordigheid zou kunnen zijn.
Belangrijkste conclusie uit de derde lezing, is de laatste zin:
De mens leeft constant in omstandigheden die bij andere dieren alleen optreden bij bijzondere gelegenheden: het doorgeven van informatie, voorbereiding voor de paring, voor de trektocht: het grote feest. [83]
Het college dat deels de titel gaf aan het boek gaat er onder meer over hoe de mens waarneemt, door te informatie te reduceren; en dus ook wat dit zegt over hoe wij in de wereld staan.
D. Hillenius, De hersens een eierzeef
104 pagina’s
Martinus Nijhoff | OKW, 1986
in: a-z, biologie, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
reageer!
zaterdag 8 maart 2008
Een beetje schrijver heeft hoofdboeken, en bijboeken. En onder die bijboeken zitten soms merkwaardige exemplaren. Eerder is op boeklog al de interviewbundel Scheppend Nihilisme besproken, waarin tal van interviews met W.F. Hermans zijn gebundeld. Ook kwam hier al eens De buitenkant langs, waarin Gerrit Komrij de meest pregnante uitspraken uit zijn interviews op trefwoord had verzameld.
Deze bundel lijkt op een mix van deze twee voorbeelden. Voor Groepsportret zijn honderden uitspraken verzameld die de auteur, schilder, en filmmaker Hugo Claus in de loop van vier decennia tijdens interviews deed. Zo aforistisch als Komrij wordt hij daarbij evenwel niet, en vergeleken met Hermans is het zowel een voordeel als een nadeel dat de uitspraken niet in het verband van het hele gesprek worden getoond. Soms kan een gesprek niet beter worden dan die ene gelukte uitspraak, maar evenzogoed kan een citaat doodslaan zonder de context.
Wel vond ik aardig dat Claus’ ideeën en voorkeuren in de loop der tijden weleens verschuiven. En ook dat hij zichzelf regelmatig tegenspreekt.
Zo zou hij nooit kritieken over boeken van anderen durven schrijven. Want het maken van een slecht boek kost evenveel moeite als het schrijven van een meesterwerk. Bovendien vindt Claus het onbeleefd, en daarmee Hollands, om iemand onverbloemd met al te principiële oordelen te overvallen.
Tegelijk zegt hij regelmatig over boeken, of films, van anderen dat die veel te voorspelbaar zijn om hem te boeien.
Een bijboek als dit zal oneindig veel aardiger zijn voor iemand die de hoofdboeken van Claus beter kent dan ik dat doe. Ik weet romans van hem te hebben gelezen — dat Verdriet van België natuurlijk — maar die hebben er vooral toe geleid dat ik Claus sindsdien vermijd. Ook een auteur die de katholieke kerk haat, kan uiteindelijk ergens nog te katholiek zijn — te doordesemd zijn van een cultuur waar ik ver vanaf sta. Juist daardoor kan een gemeenschappelijke taal eerder afstand creëeren dan tenietdoen.
Dit boek bracht nu even prettig gezelschap, van een aangenaam causeur, maar zal me vermoedelijk niet vreselijk lang bijblijven.
Hugo Claus, Groepsportret
Een leven in citaten
Bijeengebracht door Mark Schaevers
460 pagina’s
Uitgeverij De Bezige Bij, 2004
in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Hugo Claus-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
zondag 9 maart 2008
Vroeger keek ik beter. Maar er was ook minder te zien in die tijd. Ware er internet geweest in mijn jeugd, had ik al mijn stripboeken niet eindeloos herlezen.
Vroeger was ik sneller tevreden met wat me aangeboden werd. Maar er werd me ook minder aangeboden in die tijd. Ware er internet geweest in mijn jeugd, dan kende ik al mijn stripboeken van toen niet uit mijn hoofd.
Dit deel uit de eindeloze reeks avonturen van Jaap en Dirk, uit het voetbalelftal FC Knudde, dateert van iets later. Waarom het in mijn boekenkast staat, weet ik niet. Het zal wel een cadeau zijn geweest. Ik had het in elk geval niet eindeloos herlezen.
Ik zag alleen niets nu dat me verbaasde. FC Knudde is een formulestrip, die onder meer werkt met telkens terugkerende grappen, en alle minieme variaties daarop uitmelkt. FC Knudde moet het verder hebben van zijn tot in het oneindige doorgedreven absurdisme.
Vroeger was ik daar nog gevoelig voor. Tegenwoordig niet meer. En ik geloof niet dat dit iets te maken heeft met volwassenheid, of het afsterven van nieuwsgierigheid. Ik herken tegenwoordig de routine van de invuloefening beter dan vroeger. En alle stripjes in dit album stonden eerder wekelijks in bladen als Nieuwe Revu.
Ook word ik niet meer geraakt door een extra grappig getekend hoofdje. Die vallen me niet meer op. Dat zijn oppervlakkigheden in de presentatie waarvoor ik wel wat het geduld verloren heb.
Toon, Knudde met een rietje
zonder paginanummering
Uitgeverij De Vrijbuiter, 1986
in: a-z, humor, strips/graphic novels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Toon-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
maandag 10 maart 2008
Lag de VS verder weg in jaren zestig dan nu? Mij lijkt het van wel. En het is ook wel wat noodzakelijk om te beseffen hoe ver weg dan wel, om dit boek van Abram de Swaan op waarde te kunnen schatten.
Abram de Swaan maakte in 1966, tijdens een lang verblijf in Amerika korte radiocolumns voor de VPRO. Voor dit boek werden die herschreven. Toch blijft wel wat merkbaar dat de stukken voor een ander medium zijn gemaakt. Ze staan vol met directe beschrijvingen. Dat maakt ze enerzijds verfrissend dynamisch, maar daarmee ook wat vermoeiend en plat.
De Swaan wilde geen nieuwe mythes schrijven, over dit land, dat amper twintig jaar na de tweede Wereldoorlog voor vele landgenoten nog de grote bevrijder moet zijn geweest. Die aanpak maakt voor mij nu een paar dingen moeilijk in te schatten.
De grote protesten tegen de Vietnamoorlog vonden in Nederland in 1967 plaats, bijvoorbeeld. Dat was een jaar nadat De Swaan had bericht over de protesten tegen die oorlog in VS zelf. Maar is voor mij ooit te bepalen of en hoe zijn radiobrieven meewogen in de bewustwording hier?
Op de achterflap staat dat De Swaan duidelijk geëngageerd is bij het politiek en sociaal functioneren van de Amerikaanse samenleving. En goed, dat blijkt. De geschiedenis heeft hem inmiddels op een aantal punten gelijk gegeven. Zijn opinies van toen over de Vietnam-oorlog, of de burgerrechtenbeweging spreken nu voor zich. De afstand in de tijd maakt het alleen moeilijk om in te schatten hoe extreem die oordelen toen waren.
Bovendien, maar dat geldt dan voor mij als vervent lezer van het werk van bijvoorbeeld Studs Terkel en anderen, De Swaan vertelde me zelden wat nieuws op politiek en sociaal gebied.
Interessant was dit boek daarom voor mij vooral als schets van een ander tijdsbeeld. Van wat het betekende om een rijk land te leven, met een consumptiemaatschappij, en een enorm ontwikkelde reclame- en marketingmachine. Veel van wat hij toen als nieuw beschreef, is nu zo normaal, dat het juist aardig wordt te zien hoe ongewoon het ooit nog zijn kon.
Het kostte indertijd slechts drie maandsalarissen om naar de VS te vliegen, aldus De Swaan. De wereld is kleiner en gelijkvormiger geworden, sindsdien.
A. De Swaan, Amerika in termijnen
Een ademloos verslag uit de USA
174 pagina’s
Polak & Van Gennep 1968, oorspronkelijk 1967
in: reizen, a-z, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina
reageer!
dinsdag 11 maart 2008
Mooi aan de boeken van Hillenius vind ik de afwisseling in zijn werk. De vreemde eilandbewoner is weer gewoon een biologieboek. Een monografie is het, waarin uitgelegd wordt hoe evolutie werkt, door te tonen wat er telkens weer in isolement, op een eiland, met diersoorten gebeuren kan.
Zo kunnen trage reuzen, of vogels die niet kunnen vliegen, er langer blijven bestaan, dan in gebieden waar ze wel om voedsel concurreren met kwiekere dieren.
Het was ook dit eilanddenken dat het boek speciaal maakte voor mij. Want, wat heb ik verder al niet over evolutie gelezen. Maar juist die invalshoek, met de vraag hoe dieren en planten zich over de aarde verspreiden, was nieuw voor mij. Zelfs al worstelden de biologen in de jaren zestig nog met de vraag hoe het toch zat met het gelijktijdig voorkomen van soorten op zo verschillende plekken.
Hillenius zelf vindt wel iets spreken voor de Pangea-theorie van Wegener. Van geologen hoort hij dan alleen weer dat dit idee toch wat achterhaald zou zijn. Maar als de continenten niet ooit éen geheel waren, dan moeten er dus landbruggen zijn geweest. En omdat de meeste biologen maar in éen soort specialiseren, vinden ze allemaal weer andere landbruggen noodzakelijk dan collega’s.
Nuttigst aan dit boek voor mij was Hillenius’ meer theoretische verhandeling over de verspreiding van soorten. Ofwel, zijn uitleg dat er in een kerngebied van een soort altijd de meeste verschillen kunnen voorkomen tussen de families. Terwijl aan de randen van het verspreidingsgebied alle beesten op elkaar lijken, omdat ze genetisch zo veel met elkaar gemeen hebben.
Zoiets is dan weer verhelderend bij de recente ontdekking dat alle mensen met blauwe ogen familie van elkaar zijn, en er nogal veel van in Scandinavië wonen.
D. Hillenius, De vreemde eilandbewoner
207 pagina’s
De Arbeiderspers 1976, oorspronkelijk 1967
in: reizen, a-z, geschiedenis, biologie, kennis
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
woensdag 12 maart 2008
Tot de luttele zekerheden in dit leven horen dat er elk jaar een boekenweek gehouden wordt in maart, dat iemand die dan een boek koopt daarbij een ander werkje geschonken krijgt, en dat dit cadeau steevast een niemendalletje blijkt te zijn.
De laatste jaren is daar als zekerheid bijgekomen dat dit boekenweekgeschenk altijd heel vriendelijk besproken wordt in de couranten. Het is ook wel feestelijk, zo’n week, voor wie van zulk opgedrongen vermaak houdt. En wie wil er dan spelbreker zijn?
Welnu, De pianoman van de heer Bernlef is zelfs voor een boekenweekgeschenk zeldzaam knullig uitgevallen. U zoudt het beleefd moeten weigeren, ook als cadeau.
En waar ik eerder op boeklog Bernlef een schrijver van het eeuwige net niet noemde, was ik toen wel erg vriendelijk. Tot meer dan het brengen van wat platte clichés blijkt hij ditmaal niet in staat, wat toch een ontluisterende indruk geeft van zijn capaciteiten.
Zo heeft Bernlef speciaal voor dit boek een nieuw en toch vertrouwd Noord-Nederland bedacht. Een gebied waar de mensen stug zijn, en doorgaans zwijgen. Niemand in het dorp waar de hoofdpersoon woont, heeft er een mobiele telefoon. Op de bovenmeester na dan. Televisie, of ander vermaak lijkt er evenmin te bestaan. Toch speelt dit boek wel degelijk in de 21e eeuw. De hoofdpersoon belandt op het VMBO, en betaalt al met euro’s.
Waar kennen we dat cliché van die stugge en zwijgende noordelingen toch weer van? Ongetwijfeld uit éen van de vele antieke Zweedse romans, door Bernlef ooit vertaald. Wat ook kan verklaren dat de gedeelten van dit boek die op het platteland spelen een tamelijk desolaat vooroorlogse sfeer hebben.
De hoofdpersoon ontsnapt aan dit alles door op de goede dag de trein te nemen, in het provinciestadje D.. En met alle respect voor de inwoners van Dronrijp, of Deinum, dat moet dus wel Delfzijl zijn; andere mogelijkheden in Friesland of Groningen zijn er niet. Maar dat Delfzijl is weer in tegenspraak met de verzuchting van de hoofdpersoon later ‘naar de terp’ terug te moeten. Groningers hebben het vanouds niet over terpen, daar heten de ophopingen wierden.
Vijf minuten research plegen om enige geloofwaardigheid in zijn verhaal aan te brengen was de heer Bernlef dus al te veel moeite. Een verhaaltje bij elkaar onnozelen, is ook wel zo makkelijk. Buiten Amsterdam begint de poesta, wat maakt het dus uit.
Vanzelfsprekend gaat het met de hoofdpersoon mis, op zijn vlucht. En dan vertelt mijnheer Bernlef in eigen woorden min of te meer het verhaal na dat in 2005 al uitgebreid in alle couranten heeft gestaan, en goed voor uren televisie is geweest. Voorwaar een zeldzaam krachtstuk der verbeelding.
Normaal heb ik er iets op tegen om de plot van een boek te verraden, maar nu kent iedereen de strekking van dit boek al door de titel te lezen. Dus, alleen voor degenen die toen een ruimtereis naar Mars maakten: ‘Piano man’ was de bijnaam van een echt bestaand iemand. Andreas Grassl. Die werd in het voorjaar van 2005 in drijfnatte kleding in Sheerness op straat aangetroffen. Hij gaf geen antwoord op de bezorgde vragen van de autoriteiten die zich om hem bekommerden, en belandde mede daardoor in een psychiatrische inrichting. Alwaar hij de tijd tot zijn ontmaskering soms even verbeidde met wat pianospel in de aula; wat tot zijn bijnaam in de media leidde.
Is het verhaal van Andreas Grassl interessant? Dramatisch was het aardigste aspect daaraan dat er tijdlang onbekend was wie hij zijn kon; waarbij er nog lang oprecht gedacht werd dat hij echt zijn geheugen kwijt was…
Wordt het dan interessant om het verhaal van Andreas Grassl na te vertellen, met een andere hoofdpersoon, die andere leefomstandigheden kende?
Nee. Nauwelijks.
En al helemaal niet op deze platte manier, door dat als een schmierende, alwetende verteller te doen. Bovendien sluit Bernlef alle spanning uit door eerst de gehele achtergrond van de hoofdpersoon in te vullen, voor die een raadselachtige zwijgende onbekende wordt. Dus toont dit boek vooral een stuitende minachting voor de kennis die al bestaat bij het lezerspubliek, zonder daar iets aan kwaliteit tegenover te stellen.
Bernlef, De pianoman
89 pagina’s
Stichting CPNB, 2008
in: boekenweekboeken, a-z, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bernlef-pagina
2 commentaren
donderdag 13 maart 2008
Elke boekenweek komt met een thema. Dit jaar was dat Van oude menschen…de letteren en de derde leeftijd. En wat die derde leeftijd is, weet ik ook niet. Misschien is dat de leeftijd waarop mensen hun derde gebit krijgen, zoals Duitsers dergelijke protheses eufemistisch noemen in reclames voor kunstgebittenplaksel.
Zulk een boekenweekthema levert dan hele lawine vol gelegenheidswerkjes op. Eén van de speciale uitgaven dit jaar is het boekenweekessay, waarvoor mevrouw Renate Dorrestein heeft getekend.
Nu heb ik niet zo veel met mevrouw Dorrestein. Misschien ligt dat gewoon aan haar naam, en is er in mijn leven maar ruimte voor éen schrijfster wier naam begint met Renate en eindigt op -stein. Het kan ook simpelweg zijn dat mevrouw Dorrestein me ergert doordat zich altijd zo stellig toont in wat ze schrijft, zonder dat de redenen voor dat aplomb me ooit duidelijk worden.
Thans openbaart zij zich als expert in de ouderdom. Vorig jaar nog wist zij alles over het sexleven van tieners, geloof ik. Al heb ik dat ook maar van horen zeggen. Eerder exploiteerde zij het leed een chronische zieke patiënt te wezen, van welker kwaal ze wonderbaarlijk is genezen. Daar weer voor nog was zij geroepen een stelselmatig maatschappelijk onderdrukte vrouw te zijn.
En dan kan ik eens een fase hebben gemist in mevrouw Dorrestein’s modieuze voorkeuren.
Dit essay is volgens de achterflap ‘een pleidooi tegen de jacht op de eeuwige jeugd en het zogenaamd leeftijdloos ouder worden’. Ik moet eerlijk zeggen dat me dit tijdens het lezen niet direct was opgevallen. Pleidooien komen met inhoudelijke argumenten, lijkt me. En die ontbraken wat.
Mevrouw Dorrestein ergert zich aan veel van wat mensen doen, omdat zij zich daardoor niet naar hun leeftijd gedragen. Oorzaak van dit gedrag is volgens haar ‘de angst voor het alleen zijn’. Aan dit idee is vervolgens een hele lesmethode opgehangen, met leermomenten aan het eind van elk hoofdstuk.
Natuurlijk is zulks voor een groot deel humoristisch bedoeld. Maar het is bij matige grappen als deze dat ik veiligheidshalve maar meld geen enkel gevoel voor humor te bezitten. Dat scheelt altijd een boel uitleg.
Renate Dorrestein, Laat me niet alleen
64 pagina’s
Stichting CPNB, 2008
in: boekenweekboeken, leerboeken, a-z, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Renate Dorrestein-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
vrijdag 14 maart 2008
Hoe ging het ondertussen met de wereld? Weinigen die daar beter geïnformeerd over oordelen dan Noam Chomsky. Al is het ook weer zo dat de pure Chomsky, onverdund, niet zo vreselijk boeiend schrijft. Beter is het om hem geïnterviewd te zien worden, zoals in deze bundel gebeurt.
Dit is de derde keer dat ik op boeklog verslag doe over een verzamelbundel met gesprekken die David Barsamian met Noam Chomsky voerde. Vergeleken met de andere twee valt op dat het wat minder gesprekken bevat. Daar tegenover staat dat het bijzonder actueel is, voor zover boeken ooit actueel kunnen zijn.
Toch viel dit boek me niet mee. De gesprekken met Chomsky lees ik zo graag omdat hij altijd informatie heeft die niemand anders, in de massamedia, ooit naar voren brengt. Dit maal ontbraken die unieke feitjes wat.
Deels komt dit omdat Chomsky inmiddels niet meer alleen staat. Dit boek, What We Says Goes, werd ook uitgegeven in een reeks met tal van andere kritische denkers. Die serie is een initiatief van Tom Engelhardt en Steve Fraser. En Tom Dispatch, de website van Engelhardt, lees ik nu net al jaren om de vele beschouwingen die daarop worden gepubliceerd.
Waren het ditmaal niet de feiten, had Chomsky toch nog wel een paar interessante meningen. Zo was ik verbaasd over zijn vermoedens dat de Joodse lobby in de VS toch wel heel erg machtig is; wat dan weer enorme invloed heeft op het Israël-beleid; en daarmee de toestand in het gehele Midden-Oosten.
Ook vond ik opvallend dat Noam Chomsky zo optimistisch verbetering ziet, in de mogelijkheden om kritiek te hebben op bijvoorbeeld de Amerikaanse regering. Daarbij spreekt hij vanuit een dissidentschap dat nu al decennia duurt. Maar volgens hem er kan nu wel degelijk meer gezegd worden dan ooit, en heel soms heeft dat dan nog invloed ook.
Verder was er nog wel eens een quote, hier en daar, die mijn aandacht trok:
Surfing the internet makes about as much sense as for, say, a biologist to read all the biology journals. You will never learn anything that way. No serious scientist does that. The literature is massive. You get flooded by it. A good scientist is one who knows what to look for, so you disregard tons of stuff and you see a little something somewhere else. The same is true of a good newspaper reader. Whether it’s in print or on the Internet, you have to know what to look for. That requires a knowledge of history , an understanding of the backgrounds, a conception of the way the media functions as filters and interpreters of the world. Then you know what to look for. And the same is true on the Internet.
Noam Chomsky, in: What We Say Goes 152-153.
Noam Chomsky, What We Say Goes
Conversations on U.S. Power in A Changing World
Interviews with David Barsamian
223 pagina’s
Metropolitan Books, 2007
in: a-z, economie, geschiedenis, politiek, bundels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Noam Chomsky-pagina
reageer!
zaterdag 15 maart 2008
Ik lees kranten, en van het TV-journaal zie ik ook weleens een flard, maar dat is niet omdat hun behandeling van de actualiteit me nu wezenlijk interesseert. Al hoop ik nog altijd wel geïnformeerd te worden. Voor een deel zal die drang om dagelijks kennis te nemen van het laatste nieuws weinig anders dan een gewoonte zijn.
Maar de massamedia concentreren zich altijd te veel op deelaspecten van een probleem, en hun hijgerigheid begint me steeds meer te storen. Ik wil iets alleen niet benoemd zien, ik wil iets geplaatst zien in een groter geheel. Maar dit kan niet in een paar honderd woorden, en een reportage van een minuut of wat. Dus bieden uiteindelijk alleen tijdschriften, met lange artikelen, en boeken soelaas.
Deze bundel beschouwingen van de cultuurhistoricus Thomas von der Dunk behoort tot het beste wat ik las over de grote ontwikkelingen in Nederland sinds 9/11. Dit komt doordat hij overzicht heeft. Dit komt omdat hij vijanden durft te maken. Von der Dunk’s oordeel over de vaderlandse politiek is zeldzaam hard, en daarmee nogal verfrissend vergeleken met het gezalf en gestrijk van anderen.
Met zijn evenredige vertegenwoordiging zonder enige drempel is ons kiesstelsel er vooral op gericht om pluriform te kunnen praten, niet om daadkrachtig te kunnen besluiten, en dat werkt vervolgens op regeringsniveau door. Ook daar is de macht onduidelijk, en daarmee bij feilen ieders verantwoordelijkheid — zie Srebrenica. [185-186]
Zo deze dikke bundel een centraal thema heeft, dan is dat de weinig vrolijk makende boodschap dat Nederland steeds meer op een angstig konijn lijkt, dat niets beter weet dan stofstijfstil te blijven zitten, in reactie op alle impulsen van buiten.
Vanzelfsprekend dat Von der Dunk zijn conclusies verwoordt met nogal wat aplomb. Maar gezien alle verstarring en het bestuurlijke autisme dat hij signaleert, is dat niet eens raar.
Thomas von der Dunk, Buiten is het koud en guur
Nederland na de aanslagen en de aanslag
424 pagina’s
Van Gennep, 2004
in: a-z, typisch hollands, geschiedenis, politiek, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Thomas von der Dunk-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
zondag 16 maart 2008
Wat me altijd weer opvalt bij het lezen van John McPhee, is de zo hoge en constante kwaliteit van zijn oeuvre. In de jaren zestig schreef hij al minstens even goed als vorig jaar nog. En omgekeerd. Sterker nog, het is zelfs moeilijk wezenlijke verschillen aan te wijzen tussen zijn aanpak toen, en die van nu.
Goed, deze bundel met profielen van verschillende Amerikanen is misschien nog iets meer geworteld in de herkenbaar dagelijkse journalistiek dan zijn latere boeken. McPhee heeft op een gegeven moment wel zo zijn onderwerpen gevonden, en is daar toen niet veel meer vanaf gaan wijken. Dat specialiseren maakt dan verdieping mogelijk.
Maar in A Roomful of Hovings gaat het laatste profiel bijvoorbeeld over een inmiddels vergeten schrijver van reisgidsen. Temple Fielding. Een man die in de jaren vijftig en zestig zo’n invloed had op de reisbestemming van Amerikaanse toeristen, dat bijvoorbeeld de Deense regering hem een tijd gratis onderdak bood, met een ruim dagelijks zakgeld daarbij. Zo’n portret zou McPhee later nooit meer schrijven, en eigenlijk is dat jammer.
Tegelijk had het werkelijk ontroerend prachtige tweede portret, ‘A Forager’, waarschijnlijk zo weer in een nieuw boek van McPhee kunnen verschijnen. In deze reportage gaat de schrijver een week lang op trektocht, met Euell Gibbons. Die had een kookboek geschreven, over wat het land aan werkelijk lekker eten op kan brengen. En dat moet geprobeerd worden, te voet, en in de kano. Ook al is het dan al november, en heeft de natuur misschien niet veel meer aan eetbaars te bieden.
Zo’n verhaal is dan meteen ook drie, vier verhalen ineen. Oppervlakkig gezien gaat het erover wat eetbaar is in de Amerikaanse natuur aan de Oostkust, tijdens het eind van het jaar. Tegelijk vertelt McPhee heel subtiel, in nauwelijks opvallende porties, het opmerkelijke levensverhaal van zijn gids. Daarnaast gaat het ongemerkt ook over smaak, en massaconsumptie. En tegelijk weet de schrijver weer eens de vraag open te houden wat nu normaal is, en wat toch eigenlijk niet.
Van de in totaal vijf profielen is er éen voornamelijk amusant, omdat dit over de beroepsijver gaat van het hoofd grasverzorging bij het tennistoernooi van Wimbledon. Maar dan staat er toch ook weer een reportage in over hoe de Amerikanen in de jaren zestig aan ontwikkelingshulp deden. En dan gaat het bijvoorbeeld ook al over de problemen in Darfur, en de achterliggende oorzaken daarvan.
Over het titelstuk schreef ik elders al eens eerder. Maar ook dat profiel is, door de enorme aandacht voor het juiste detail, een tekst die ik elk jaar probleemloos zou kunnen herlezen. Om er dan toch telkens weer iets nieuws in op te merken.
John McPhee, A Roomful of Hovings
And Other Portraits
238 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux, zonder jaartal, oorspronkelijk 1968
in: reizen, aanbevolen 2008, a-z, biologie, [auto]biografisch, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
reageer!
maandag 17 maart 2008
Dick Hillenius vroeg zich af wat wij van rijke mensen kunnen leren, omdat rijke mensen het meest zichzelf kunnen zijn. Zij kunnen vrijuit kiezen hoe ze hun leven inrichten, waar hun armere soortgenoten altijd allerhande compromissen moeten sluiten. Dat maakt rijke mensen in zekere zin een ideaal studie-object van wat het beest mens nu precies wil.
Het is door het stellen van dit soort vragen dat Hillenius zo leesbaar blijft. Zelfs al geeft hij vervolgens nu ook weer niet een heel boeiend antwoord, en loopt het titelessay zelfs wat weg in speculaties over de evolutionair overgeleverde afkeer tegen monoculturen.
Nee, Hillenius toont met deze bundel aan dat het stellen van ontregelende vragen voor mij interessantere inzichten oplevert dan het lezen van boeken die alleen antwoorden geven.
Toch moeten die ontregelende vragen ook weer niet op helemaal niets zijn gebaseerd. Karel van het Reve, bijvoorbeeld, wekte in de jaren zeventig nogal wat wrevel op onder biologen als Hillenius, doordat hij de evolutietheorie in twijfel trok. Maar Van het Reve deed dit puur op gevoel, niet omdat hij zich nu zo zeer in de materie verdiept had. En op een gegeven moment zal hij er ook ijzerenheinig mee door zijn gegaan, juist omdat hij daarmee zo leuk mensen op de kast wist te jagen.
In deze bundel komt het opvallend vaak terug als thema: ‘de evolutietheorie nog eenmaal voor Karel van Reve verklaard’.
Aanmerkelijk leuker om te lezen waren daarom de stukken met als titel ‘Museum van favoriete zintuigprikkels’, of ‘Reizen is ellende’.
Deze rijke bundel met essays bevat ook een gedeelte met gedichten, die ik in zo’n setting tussen het proza in altijd maar slecht kan lezen. Voor Hillenius waren die gedichten, net als de essays, tastende aantekeningen. Wat wel verklaart waarom ze er in staan. Maar ik ben hierin dus minder flexibel dan de auteur.
D. Hillenius, Wat kunnen wij van rijke mensen leren?
263 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1986
in: a-z, reizen, biologie, [auto]biografisch, bundels, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
reageer!
dinsdag 18 maart 2008
Ik las deze roman volkomen onbevangen, en dat was misschien niet goed. Iets meer kennis over de hoofdpersoon, William Buckley, had me bij de waardering geholpen. Zo had ik wel uit het verhaal begrepen dat hij wat merkwaardig sprak, maar niet dat daar misschien een reden voor was.
William Buckley is een historisch personage, maar deze roman was gelukkig geen ‘vie romancée’; het genre boeken dat ik werkelijk niet kan uitstaan. Strandloper is een volkomen autonoom kunstwerk — en zo duid ik boeken toch niet vaak aan. Het valt absoluut op door het rijke en gevarieerde taalgebruik, en de fragmentarische manier waarin de vertelling gebracht wordt.
Zo rijk is het taalgebruik, en zo fonetisch werd het opgeschreven, dat dit mijn actieve kennis van het Engels vaak overschreed. Pas bij het hardop lezen van sommige passages werden die me duidelijk. Nu bestaat zeker tachtig procent van dit boek uit dialoog. En voor de rest telt de tekst nogal wat telversjes, en chants. Dus heb ik nogal wat tekst hardop gelezen.
Dit is daarmee het tweede boek dit jaar dat misschien beter een audioboek had kunnen zijn.
In Australië is Buckley een volksheld, en daardoor in Groot-Brittannië misschien ook wel. Ik vroeg me af of auteur Alan Garner om die reden expres informatie heeft achtergehouden in dit boek. Omdat iedereen het verhaal toch al kende in grote lijnen.
Tegelijk wijkt het verhaal van de William Buckley in dit boek op details af, van diens echte levensverhaal, zo leerde ik daarnet. Zo verschilt de reden van zijn arrestatie in Engeland, wat hem als straf de verbanning naar Australië opleverde. Ook leerde ik bijvoorbeeld niet uit de roman hoelang hij onder de Aboriginals heeft geleefd, nadat hij vluchtte.
Toegegeven, dat hoort dan wel bij de manier van vertellen van Garner. Ons idee over tijd als een lineair proces, dat daarmee onomkeerbaar is, wordt ingewisseld voor een circulair tijdsbesef.
Buckley werd een heilige man onder de aboriginals. Hij was wit, hij was buitensporig lang, en hij had weleens epileptische aanvallen. En hij werd bijna dood gevonden in het niets. Van de Australiërs kreeg hij een toepasselijke naam; de naam van een driftig foeragerend vogeltje. En in het Engels heet die vogel ’strandloper’. Wat de Nederlands-schijnende titel van een Engelstalige roman verklaart.
Samenvattend is dit nu typisch een boek waarvan ik vermoed dat er veel meer inzit dan ik er uithaalde. Tegelijk biedt het nauwelijks wat ik zoek in een boek.
Alan Garner, Strandloper
200 pagina’s
The Harvill Press 1997, oorspronkelijk 1996
in: a-z, geschiedenis, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Alan Garner-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
woensdag 19 maart 2008
Van alle boeken die De Swaan heeft uitgebracht, is dit éen van de meest toegankelijke. Niet dat de andere ontoegankelijk zouden zijn, maar deze bundel heef als voordeel dat zijn ideeën compact gepresenteerd worden. Geen stuk is langer dan drie, vier pagina’s. Alles heeft ook eerder in de courant gestaan — en is dus geschreven voor een algemeen publiek.
Bovendien publiceerde De Swaan voor de verandering ook eens fictie. Onder het kopje ‘Tijdsverdriet’, staan er elf dialogen in dit boek. Die waren vast leuk om te schrijven. Heel boeiend kon ik die stukken nu niet meer vinden.
Het lied van de kosmopoliet, roept wel de vraag op hoeveel De Swaan recyclede in zijn werk, en hoeveel uniek voor deze columns is. Zelfs de titel van deze bundel komt al eens ergens anders voor [In Perron Nederland].
Niet dat ik er iets tegen heb dat een schrijver zichzelf herhaalt. Wie moet hij anders dan herhalen, om Reve maar weer eens te parafraseren. Ook ik merk zelf geregeld, hier op boeklog, zonder het te weten bepaalde frases te opnieuw te gebruiken. Soms liggen de woorden nu eenmaal al klaar om ideeën uit te spreken.
Nee, mij gaat het om iets anders. Ik vraag me af of er kruisbestuiving was tussen De Swaan’s krantenpublicaties en zijn eigenlijke werk. Of hij soms de column inzette om eens een idee uit te proberen.
Andersom is duidelijk dat veel van zijn stukken explicaties lijken bij sociologische ideeën die hij elders al eens formuleerde, maar dat toen abstracter deed.
Dus geldt wel voor mij dat zijn andere boeken rijker worden door verzamelingen als deze.
Abram de Swaan, Het lied van de kosmopoliet
Essays
156 pagina’s
Meulenhoff, 1987
in: reizen, typisch hollands, a-z, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Abram de Swaan-pagina
reageer!
vrijdag 21 maart 2008
Alles had ik van John Updike gelezen. Zo dacht ik. Zijn gedichten, zijn verhalen, zijn romans. Zijn autobiografieën. De interviews met hem. Zijn beschouwingen over boeken. Zijn columns over golf.
Was het me toch ontgaan dat er inmiddels twee bundels zijn gepubliceerd waarin Updike zijn essays over beeldende kunst heeft verzameld. Terwijl het zo logisch was dat die er ook nog zouden zijn. John Updike wilde altijd liever nog cartoonist worden dan auteur. Bovendien is zijn beste werk nu juist zo goed, doordat Updike kijken kan; mij toont waar ik zelf altijd over heen gekeken had.
Toch staat er betrekkelijk weinig tekst in deze uitgave. Weliswaar bevat die 23 artikelen, maar een aanzienlijk deel daarvan overstijgt de lengte van een krantencolumn niet. De grootste rijkdom bestaat uit de illustraties.
Dit boek zei mij tekstueel het meest in de lange essays. Helemaal als Updike zich bezighoudt met de kunst die mij, als Europeaan, minder bekend is. Door zijn essay over John Singer Sargent bijvoorbeeld, werden enkele mij wel bekende beelden eindelijk eens aan éen naam gekoppeld.
Tegelijk valt door een boek als dit op, hoe makkelijk tekst ondergeschikt raakt aan beeld. Bladeren om de plaatjes van schilderijen met elkaar te vergelijken, bleek telkens interessanter dan doorlezen. Zelfs al is de tekst van een meesterschrijver, en een persoonlijke favoriet.
John Updike, Just Looking
Essays on Art
211 pagina’s
MFA Publications, 2001
in: a-z, bundels, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John Updike-pagina
reageer!
zaterdag 22 maart 2008
Het raadsel Fens.
Andere woorden om mijn relatie tot deze literatuurcriticus te omschrijven, heb ik niet. Zonder mijn eigen smaak nu heilig te willen verklaren, is me niet duidelijk wat er boeiend is aan het werk van deze man. Hoe leesbaar ze ook zijn, de meeste van zijn essays lijden voor mij aan het euvel dat ze eeuwig tandeloos voortmummelen. Ik val er bij in