dinsdag 1 april 2008
Tijs Goldschmidt was een student van Dick Hillenius. Beide zijn (waren) biologen. Beide ook hebben over veel meer geschreven dan alleen de natuur alleen. Ik geef toe zo veel van Hillenius te hebben herlezen in de eerste maanden van 2008, omdat ik hem wat beter wilde kunnen vergelijken met Goldschmidt.
Dit boek was toen al gekocht. Ik verheugde me erop het te mogen lezen.
Maar waarschijnlijk was het geen goed idee om Hillenius met Goldschmidt te willen vergelijken. Beide mannen hebben een ander temperament. Hillenius lijkt me springeriger, Goldschmidt bedachtzamer. Daardoor wordt het wat onzinnig de éen te verwijten niet de eigenschappen van de ander te bezitten.
Deze bundel van Goldschmidt bevat materiaal van nogal verschillende aard. Zijn ‘Bijenchoreograaf‘ staat erin — waarbij me opviel dat in de verantwoording niet genoemd wordt dat het ook als boekje is uitgegeven. Er staan beschouwingen in over beeldende kunst bijvoorbeeld — of over de ruimte waarin die tentoongesteld wordt. En Goldschmidt mengde zich onder meer in het non-debat over het idee dat de evolutietheorie dermate grote gebreken heeft dat een ‘intelligent ontwerp’ waarschijnlijker is.
Daarbij meldt hij overigens geen andere dingen over bijvoorbeeld het merkwaardige denken van Cees Dekker, als ik al op boeklog deed. En op mijn andere log schreef ik dat Dekker:
het respect misbruikt dat hij afdwong voor zijn werk in de moleculaire biofysica, om aandacht te vragen voor de relikul die hij gelooft.
Tijs Goldschmidt oordeelt precies zo, al blijft hij aanmerkelijk beleefder.
Verder bespreekt Goldschmidt onder meer de bewerking die geneticus Steve Jones maakte van Darwin’s Origin of Species, met het boek Almost Like a Whale. Zijn oordeel daarover is dat Jones nogal vaak met overbekende voorbeelden aan komt, maar zich redt door zijn levendige taalgebruik.
Ik oordeelde indertijd bijna andersom. Voor mij waren veel van de overbekende voorbeelden wel degelijk nieuw, maar ik ben dan ook geen bioloog. En mij stoorde het nu juist wat dat Jones’ in Almost Like a Whale zo veel minder goed schrijft als in zijn andere boeken.
Dat ik Goldschmidt’s oordeel nu tegenover het mijne zet, is overigens niet om te koketteren. Ik doe dit om aan te geven dat zijn verwijt over Jones nu wat op hemzelf terugslaat.
Boeken, of artikelen, worden geschreven voor een bepaald publiek. De ene keer hoor ik wel tot het publiek waartoe Goldschmidt zich richt met deze bundel, en een andere keer juist niet, omdat hij me dan niets verteld dat ik nog niet wist.
Het gaat me veel te ver om hem dan te verwijten ‘overbekende voorbeelden’ te gebruiken, maar zoiets weegt wel mee in mijn waardering. Dit is een goed boek, Goldschmidt is een interessante schrijver, maar mij verraste hij ditmaal veel minder dan ik gehoopt had.
Tijs Goldschmidt, Kloten van de engel
Beschouwelijkheid over de natuurlijkheid van cultuur
211 pagina’s
Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2007
in: beeldende kunst, a-z, biologie, essays, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Tijs Goldschmidt-pagina
reageer!
donderdag 3 april 2008
Wanneer was ik in Gombrowicz? Vijftien jaar geleden? Eerder nog?
Kijkend naar mijn reactie nu op deze roman, moet ik concluderen dat het nauwelijks zin heeft om zijn fictiewerk nog eens in te kijken. Er is iets veranderd sinds de eerste keer dat ik dit boek las. En, omdat de tekst nog altijd dezelfde is, ligt de schuld daarvoor dus bij mij.
Terwijl De pornografie op het oog toch wel iets heeft… Er even van afgezien dat dit boek niets met sex te maken heeft, maar alles met geweld, en manipulatie.
De roman speelt zich af in Polen, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Alwaar een groepje mensen, onder wie twee kunstenaars, zich teruggetrokken heeft op een landgoed. Daar hebben ze luwte. Daar kunnen ze plannen beramen, tegen de bezetters.
Gombrowicz speelt in dit boek onder meer met een thema dat vaker voorkomt in zijn werk. De tegenstelling tussen jong en oud; tussen onschuld en gecorrumpeerdheid. Door de oorlogsomstandigheden is het contrast tussen beide groepen nog eens extra aangezet.
Maar goed, ik vond het allemaal zo ontstellend traag uitgewerkt. En zo ik niet begrepen zou hebben wat de schrijver allemaal bedoelde, dan werd me dat iets te nadrukkelijk ingewreven.
Ondanks dat Gombrowicz dit boek aanmerkelijk subtieler heeft opgezet dan ik het hier nu even schets, bleef ik toch de schema’s erachter zien. Waarschijnlijk omdat ik, door de niet zo vreselijk interessante bewoordingen, te veel tijd over hield om dieper over de inhoud na te denken tijdens het lezen.
Witold Gombrowicz, De pornografie
175 pagina’s
Athenaeum – Polak & Van Gennep 1987, oorspronkelijk 1964
vertaling van: Pornografia
in: a-z, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Witold Gombrowicz-pagina
reageer!
vrijdag 4 april 2008
Nevil Shute Norway [1899 – 1960] was een vliegtuigbouwer, die met zijn voornamen als schrijversnaam wereldberoemd zou worden als romanauteur. De boeken van hem zijn bijna vijftig jaar na zijn dood nog steeds te koop. En dat vind ik wel terecht. Hoewel ik zeker een zwak voor de schrijver heb, omdat het zijn boeken waren die me ooit leerden in het Engels te lezen, biedt Shute bijna altijd ‘a good read’. Ze gaan doorgaans over fatsoenlijke mensen in onfatsoenlijke omstandigheden, en bieden daarmee, naast het verhaal, ook ruime mogelijkheden tot identificatie.
Goed, objectief gezien zijn ze misschien verouderd, bijvoorbeeld omdat Shute’s ideeën over de Britse klassenmaatschappij nu wat paternalistisch kunnen overkomen. Ook vertelt hij het allemaal wat trager dan hedendaagse lezer nu gewoon is. Maar ik heb dat bij hem nooit een bezwaar kunnen vinden.
In Shute’s oeuvre wijkt éen boek af van de rest, in de zin dat het geen roman maar een autobiografie is. Al geldt daarbij dat de levensbeschrijving ophoudt voor dat de auteur succes krijgt met zijn schrijfwerk. In plaats daarvan gaat het grotendeels over die andere carrière, zijn werk als constructeur van luchtschepen en vliegtuigen; werk dat de eerste veertig jaar zijn leven grotendeels zou bepalen.
Maar Slide Rule is ook weer gewoon een ‘good read’. Tenminste, tot op ongeveer tweederde. Het laatste deel gaat over Nevil Shute Norway’s bemoeienissen met het bedrijf Airspeed Ltd.; de vliegtuigfabriek die hij mede oprichtte. Te veel aandacht gaat dan uit naar de financiële problemen die dit bedrijf altijd had, en de moeilijkheden om ontwikkelingskapitaal te krijgen. De dreigende Tweede Wereldoorlog bracht wrang genoeg redding. Maar toen moest Shute het bedrijf verlaten. De tijd van pionieren was voorbij.
Nee, dit boek vind ik vooral zo goed door het eerste deel. Door de zijdelingse obervaties daarin bijvoorbeeld, en de soms zo opvallende details. Zoals dat de vader en moeder van de schrijver in 1916 gewoon nog op vakantie naar Italië gaan, met de trein door Frankrijk. Het oorlogsfront lag waar het lag, en dat had verder geen invloed op het leven elders.
Een groot gedeelte van de autobiografie gaat over de constructie van het luchtschip R100. Bijzonder daaraan was dat de private constructeur waar Nevil Shute Norway voor werkte, direct concurreerde met de overheid. Die bouwde de R101. Dat gebeurde bovendien door dezelfde mensen die ook al het zo noodlottig verongelukte luchtschip R38 hadden gebouwd.
De wereld lag er anders bij, eind jaren twintig. Het idee dat vliegtuigen ooit krachtig genoeg zouden zijn om passagiers over de oceaan te vervoeren, was ondenkbaar. Daarentegen hadden luchtschepen dit al bewezen te kunnen. Maar, die luchtschepen waren door Duitsers gebouwd. Daar moesten de Britten iets tegenover stellen.
Het is jammer, vind ik als oud-werktuigbouwer, dat de auteur niet wat dieper ingaat op de technische moeilijkheden die overwonnen moesten worden. Die zullen aanzienlijk zijn geweest. Daarentegen weet hij wel uitmuntend aan te geven waarom de R100 veel beter was dan de R101. En daarmee zelfs waarom het overheidsschip zo rampzalig verongelukte. Er vielen 46 doden, en mede daarom heeft ook de R100 nooit meer gevlogen. Het ding werd verschroot.
Door het lezen van de autobiografie is in elk geval duidelijk waarom ambtenaren in Shute’s boeken zo vaak fantasieloze en arrogante mijnheren zijn.
Nevil Shute, Slide Rule
The Autobiography of an Engineer
224 pagina’s
Ballantine Books 1964, oorspronkelijk 1953
in: a-z, [web] technologie, [auto]biografisch, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nevil Shute-pagina
reageer!
zaterdag 5 april 2008
Misschien was het een vergissing om een boek over de toekomst te lezen, dat geschreven is in 1980. Een deel van de voorspellingen is namelijk al uit gekomen, maar een groot deel ook niet. Toch treedt daardoor hetzelfde effect op als bij mensen die elke dag een horoscoop lezen in de krant. Wat voor hun gevoel klopt, is daarmee heel erg juist, en bewijst ook het nut om de horoscoop te lezen, en de rest doet er verder dan niet meer toe.
Alleen psychologisch al wordt het moeilijk dit boek enigszins objectief te beoordelen.
Toch was ik wel benieuwd naar The Third Wave, het middelste van drie boeken die Toffler om de tien jaar publiceerde over de toekomst. In 1970 kwam The Future Shock uit, en Powershift verscheen in 1990.
Ik was zo benieuwd omdat er nog steeds naar verwezen wordt. Volgens mij heeft bijvoorbeeld Peter Sloterdijk nogal wat aan Toffler’s wereldbeeld ontleend in zijn irritante boek Het kristalpaleis.
Nu kan dit ook wel. Toffler weet handig patronen in de geschiedenis te ontwaren die nuttig zijn voor het betoog. Die ‘derde golf’ van hem, is weinig anders dan wat anderen de ‘digitale revolutie’ hebben genoemd. Waarmee dus ook voor de ‘eerste golf’ [landbouwrevolutie] en de ‘tweede golf’ [industriële revolutie] de parallellen te geven zijn.
Historici schrikken tegenwoordig alleen wat terug voor etiketten als ‘revolutie’, omdat het altijd maar de vraag is of er echt wel een omwenteling plaatsvond. Bovendien duurde het vaak eeuwen voor veranderingen zich voltrokken. Tegen het begrip ‘golf’ van Toffler zijn dezelfde bezwaren in te brengen. Een golf is een eenmalig iets, waardoor alles in éen keer overspoeld wordt. Maar wie alle veranderingen in detail bestudeert, ziet juist grote tijdsverschillen tussen de ontwikkelingen in het ene, en in het andere land.
Toffler is erg Amerikaans in deze, waar ik behoudend Europees ben. Het zijn namelijk haast alleen Amerikanen die overzichtwerken als deze durven te schrijven; waarschijnlijk omdat er dat nogal optimistische vertrouwen in het eigen oordeelsvermogen uit spreekt, dat in de Europese cultuur geheel ontbreekt.
Nu ja, soms is het heel prettig om te lezen hoe de werkelijkheid even in een nieuwe plooi kan worden gelegd. Waarbij ik bovendien wel onder de indruk was van hoe Toffler de constanten achter de ‘tweede golf’ beschreef; bijvoorbeeld over hoe elites hun posities veiligstellen.
Door zijn voorspellingen werd ik uiteindelijk minder geraakt, omdat hij zo verschrikkelijk veel ontwikkelingen aandraagt, dat er altijd wel iets is dat inmiddels uitkwam. Bovendien houdt Toffler zich veiligheidshalve erg op de vlakte als het erom gaat wanneer die veranderingen nu op gaan treden.
Alvin Toffler, De derde golf
479 pagina’s
Veen Uitgevers, 1989
Vertaling van The Third Wave, 1980
in: a-z, economie, [web] technologie, geschiedenis, politiek, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Alvin Toffler-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
maandag 7 april 2008
Net als ik weer eens het gevoel heb dat poëzie wel altijd onbegrijpelijk zal blijven voor mij, lees ik Willem Wilmink, die me dan weer wat twijfels wegneemt.
Nu is een groot deel van de vijftien opstellen in deze bundel eerder gepubliceerd in ‘De blauw geruite kiel’, wat indertijd de kinderrubriek was van het tijdschrift Vrij Nederland. Daaruit moet ik dus afleiden nog altijd op kinderlijk niveau naar dichtwerk te kijken. Dat heeft misschien wel als voordeel dat ik redelijk onbevangen ben, maar die positie kent als nadeel dat ik nog altijd niet hardop durf uit te spreken dat er wel enorm veel matige poëzie wordt gepubliceerd. Geen genre bestaat er dat meer wordt overschat.
Wilmink legt herhaaldelijk met een paar handige vuistregels uit waarin de poëzie zit in een gedicht. Dat kan in klankherhaling zijn, in ritme, en in melodie. Maar vergeet natuurlijk ook de inhoud niet.
Wel zijn het allemaal begrijpelijke dichters die hij bespreekt. Eindigend met Jean Pierre Rawie, Ischa Meijer, en Annie M.G. Schmidt komen er zo al drie dichters aan bod, die ik volgens de goegemeente niet eens goed zou mogen vinden.
Bij oudere dichters als Leopold, Gorter, of Dèr Mouw ligt dat wat makkelijker. Die horen inmiddels allemaal tot de canon.
Waarop ik toch ook moet constateren, gedichten zeggen me het meest, als ik er vrijwel meteen zinnen of hele strofen uit onthoud. Meestal betekent dit dat zo’n vers in vorm dicht bij het lied komt. Aanzienlijk minder vaak maakt een gedicht op inhoud alleen al meteen een onvergetelijke indruk.
Willem Wilmink, Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit
Vijftien opstellen over schrijvers in onze taal
128 pagina’s
Bert Bakker, 1990
in: a-z, bundels, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Willem Wilmink-pagina
reageer!
dinsdag 8 april 2008
Vijf jaar terug had de Boekenweek in Nederland als thema dood en vergankelijkheid. Of iets dergelijks. En ter gelegenheid daarvan verscheen er toen niet éen boekenweekessay, maar waren dat er vier, in een luxe slapkartonnen opbergcassette bovendien. Vandaar dat ik wel degelijk werk van Boudewijn Büch in mijn bezit blijk te hebben. Overigens net als van dominee Nico ter Linde; ook al hoor ik absoluut niet tot de doelgroep van de favoriete predikant van het Koninklijk Huis.
Büch deed dat Boekenweekthema trouwens nog een opvallende eer aan, door ruim voor de publicatie van dit essay te overlijden. Dit werd daarmee een postume uitgave. Maar het is een prutske van niets, wat het geen wonder maakt dat ik het bezit ervan geheel was vergeten. Toch heb ik daardoor eerder op boeklog wel gelogen niets van Boudewijn Büch in bezit te hebben.
Dit essay volgt het stramien van Büch’s TV-uitzendingen. Hij toont zich heel erg enthousiast over een paar dode schrijvers, en laat dit onder meer zien door over allerlei nauwelijks relevante memorabilia te zwelgen. Zoals een stukje van de hoes waar Sylvia Plath’s typemachine onder schuil ging, dat hij in bezit heeft.
De informatieve waarde van dit werkje is niet helemaal nul, maar wat absoluut niet overkomt, is waarom een zo hevig bewonderde schrijver of schrijfster gelezen zou moeten worden. Dat dit vanzelf zou spreken omdat Büch er aandacht aan besteedde, daar wil ik namelijk niet aan.
Boudewijn Büch, Zingende botten
Over gedichten, dood en souvenirs
56 pagina’s
Stichting CPNB, 2003
in: boekenweekboeken, a-z, [auto]biografisch, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Boudewijn Büch-pagina
reageer!
woensdag 9 april 2008
Niet alleen is dit een turf van een boek, ik heb het ook voor een groot deel twee maal gelezen. Bovendien gebood de auteur — en niet ten onrechte — dat elk verhaal op zich zou moeten staan. Het voorwoord verbiedt het om meer dan éen per dag te lezen. Dit verklaart dat ik al vanaf november vrijwel elke dag in deze bundel las, maar dat deze toch nu pas uit is.
De Canadese schrijfster Mavis Gallant schijnt vooral een writer’s writer te zijn. An acquired taste. En wat mij betreft klopt dit ook wel.
Deze verzameling verhalen leerde mij namelijk pas tijdens het lezen hoe ze gelezen moesten worden. Dit komt omdat Gallant zo veel meer verzwijgt dan vertelt. Ook haar toon vroeg om gewenning. Ze lijkt vaak afstandelijker dan ze wel is; haar ironie is intelligent, maar verbergt een grote empathie en betrokkenheid.
De verhalen van Gallant gaan niet zelden over ontheemden, in al hun verwarring. Al zijn dat dan wel vaak vrijwillige ballingen, uit de gegoede kringen. Dit geeft de schrijfster nogal wat mogelijkheden tot een subtiel sociaal commentaar. Haar personages hebben zich maar aan te passen aan zeden die vaak niet de hunne zijn, of stuiten door het ontbreken van kennis over de heersende gewoonten ergens op een totaal onwrikbare weigering. Al wordt zo’n weigering dan natuurlijk nooit rechtstreeks uitgesproken.
Het duurde vrij lang bij mij voor ik oog kreeg voor al het onuitgesprokene. Wat dit betreft boden de autobiografische verhalen over de jeugdjaren van de schrijfster in Montreal, verzameld onder het kopje ‘The Linnet Muir’, een sleutel tot het boek.
Overigens speelt het grootste deel van deze verzameling verhalen zich in Frankrijk af; daar waar de schrijfster al decennia woont.
Mavis Gallant, The Selected Stories of
887 pagina’s
Bloomsbury Publishing 2004, oorspronkelijk 1997
in: aanbevolen 2008, a-z, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Mavis Gallant-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
donderdag 10 april 2008
De dunste boeken zijn vaak het dikst. Wat Jean-Philip Toussaint maar weer eens bewees met zijn roman Het fototoestel.
Ogenschijnlijk gebeurt er nauwelijks iets in dit boek. De hoofdpersoon meldt zich voor rijlessen aan op het kantoor van een rijschool, maar hij neemt daarbij niet alle bescheiden mee die in zijn dossier zouden moeten. Dat noopt hem tot een terugkeer. En vervolgens spreekt het volkomen vanzelf dat hij iets begint met de jonge vrouw die de rijschool runt.
Prettig aan deze vroege Toussaint, is dat de schrijver nog zo graag het absurdisme laat zien van volkomen normale situaties. Soms melkt hij dit wat uit, zodat het al schmierend slapstick wordt, maar dat kan ik geen probleem vinden.
Wat me verder aan het boek opvalt, is dat er bijna geen letter dialoog in staat. De hele roman bestaat een interne monoloog van de hoofdpersoon.
Ik schrijf dit verkeerd op. Het valt juist totaal niet op dat er geen letter dialoog in voorkomt. De stemmen van de andere personages worden geen moment gemist. Het volstaat alleen de hoofdpersoon aan het woord te horen, en om tijdens het lezen ook na te denken over wat die allemaal niet vertelt.
Jean-Philippe Toussaint, Het fototoestel
89 pagina’s
Uitgeverij Van Gennep, 1989
Vertaling door Marianne Kaas van: L’appareil-photo
in: a-z, en français [& vertaald]
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jean-Philippe Toussaint-pagina
reageer!
zaterdag 12 april 2008
De grootste schatten staan dikwijls al jaren in de kast, zonder dat ik er zelfs maar naar omkijk. Ik had deze bundel van Hillenius overgeslagen bij het herlezen van zijn werk eerder dit jaar, omdat ik meende dat me alles hieruit wel bekend was. Te bekend. Maar Tijs Goldschmidt haalde in Kloten van de engel een intrigerende opmerking van zijn leermeester Hillenius aan. Namelijk, dat de kunst vaak aan de wetenschap vooraf zou gaan. En de bron van die opmerking kon ik niet meteen plaatsen.
Zeker tien jaar had ik dit boek niet gelezen, en als me er al wat van bij stond in detail, dan niet hoe sprankelend Hillenius erin denkt en schrijft.
Of misschien lukt het me pas nu dit te zien.
Ook Het principe van nieuwsgierigheid toont hoe veel breder Hillenius’ belangstelling was dan zijn vakgebied de biologie alleen. Hij schrijft onder meer over het Holland festival, over Poetry International, over Nabokov — al was die ook een bioloog natuurlijk — en over een reis naar de VS. Maar interessanter nog zijn de losse aantekeningen, die over werkelijk alle onderwerpen kunnen gaan.
Die opmerking uit de eerste alinea komt terug in een dagboekpassage, als Hillenius wat knort op zijn goede vriendin Renate Rubinstein.
Wetenschap en politiek zijn in principe sociale vormen van kennisverovering en kennisgebruik, onderhevig aan controle, dwang tot argumentatie, herhaalbaarheid van proeven etc. Gesystematiseerd, bruikbaar gemaakt wantrouwen.
Kunst staat daar soms tegenover doordat het niet-sociaal, in principe juist individueel is. Dat heeft voordelen. Mythe kan een wetenschap voorafgaan. Intuïtie kan soms ontsnappen aan de storende bijprodukten van formalisering. Maar niet alle eigengereide uitspraken zijn goed . […]Als de mogelijkheid tot controle bestaat zijn we verplicht die toe te passen.
[107-108]
Nu zegt Hillenius hier niets dat ik niet al voor een deel zo betoogd heb op boeklog of eamelje.net. Maar zo’n simpele frase als ‘bruikbaar gemaakt wantrouwen’ raakt me hiel diep. Omdat daar in drie woorden staat, waar ik altijd veel langere omschrijvingen voor nodig heb gehad.
Overigens ben ik het niet geheel eens met Hillenius’ woorden. Mij lijkt dat bijvoorbeeld de literatuur wel kan willen de wetenschap voor te zijn, maar dat romans toch echt geen aanspraak meer kunnen maken op die status. Hoogstens dat er begin 20e-eeuw nog weleens kruisbestuiving was, dat een psycholoog of psychiater over de mens kon leren door Tolstoj te lezen — ik geloof er niets van dat dit effect er nu nog zou zijn. Of alleen als er hineingeïnterpreteerd wordt, zodat er van die parmantige uitspraken ontstaan als over wat Kafka allemaal voorspeld heeft.
Kunstenaars kunnen wel andere mensen beter leren kijken, maar dat is wat anders. Daarbij is bovendien al voorwaarde dat dit publiek ook wíl zien.
Toch zeggen bovenstaande alinea’s veel over hoe ik zo’n boek als dit lees. Hillenius roept zowel bewondering op voor de lenigheid van zijn geest, en de kracht van zijn bewoordingen, als dat ik ook in gedachten direct met hem in discussie treedt.
En beide elementen zijn zo prettig om te hebben, in een boek.
D. Hillenius, Het principe van nieuwsgierigheid
232 pagina’s
De Arbeiderspers, 1978
in: a-z, boeken over schrijven, aanbevolen 2008, biologie, kennis, bundels, [auto]biografisch, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
reageer!
zondag 13 april 2008
In de Nederlandse vertaling van deze strip had de hoofdpersoon ineens een andere naam. Het jongetje heette plots Casper, in plaats van Calvin. Dat heb ik altijd zeldzaam dom gevonden; daardoor gaat nu juist die aardige verwijzing naar de filosofen Calvijn en Hobbes verloren. Terwijl er, heel terloops, wel degelijk heel principiële levensvragen aan de orden komen in een stripboek als dit.
Zowiezo is al verwonderlijk dat de figuur Hobbes zo goed werkt. Waar alle andere personages niets anders zijn dan een vervelend zesjarig jongetje met een knuffeltijger, leeft zijn vriend Hobbes voor Calvin echt.
De maker Bill Watterson is om nog meerdere redenen te bewonderen. Zo hield hij er na tien jaar mee op de strip in kranten te publiceren, terwijl hij het succes nog decennialang had kunnen uitmelken. Desnoods door een andere tekenaar alle werk te laten doen. Evenmin was Watterson ooit bereid om zijn stripfiguren ooit in de handel te gooien; terwijl hij kapitalen had kunnen verdienen met een pluche verzie van de tijger Hobbes.
Ik waardeer deze strip nog altijd zo, omdat de maker niet altijd mikt op de simpele lach. Omdat hij het vertikt om altijd op zijn hurken te gaan zitten, maar wel degelijk een maatschappelijk commentaar in zijn werk stopt. Zonder dat daaruit nu af te leiden is wat de politieke voorkeuren zijn, van de man.
In Homicidal Psycho Jungle Cat staan een paar van mijn favoriete afleveringen ooit verzameld. Zoals dit simpele, maar vlijmscherpe commentaar op het werk van de historicus.
click voor groter

Bill Watterson, Homicidal Psycho Jungle Cat
A Calvin and Hobbes Collection
176 pagina’s
Andrews & McMeel, 1994
in: a-z, strips/graphic novels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bill Watterson-pagina
reageer!
maandag 14 april 2008
Uitleggen waarom dit een bijna perfect boek is, zal waarschijnlijk terloops ook veel zeggen over wat me ergert bij andere schrijvers dan McPhee.
Allereerst heeft The Deltoid Pumpkin Seed een geweldig uitgangspunt. Een groep mannen probeert iets nieuws te maken. In dit geval een luchtschip dat kan dienen als hefplatform om grote lasten te vervoeren. Maar de vorm die ze het schip geven, wijkt enorm af van wat gebruikelijk is — dat wordt het wigvormige pompoenzaadje, uit de titel. Niemand van buiten het team geloof dat zo’n tuig ooit kan vliegen.
Alleen gaat het er tijdens het boek nauwelijks om wat buitenstaanders vinden. Veel belangrijker zijn de technische problemen die overwonnen moeten worden. En dat zijn nu eens echte problemen, geen verzonnen verhaaltjes.
Hoewel McPhee nog wel wat detaillistischer had mogen worden van mij, is deze lange reportage soms heerlijk nerdig technisch. En dit alleen al — dat een schrijver erop durft te vertrouwen dat een lezer de inhoudelijke passages wel aankan omdat ze helder geschreven zijn; of anders gewoon maar moet overslaan — dat McPhee niet op zijn hurken wil zitten, stemt dankbaar.
Helemaal perfect is dit boek niet, omdat McPhee iets over de helft een historisch intermezzo inlast over de geschiedenis van het luchtschip, beginnend bij Graf Zeppelin. Hoe prachtig deze informatie ook is, van mij had die wat organischer in het verhaal geweven mogen worden.
Overigens herlas ik dit boek, als een vervolg op Nevil Shute Norway’s autobiografie Slide Rule, dat ook grotendeels over de constructie van een luchtschip gaat. McPhee noemt dit schip niet, noch dat andere boek, en dat vind ik ergens wel jammer.
Het meest is The Deltoid Pumpkin Seed voor mij geslaagd in de beschrijving van de mannen die aan het project meedoen. Meesterlijk wordt aangeduid wat hun motivatie is. En omdat die niet bij iedereen hetzelfde is, ontstaan daardoor vanzelfsprekend fricties. Technici die een probleem op te lossen hebben, kijken nu eenmaal anders tegen moeilijkheden aan, dan financiers die al hun investeringen zien verdampen. Al is dit boek nog wel het meest een biografie van William Miller; de theoloog die directeur werd van het luchtvaartbedrijf Aereon. De man met de droom goed te kunnen doen in de wereld, met dat spotgoedkope hefplatform in de vorm van een luchtschip.
Het hele boek is éen lange voorbereiding op de laatste pagina’s, als het testschip eindelijk zijn luchtdoop krijgt. Maar het is dan nog steeds maar een schaalmodel, al zit er een piloot in. Er is enorm veel geld meer nodig om een echt hefplatform te kunnen maken. Ook al omdat zo’n luchtschip weleens tweehonderd meter lang zou kunnen worden.
En dan ook brengt McPhee terloops iets in zijn boek aan, dat ik te zelden ergens anders tegen kom. Hij laat zien hoezeer de buitenwereld onder vrijwel alles onverschillig blijft. Kun je nog zo’n goed idee of product te bieden hebben.
Enfin, kom ik toch ook weer bij Shute terug, die zijn autobiografie als motto meegaf dat de reis doorgaans veel interessanter is dan de bestemming.
John McPhee, The Deltoid Pumpkin Seed
184 pagina’s
Farrar, Straus and Giroux 1992, oorspronkelijk 1973
in: aanbevolen 2008, a-z, [web] technologie, kennis, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John McPhee-pagina
reageer!
dinsdag 15 april 2008
Een bundel als deze herinnert me er weer aan waarom ik filosofie doorgaans niet vreselijk boeiend om te lezen vind. Ondanks dat Nauta weinig schrijft waar iets op aan te merken is. Maar ik vind het vrijwel steeds een ontstellend vervelend achterhoedegevecht dat hij voert. Het zet mij geen moment tot denken aan.
Nauta rekent met allerlei apen en beren af, in zijn betogen. Maar mij is dat donquichotterie. Ik heb als simpele lezer dan ook het enorme voordeel een heleboel van wat filosofen geschreven te hebben volkomen te kunnen negeren, omdat ík het onzin vind. Een hoogleraar in de wijsbegeerte moet iets beleefder met de argumenten van mede-filosofen omgaan, al was het maar door zelfs de merkwaardigste argumentaties serieus te nemen.
Het interessantst vind ik Nauta ditmaal als hij, zoals vaker in zijn werk, de pretenties van de filosofie behoorlijk inperkt. En goed, dan gaat het ditmaal over ethiek, en daarmee over normen en waarden. Maar ook daarover schrijft Nauta ware woorden.
Ik beweer alleen, dat het ook theoretisch gezien onmogelijk is ethische uitspraken te doen zonder tegelijk de toekomst van alle mensen in het geding te brengen. Vroeger was dat niet nodig. Zelfs het ‘Gij zult niet doden’ was uitsluitend voor Israëlieten t.o.v. Israëlieten of later alleen voor christenen ten opzichte van medechristenen bestemd. Tegenwoordig is het onontkoombaar, verondersteld tenminste, dat men niet alleen ethisch wil praten, maar ook ethisch wil handelen.
[24]
L.W. Nauta, Argumenten voor een kritische ethiek
122 pagina’s
Van Gennep 1980, oorspronkelijk 1971
in: a-z, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de L.W. Nauta-pagina
reageer!
donderdag 17 april 2008
Als een veenbrand die om de vijf jaar even fel opwakkert, zo is de blijvende aandacht voor de schrijver J.D. Salinger. Ondanks dat deze geheel in de anonimiteit verdween, na een roman en drie verhalenbundels te hebben gepubliceerd in de jaren vijftig en zestig.
Heel rouwig kan ik niet altijd zijn om dit fenomeen. Zo was er een relletje in 1997, toen een uitgever voor het eerst het lange verhaal ‘Hapworth 16, 1924′ in boekvorm wilde publiceren. Het bedrijf kwam daarop terug, maar ondertussen hadden gedienstige geesten wel al zelf alle niet gebundelde verhalen van Salinger verzameld, en op internet gepubliceerd.
Dat gaf me eindelijk kans om eens te vergelijken.
Ik houd veel van Salinger, maar mijn liefde gaat vooral uit naar de vroege verhalen. Zijn roman The Catcher in the Rye maakte weliswaar enorme indruk ooit, maar toen was ik nog maar zestien. Overigens lijkt dit me wel nog steeds de perfecte leeftijd om dat boek te lezen, met al zijn wrok tegen de schijnheiligheid van volwassenen. Salinger’s latere verhalen hebben dan weer als bezwaar dat ze voor mij een zweem van [godsdienst]waanzin tonen die ik niet prettig vind.
In Nine Stories zijn negen vroege verhalen gebundeld. Dat maakt dit een vrijwel perfect boekje, dat ik om de zo veel jaar herlezen moet.
Weliswaar weet ik van alle verhalen wat erin gebeurt, dit maakt namelijk niet uit. Zo veel gebeurt er ook niet. Het gaat vooral om de zinnetjes waarin de gebeurtenissen beschreven worden, hoe de mensen in de verhalen met elkaar praten. Omdat ik die zinnetjes, met al hun terloopse details, namelijk niet onthoud. Daardoor zijn de verhalen, ook bij de zoveelste herlezing, altijd weer rijker dan ik dacht.
‘A Perfect Day for Bananafish’ en ‘For Esmé - with Live and Squalor’ uit deze bundel horen zowiezo tot mijn lievelingsverhalen, van welke auteur dan ook. Toch is bijna onmogelijk uit te leggen waarom. Heel ingewikkelde vertellingen zijn het niet. Maar het gaat erom dat deze verhalen nu juist in staat zijn iets aan emotie op te roepen, dat op een voortdurende verbazing of een totale overgave aan de schrijver lijkt. Daardoor is Salinger in staat me iets mee te geven dat ik vergeefs bij de meeste andere schrijvers zoek.
Uit die 22 nooit gebundelde verhalen — die ik dus eerder ooit van internet plukte — blijkt overigens dat Salinger er toch wel even over gedaan heeft om dat hoge niveau te halen. Het oudste verhaal in die verzameling dateert uit 1940, en zou volkomen oninteressant als het niet van Salinger was. Pas ruim na de Tweede Wereldoorlog, zo in de tijd als hij met ‘A Perfect Day for Bananafish’ voor het eerst iets aan The New Yorker verkoopt, is er die volkomen eigen toon en aanpak. 1948 blijkt dan een rijk jaar te zijn.
En toch had dit boek nooit Ten Stories kunnen heten, laat staan Eleven Stories, of Twelve….
J.D. Salinger, Nine Stories
198 pagina’s
Bantam Books 1967, oorspronkelijk 1953
in: aanbevolen 2008, a-z, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J.D. Salinger-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
vrijdag 18 april 2008
Dit is het enige boek van Dick Hillenius dat ik gewoon nog in de reguliere boekhandel heb kunnen kopen indertijd. En dat kwam omdat het pas in 1996 werd uitgegeven. Ter nagedachtenis. Want toen was Hillenius al 9 jaar dood.
In deze bundel zijn de beste columns verzameld die hij in de jaren tachtig schreef voor het tijdschrift Vrij Nederland. Ik had pas een paar jaar later een abonnement. Dus is al dit werk me indertijd ontgaan.
Ik moet daar toch maar eens mijn spijt over uitspreken.
Het blijft merkwaardig een schrijver te ontdekken, terwijl die al in de vergetelheid begint te raken. Goed, zo’n ontdekking zal dan zuiver zijn. Er was nooit enige peer pressure om Hillenius een interessante schrijver te moeten vinden. Mijn opflakkerende liefde is een geheel eigen vondst.
En goed, dat zijn werk vrij moeizaam te vinden is, maakt elke kennismaking met iets nieuws vergelijkbaar met de opwinding die er zijn kan als een nog levende favoriet iets uitbrengt.
Maar toch.
Het is voorbij. En ik heb Hillenius nooit opgemerkt toen ik hem nog had kunnen opmerken. De teleurstelling over die onnozelheid blijft.
Aardig aan deze bundel is dat de vertrouwde thema’s uit Hillenius’ werk er allemaal in terugkeren. Al heb ik ook het idee dat sommige bewoordingen erin gerecycled worden.
Zelf zie ik schrijven als het vlechten van een netje dat je rondhaalt door de omgevende poel in de hoop iets te vangen.
[100]
Al kan het ook zijn dat die herkenning er is omdat bijvoorbeeld Tijs Goldschmidt regelmatig over de invloed van Hillenius op zijn werk heeft geschreven [en gesproken].
Zoals altijd vind ik de Hillenius het interessantst als hij culturele verschijnselen probeert te duiden vanuit de kennis over zijn vakgebied, de biologie. Dat denken, hoe speculatief ook misschien, raakt iets bij mij. Vooral omdat er lang altijd niet antwoorden geformuleerd worden.
Nog even terug naar de oorzaak van die dwang, waardoor je soms jaren vruchteloos kan worstelen om toegang te krijgen tot een bepaald gebied. Het snobisme is er de karikaturale aanduiding van. In het algemeen gaat het om het volgen van een autoriteit. Waarom je die autoriteit kiest en niet een van de vele anderen is niet duidelijk. Het zal wel te maken hebben met de genoemde jeugdinvloeden of herkenning van verwantschap. In ieder geval is ook dit weer een voorbeeld van hoe cultuur werkt: het voorbeeld volgen van de autoriteit, een hiërarchisch principe. Anti-autoritaire opvoeding bestaat niet.
[220]
D. Hillenius, De hand van de slordige tuinman
240 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1996
in: a-z, beeldende kunst, biologie, [auto]biografisch, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
reageer!
zaterdag 19 april 2008
Het gebeurt nooit, maar toevallig werd een boek met een prijs bekroond terwijl ik het aan het lezen was. De theoretisch historicus Frank Ankersmit won hiermee de Socrates Wisselbeker dit jaar. Hij heeft met De Sublieme historische ervaring het meest meest urgente, oorspronkelijke, en prikkelende filosofische boek van 2007 geschreven.
Aldus de jury.
Zoiets is vrij confronterend als je zelf inhoudelijk toch behoorlijk wat moeite hebt met het boek.
Verder meent de jury dat Ankersmit op bijna elke bladzijde een onverwachte en tegendraadse gedachte poneert. Maar juist die stelling roept bij mij het idee op dat de juryleden blijkbaar niet zo veel gelezen hebben in hun leven. Laat staan dat ze zelfs eens hebben nagedacht.
Zo is een fundamenteel probleem van dit boek voor mij dat me ontgaat waar Ankersmit nu precies naar zoekt. Goed, een belangrijke vraag voor hem is waarom wij toch zo veel belangstelling voor het verleden zouden kunnen hebben. Maar ik snap niet waarom het als antwoord nodig is daartoe enkele historici heilig te verklaren. Mannen als Burckhardt, Huizinga, en de onvermijdelijke Tocqueville brachten iets extra’s. Akkoord. Maar zou dat nu echt komen omdat zij historische ervaringen hadden beleefd van een werkelijk sublieme aard?
Daar nu geloof ik werkelijk helemaal niets van. Ankersmit’s interpretatie van Huizinga’s motivaties riekt trouwens naar amateurpsychologie van de bedenkelijkste soort. Hij zou als historicus bovendien moeten weten dat enige huiverigheid geboden is om zo stellig oorzaken aan te wijzen voor uitkomst.
Het klinkt badinerender dan ik het bedoel, maar de meeste historici zullen tijdens hun onderzoek weleens een historische sensatie doormaken. Dan lijkt er ineens even een verhevigd contact met het verleden te zijn. En gelukkig ook maar. Anders wordt hun vak onmogelijk droog. Maar het lijkt me onzin om gradaties in die ervaring aan te brengen. Bovendien is taal een onhandig abstract vehikel om over te brengen waaruit zo’n ervaring bestaat — ook al is het dan het enige middel voorhanden. Om die conclusie te trekken, hoeft niemand al de filosofen te lezen waar Ankersmit bij uit winkelen is gegaan.
En windowshoppen deed hij. Dat moet ook wel. Filosofie is in de twintigste eeuw steeds meer taalfilosofie geworden. En in al dat gezever over taal is er geen ruimte voor georeer over ervaring, laat staan de historische ervaring. Om nog maar te zwijgen over die alles overtreffende sublieme historische ervaring.
Dit boek biedt daarmee vooral een intellectuele zoektocht naar wat anderen dachten, en wat dit waard is. Ankersmit in Verwonderland is het, maar dan onnoemelijk vervelend, want de auteur verbaast zich zelden ergens over. Mede daardoor wordt tijdens zijn betoog menig doodlopend steegje ingewandeld. Waardoor Ankersmit gelukkig soms ineens opgelucht opmerkt dat hij nu maar eens afscheid moet nemen van al die stromingen in de theorie, en zelfs eens naïef dient te durven zijn.
Laten we daarom met grote scepsis kijken naar al die vaak even nutteloze als omslachtige producten van de transcendentalistische bureaucratie, zoals de hermeneutiek, de semiotiek, het structuralisme, het poststructuralisme, de tropologie, het deconstructivisme, het textualisme, het contextualisme en wat dies meer zij. Het wordt tijd dat we inzien hoezeer we de laatste vijftig jaren zijn bestookt door een eindeloze reeks van transcendentalistische monsters, het ene nog lastiger te begrijpen dan andere, en dat al die intellectuele monsters eigenlijk meer de aandacht op zichzelf vestigden dan onze ogen te openen voor de sublieme mysteries van het verleden zelf. [100]
De pluralis majestatis in bovenstaand citaat is trouwens geheel voor Ankersmit’s rekening.
Terzijde, maar bovenstaande stijlvorm ergerde mij nogal, bij het lezen van dit boek. Vooral omdat hij dat ‘we’ niet alleen gebruikte om zichzelf majesteitelijk te vermenigvuldigen. Het ‘we’ is bij Ankersmit ook vaak een verpleegsters-wij; gebruikt als wij even een vies medicijn moeten doorslikken, vanzelfsprekend zonder dat zuster daaraan meedoet.
Enfin.
De laatste zin van dit boek — die duidelijk bedoeld is als uitsmijter — begreep ik ook al niet.
Politiek is de alfa en de omega van alle geschiedenis. [421]
Ik deel deze visie geen moment. Voor mij is de ontwikkeling en toepassing van techniek het meest unieke aan alle geschiedenis. Want dat mensjes die eenmaal de macht hebben, deze kunnen misbruiken, met allerhande leed tot gevolg, vind ik niet zo heel boeiend. Hoogstens leert de geschiedenis mij wat patronen in machtsmisbruik te herkennen; zonder dat die iets zeggen over de mogelijkheid op herhaling.
Nu begrijp ik wel dat Ankersmit die uitspraak doet. Maar dat is iets anders. Hoewel hoogleraar in de theorie van de geschiedenis te Groningen, was Ankersmit bijvoorbeeld partij-ideoloog van de VVD. Al verdween het Liberaal manifest, dat hij mede hielp opstellen in 2005, al betrekkelijk snel in de vergetelheid — waarschijnlijk omdat het niet populistisch genoeg was voor de koers van de partij op dat moment.
Thans roert hij zich menigmaal als opiniemaker in de kolommen van de Nederlandse couranten. Dat is vast een leuke ervaring. Voor hem. Van verdere waardeoordelen onthoud ik mij, laat staan zijn daden filosofisch te gaan duiden.
Vorige week schreef Ankersmit nog in de courant dat we in een dictatuur leven.
Frank Ankersmit, De sublieme historische ervaring
432 pagina’s
Historische Uitgeverij, 2007
in: a-z, geschiedenis, politiek, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Frank Ankersmit-pagina
éen opmerking
zondag 20 april 2008
O’Farrell was onder meer tekstschrijver van TV-programma’s als Spitting Image, en Have I Got News For You. En om éen of andere reden blijft dat zichtbaar in zijn boeken, voor mij. De meeste van zijn grappen zijn alleen grappig in een setting; als er even alle aandacht naar uitgaat; als iedereen met ingehouden adem op de pointe wil wachten, in de zekerheid dat die er ook komt. Dit werkt goed TV, of desnoods de radio. Op papier stoort het.
Blijft staan dat ik voor de tweede keer dit jaar een boek van O’Farrell las. En dan ook nog éen waarop het makkelijke oordeel gegeven wordt om George W. Bush als idioot op de voorkant te zetten.
Ik geef toe eens in de honderd pogingen een bescheiden glimlach op te zetten bij O’Farrell’s grappen. Maar omdat de grapdichtheid zo ontstellend hoog uitpakt, gebeurt er derhalve om de twee pagina’s wel iets aardigs. Al stompen alle overstatements in de columns van deze bundel aardig gauw af.
Het is ook allemaal niet vreselijk belangrijk meer wat hij schreef bij actuele ontwikkelingen begin deze eeuw. O’Farrell behandelt het nieuws van die dagen op een oppervlakkige manier, en dat keert zich dus nu tegen hem. Zelfs al is deze uitgave speciaal voor de Amerikaanse markt bewerkt, en zullen de meest plaatsgebonden Britse grappen verwijderd zijn.
De columns in deze bundel verschenen indertijd wekelijks in The Guardian, maar O’Farrell is daar inmiddels mee gestopt. Hij was na twintig jaar wel wat uitgekeken op het maken van grappen over de actualiteit. Bovendien is O’Farrell zich actiever met de politiek gaan bemoeien. Hij werd speechschrijver, en leverde onder meer grappen voor redes van Tony Blair en Gordon Brown.
Dit maakte zijn positie als satirisch beschouwer van het establishment toch ook wat dubbel.
John O’Farrell, Global Village Idiot
Dubya, Dunces, and one Last Word Before You Vote
274 pagina’s
Grove Press 2004, oorspronkelijk 2004
in: a-z, politiek, humor, bundels, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John O'Farrell-pagina
reageer!
dinsdag 22 april 2008
Wie weleens nadenkt over de toekomst van het Fries, ontdekt dat zelfs een basaal leerboekje als dit heel elementaire vragen oproept. Foar de taalspegel behandelt het onderscheid tussen ‘min Frysk’ en ‘geef Frysk’, tussen aangetast en gaaf, tussen slecht en goed, tussen misdaad en gezagsgetrouwheid. De kwestie hierbij is alleen wie toch bepaalt wat er precies goed is, en waarom dan wel.
In het Nederlands leeft dit probleem ook wel wat. Maar hierin gaat het vooral om spellingskwesties. En, omdat er tegenwoordig zowel een Groene als een Witte voorkeursspeling bestaat, kan niemand meer het absolute gelijk van zijn opvatting claimen.
In het Fries ligt het wat moeilijker. Dit komt omdat het vooral een gesproken taal is. Om te schrijven, gebruikt vrijwel elke Fries het Nederlands. En mede door dit orale karakter is er ook niet éen overheersende vorm van Fries. De provincie kent vier of vijf verschillende Friese dialecten — al zijn het er meer als ook de stads- en eilanddialecten meegeteld worden.
Toch gaat Foar de taalspegel er vanuit dat er wel degelijk éen correcte vorm van het Fries bestaat. En dat is dan de geschreven vorm, die misschien een paar duizend mensen in levend gebruik houden, pessimistisch geschat. Dat is het Standertfrysk, een corpus aan woorden en frasen gebaseerd op teksten die sinds 1800 op papier zijn vastgelegd.
Goed, voor een taal- en leerboekje als dit heeft het wel degelijk nut er vanuit te gaan dat een standaard bestaat. En de samenstellers hebben ook moeite gedaan om voorbeelden te vinden met overduidelijke verschillen tussen goed en minder goed.
Maar toch.
Ik nam dit boekje door om te zien hoe het ondertussen met mijn kennis van het Standertfrysk gesteld was. Of ik de opgaven bij elk hoofdstuk zonder problemen kon beantwoorden.
Dit bleek niet zo te zijn. Sterker nog, een paar keer was het goede antwoord me ook na raadpleging van het woordenboek een raadsel. Daardoor durf ik toch de stelling wel aan dat zo’n frase niet meer in levend gebruik is, en daarmee inmiddels dood.
Nu heeft samensteller Pieter Breuker later duidelijk gewaarschuwd voor puristische tendensen in het Standertfrysk. Zo signaleerde deze taalwetenschapper in zijn dissertatie dat er bij sommige gebruikers een duidelijke neiging bestaat om woordvormen te kiezen die zo ver mogelijk van het Nederlands af liggen.
En zo kijk ik nu ook aan tegen de taal. Niet alleen is er die drang tot purisme, er is ook nog die vloek van de Steatestavering; de door de Friese politiek opgelegde spelling die de geschreven taal vrijwel fonetisch heeft gemaakt; zelfs als dit helemaal geen nut heeft. Ook namen die tot begrip zijn geworden, zoals diesel, taxi, en luxaflex, moeten in het Fries anders worden gespeld.
Maar daarmee kon de boel weleens helemaal op slot zijn gezet. Leenwoorden voor begrippen die het niet Fries nog niet kent, moeten ook worden ferfriesd, zodat niet zelden hun oorsprong volledig onzichtbaar wordt.
En het Fries heeft nu juist voor een heleboel begrippen in deze zo snel veranderende cultuur helemaal nog geen eigen woorden.
Pieter Breuker, Margreet G. Dyksma-Hogeveen, Sytze T. Hiemstra, Koop C. Scholten, Willem Visser, Adam Zantema
Foar de taalspegel
Koart oersjoch fan Hollânske ynslûpsels yn it Frysk
93 pagina’s
AFUK, 1984
in: leerboeken, a-z, fryske boeken
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Pieter Breuker ea ed.-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
éen opmerking
donderdag 24 april 2008
In dezelfde cassette met werkjes van Büch en Keizer, was ook dit boekje van Kristien Hemmerechts verzameld. Het thema van de Boekenweek in 2003 had met dood en vergankelijkheid te maken, en Hemmerechts noemt zich in de eerste zin al ervaringsdeskundige op dit gebied.
Of is het Hemmerechts wel? Dit boekje pakte namelijk niet uit als essay, maar bleek veeleer een verhaal te zijn. Dus noemt de ik-figuur zich ervaringsdeskundige; en die ik-figuur mogen we volgens de wetten van de literatuurkritiek nooit gelijk stellen aan de auteur. Al is de verleiding in deze er wel, omdat Kristien Hemmerechts er nooit een geheim van heeft gemaakt dat ze de dood van nabij heeft meegemaakt. Liefst een heel boek gaat over het verlies van haar man Herman de Coninck, en ook over haar al jong gestorven kindjes heeft ze geschreven.
Aan Hotel Terminus valt bovenal op dat ik er nauwelijks iets van begrijp. Ook niet na twee keer lezen. Daarvoor is het veel te associatief.
Goed, dat Hotel Terminus, die pleisterplaats bij de laatste halte, daarvan begrijp ik nog wel iets. In dit verhaal is het een plek waar mensen naar te reizen om zelfmoord te plegen. Het enige wat ik er verder van begrijp is dat de ik-figuur hardop mediteert over de mogelijkheden van schrijvers om hun personages om te brengen, of toch in leven te laten. Maar waarom die ik-figuur nu juist een plek bedacht heeft waar mensen heengaan om hun nabestaanden met vragen op te zadelen, en leed aan te doen?
Kristien Hemmerechts, Hotel Terminus
52 pagina’s
Stichting CPNB, 2003
in: boekenweekboeken, a-z, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Kristien Hemmerechts-pagina
reageer!
vrijdag 25 april 2008
Het was vreemd om dit boek weer eens in te kijken. Ooit heb ik er heel wat tijd mee doorgebracht, maar sindsdien heeft het zeker twintig jaar onaangeroerd in de kast gestaan. Deze nieuwe confrontatie maakte dat ik me ineens oud voelde. Dat vooral.
Dit heet een gids te zijn waarin Terry Gilliam, onder meer bekend van Monty Python, de trucs uitlegt die hij in zijn animaties gebruikte. Dat is een wat overdreven beschrijving. Ik vind dit weliswaar ergens nog wel een rijk boek, maar dat komt dan alleen door de vele stills.
Toen ik mijzelf leerde schilderen met de airbrush, was Gilliam absoluut een inspiratiebron. Van de stills in dit boek keek ik af hoe dat moest, om foto’s te combineren met zelfgemaakte beeldelementen.
Ook de pagina’s achterin met potlood- en penschetsen leken me ooit van een enorme rijkdom.
Maar ik zie nu toch wel dat het boek erg snel en goedkoop in elkaar is gezet. Dat Gilliam er misschien zelf geen minuut naar gekeken heeft, omdat vrijwel alles wat er in staat al bestond.
Nu telde ook mee dat Gilliam met technieken werkte uit een andere tijd. Animaties maken was toen nog een tijdrovend handwerk; een geduldig karwei van telkens losse stukjes papier verplaatsen, en daar dan een foto van nemen.
Tegenwoordig is er zoiets als de computer, die poppetjes op een scherm kan laten bewegen met uit een standaardbibliotheek gehaalde moves.
Maar leuker als Gilliam ze maakte, zie ik toch zelden of nooit, aan filmpjes.
Enfin, Terry Gilliam heeft wel tot gevolg gehad dat ik sinds zijn boek denk dat er iets niet klopt, aan de titel van Wordsworth’s gedicht ‘Intimations of Immortality’.
Terry Gilliam, Animations of Mortality
with Lucinda Cowell
zonder paginanummering
Eyre Methuen ltd, 1978
in: beeldende kunst, leerboeken, a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Terry Gilliam-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
éen opmerking
zaterdag 26 april 2008
Een filosofieboek dat afsluit met een gebed, dat moet wel over een intens geloof gaan, en door een religieus auteur geschreven zijn. Caputo is dan ook hoogleraar aan een Katholieke universiteit, en publiceerde verder over Heidegger, Derrida, en Thomas van Aquino.
Nu vind ik vooral Heidegger en Derrida te vermijden denkers. Maar Caputo plaatst hun werk in een traditie, en wijst de religieuze tendensen in beider oeuvres aan. Dat is misschien het enige nut dat dit boek voor mij had. Want, religie onttrekt zich aan alle bewijslast; wat dan ook weer veel verklaart over Heidegger en Derrida.
Voor de rest was dit een nogal vreselijk boek, dat me werkelijk op geen enkele manier iets verduidelijkt heeft wat geloof is, of waarom zo veel mensen niet zonder religie kunnen.
De auteur heeft daar geen enkel probleem mee. Hij ziet het zelfs ruim. Religie is, voor Caputo, de liefde tot God. Wie God is, daarover legt hij dan weer niets uit. Wel beschrijft hij zijn of haar habitat. God woont en werkt in het onmogelijke; daar waar:
de dingen niet voor onze wil of kennis buigen.
Om deze positiebepaling later nog eens te verduidelijken met de toespitsing:
De ervaring van het onmogelijke is het wezenskenmerk van religie; […] [121]
En kijk, daarmee is iedereen ineens religieus geworden. Hopla. Waarschijnlijk ook ik. En dat ontlast de schrijver meteen van de verplichting ook maar een moment precies te hoeven zijn.
John D. Caputo, Religie
157 pagina
Routledge, 2002
Vertaling van On Religion, 2001
in: a-z, religie, vertaald, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John D. Caputo-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
zondag 27 april 2008
Mooi van een boek dat ‘een pond aan papier’ heet, is als het dan ook werkelijk 453,6 gram weegt. Dit toont aan dat er over de details is nagedacht. Ook al staat er daarom misschien minder tekst op de pagina dan had gekund; om het gewenste gewicht maar te halen.
Dit is een fraai gebonden boekje, dat ik voor tien cent scoorde online, exclusief verzendkosten, nadat Achille van den Branden me op het bestaan had gewezen. Dit is een fraai gebonden boekje dat over dit soort aankoopdetails gaat, maar anders dan ik het nu, en op de meeste andere momenten bedoel.
Internet heeft de boekhandel fundamenteel veranderd. Voor tweedehandszaakjes is het lonender geworden om er een goede website op na te houden, dan in een pand ergens te zitten.
Dit is niet altijd zo geweest. En de auteur John Baxter haalt in dit boek onder meer herinneringen op aan de handel in boeken vroeger. Daarbij gaat het overigens zelden om wat míj nu aantrekt in een boek; om de tekst daarvan of de gehele vormgeving. Voor een verzamelaar als Baxter telt vooral de zeldzaamheidswaarde, die van enorme toevalligheden afhangen kan. Of het papieren kaft nog om een gebonden boek zit bijvoorbeeld, of de handtekening van de auteur er in staat — of mooier nog, als het boek door de auteur aan iemand is opgedragen die van betekenis was in zijn of haar leven.
Ook moet er niet teveel concurrentie zijn andere verzamelaars; dat doet de prijzen maar vervelend stijgen.
Nu was Baxter een tijd totaal in Graham Greene, zonder dat hij nu de indruk geeft dat er na de eerste boeken nog echt liefde voor de woorden van deze schrijver was. In elk geval komt hij niet meer terug waarom Greene nu zo belangrijk voor hem was, na te hebben uitgelegd hoe de verzameling begon.
Toch herken ik die drang natuurlijk wel om per se dat ene boek te willen hebben, en daarvoor allerhande boekenwinkeltjes af te lopen. Mij valt alleen op dat ik er vergeleken met John Baxter nauwelijks systematisch werk van heb gemaakt.
Baxter werd geboren in Australië, verhuisde op een gegeven moment naar Londen, en woonde later nog in Los Angeles en in Parijs. In al deze plaatsen sneupte hij naar boeken, overal probeerde aan de kost te komen door teksten te verkopen. Was het niet als handelaar in boeken, dan wel als schrijver.
Vooral dit laatste aspect, van hoe het is om van de pen te moeten leven, vond ik heel aardig aan dit boek. Al stond er dan soms tergend weinig over in. Baxter heeft naast dit boek vooral biografieën van mensen uit de filmwereld geschreven, maar over het werk daaraan ontbreekt vrijwel alle informatie. En in Londen bleef hij in bijvoorbeeld in leven door smeuïge verhaaltjes te bedenken voor de dames van de sexlijnen. Maar ook zo’n episode komt pas veel later even ter sprake, afgedaan in een bijzin.
Dus bood dit boek veel. Maar door Baxter’s focus op de kleurrijke personages onder de boekenverzamelaars, of anecdotes over de schrijvers die hij leerde kennen, toch ook weer wat weinig.
John Baxter, A Pound of Paper
Confessions of a Book Addict
418 pagina’s
Doubleday, 2002
in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John Baxter-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
maandag 28 april 2008
Het is al vaker geconstateerd hier bij boeken over hardlopen, maar de schrijvers daarvan missen meestal iets. Ze roepen nooit de herkenning op hoe het voor mij was om hard te lopen. Daarbij vraag ik echt niet veel, hoogstens wat tekenende details.
Zelfs in een boek als dit, met uitspraken van sporters en trainers over het hardlopen, mist er een kern. Het is alsof iedereen toch al weet waarover het gaat, de lezer incluis, en de activiteit daarom verder niet benoemd hoeft te worden.
Niets in dit boek vertelde me iets over de lol die hardlopen brengt; over het plezier in wat het eigen lichaam aan inspanning vermag — die eeuwig luie broeder ezel.
The Quotable Runner gaat vooral over hardlopen als wedstrijdsport, en dan ook nog specifiek over de midden- en lange afstand. De samensteller heeft trouwens gelijk. De vaardigheid om te kunnen sprinten is een aangeboren afwijking. Daar hoeft verder geen aandacht aan besteed te worden.
Het verschil tussen een hardloper en een jogger is het inschrijfformulier voor de volgende wedstrijd, zo heet het dan. En dus krijgen nogal wat succesvolle atleten het woord, over de moeite die het hun desondanks kostte de top te bereiken. Dat maakt dit boek me iets te zeer zo’n eeuwig positief Amerikaans zelfhulpgeval.
Ik had dit in mijn tienertijd waarschijnlijk hogelijk gewaardeerd. En er toen denkelijk uitspraken uit overgenomen, als motivatie om nog beter mijn best te doen. Nu bracht alleen het hoofdstuk ‘Pain’ even die soms zo zeer door mij gewenste herkenning:
Unless you’re an athlete you can’t understand it. Joe Public can’t understand it. All they see is you racing in Oslo, Spain etc. and there’s all this talk abo