Foar de taalspegel ~ Pieter Breuker ea ed.

► door: A.IJ. van den Berg

Wie weleens nadenkt over de toekomst van het Fries, ontdekt dat zelfs een basaal leerboekje als dit heel elementaire vragen oproept. Foar de taalspegel behandelt het onderscheid tussen ‘min Frysk’ en ‘geef Frysk’, tussen aangetast en gaaf, tussen slecht en goed, tussen misdaad en gezagsgetrouwheid. De kwestie hierbij is alleen wie toch bepaalt wat er precies goed is, en waarom dan wel.

In het Nederlands leeft dit probleem ook wel wat. Maar hierin gaat het vooral om spellingskwesties. En, omdat er tegenwoordig zowel een Groene als een Witte voorkeursspeling bestaat, kan niemand meer het absolute gelijk van zijn opvatting claimen.

In het Fries ligt het wat moeilijker. Dit komt omdat het vooral een gesproken taal is. Om te schrijven, gebruikt vrijwel elke Fries het Nederlands. En mede door dit orale karakter is er ook niet éen overheersende vorm van Fries. De provincie kent vier of vijf verschillende Friese dialecten — al zijn het er meer als ook de stads- en eilanddialecten meegeteld worden.

Toch gaat Foar de taalspegel er vanuit dat er wel degelijk éen correcte vorm van het Fries bestaat. En dat is dan de geschreven vorm, die misschien een paar duizend mensen in levend gebruik houden, pessimistisch geschat. Dat is het Standertfrysk, een corpus aan woorden en frasen gebaseerd op teksten die sinds 1800 op papier zijn vastgelegd.

Goed, voor een taal- en leerboekje als dit heeft het wel degelijk nut er vanuit te gaan dat een standaard bestaat. En de samenstellers hebben ook moeite gedaan om voorbeelden te vinden met overduidelijke verschillen tussen goed en minder goed.

Maar toch.

Ik nam dit boekje door om te zien hoe het ondertussen met mijn kennis van het Standertfrysk gesteld was. Of ik de opgaven bij elk hoofdstuk zonder problemen kon beantwoorden.

Dit bleek niet zo te zijn. Sterker nog, een paar keer was het goede antwoord me ook na raadpleging van het woordenboek een raadsel. Daardoor durf ik toch de stelling wel aan dat zo’n frase niet meer in levend gebruik is, en daarmee inmiddels dood.

Nu heeft samensteller Pieter Breuker later duidelijk gewaarschuwd voor puristische tendensen in het Standertfrysk. Zo signaleerde deze taalwetenschapper in zijn dissertatie dat er bij sommige gebruikers een duidelijke neiging bestaat om woordvormen te kiezen die zo ver mogelijk van het Nederlands af liggen.

En zo kijk ik nu ook aan tegen de taal. Niet alleen is er die drang tot purisme, er is ook nog die vloek van de Steatestavering; de door de Friese politiek opgelegde spelling die de geschreven taal vrijwel fonetisch heeft gemaakt; zelfs als dit helemaal geen nut heeft. Ook namen die tot begrip zijn geworden, zoals diesel, taxi, en luxaflex, moeten in het Fries anders worden gespeld.

Maar daarmee kon de boel weleens helemaal op slot zijn gezet. Leenwoorden voor begrippen die het niet Fries nog niet kent, moeten ook worden verfriesd, zodat niet zelden hun oorsprong volledig onzichtbaar wordt.

En het Fries heeft nu juist voor een heleboel begrippen in deze zo snel veranderende cultuur helemaal nog geen eigen woorden.

Pieter Breuker, Margreet G. Dyksma-Hogeveen, Sytze T. Hiemstra, Koop C. Scholten, Willem Visser, Adam Zantema
Foar de taalspegel
Koart oersjoch fan Hollânske ynslûpsels yn it Frysk

93 pagina’s
AFUK, 1984

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

een reactie

pjotr  op 22 april 2008 @ 13:30:48

Toch heeft die staandaardspelling van het Fries gemaakt, dat Fries als aparte taal is erkend. Het Limburgs heeft ook een aantal regionale dialecten, maar omdat er geen geschreven “algemeen beschaafd Limburgs” is, wordt het niet als taal erkend.