donderdag 1 mei 2008
Gerrit Komrij houdt tegenwoordig ook een weblog bij. Al heb ik er enige twijfels over of het hem wel echt is. De weblogger daar lijkt nog het meest op een imitatie van de meester. Hij heeft een zeker gemak in het formuleren van zwierige zinnen. Alleen is die weblogger zo verschrikkelijk humorloos, grof, en op de man, vergeleken met bijvoorbeeld de Komrij uit deze bundel.
Maar wellicht dat context koning maakt.
In De gelukkige schizo, en het gelijknamige beginhoofdstuk, legt Komrij uit dat van hem nauwelijks principiële uitspraken verwacht mogen worden. Ideologieën hangt hij niet aan. Of, zoals hij het zelf met een paradoxje formuleerde:
Ik aanvaarde versplintering van de wereldbeelden als een godsgeschenk [11].
Tegelijk getuigt deze bundel, net als zo veel van zijn andere essays, dat Komrij wel degelijk onwrikbare uitgangspunten heeft. Bijvoorbeeld in zijn beschouwing van de vaderlandse cultuur. Probeer maar eens een prijzend woord over een Nederlandse politicus te vinden in Komrij’s oeuvre.
Ook werd op boeklog al eens eerder geconstateerd dat Komrij hoogstzelden onder de indruk is van wat er aan Nederlandstalige literatuur verschijnt. In deze bundel moet bovendien het niveau van de Nederlandse literatuurkritiek het ontgelden.
Een Nederlandse recensie lijkt vaak meer op de verslaggeving van een natuurramp dan op de bespreking van een boek. [191]
[W]ie serieus over slechte literatuur schrijft, dag in dag uit, schrijft zelf slechte literatuur. En als zich, héél toevallig, een goed boek aandient blijven ze in dezelfde trant doorschrijven, want hun hand is lusteloos, hun ziel vermolmd. [192]
Maakt dit Komrij niet wat voorspelbaar?
O, vast. En terugkomend op de titel, een deel van Komrij’s verontwaardiging zal ook vooral ritueel zijn. Het is bovendien aanzienlijk makkelijker om te vervloeken, dan om te prijzen.
Maar ik lees Komrij dan ook niet om zijn diepgaande analyses, of de scherpte van zijn intellect. Misschien had dat aspect van zijn werk ooit een vormende waarde, tegenwoordig probeer ik toch echt zelf na te denken. Nee, Komrij lees ik om diens toon en zijn taal.
Zoals je een overbekend klassiek werk toch gaat beluisteren in de concertzaal, omdat een virtuoos het nu eens uitvoert, zo moet ik mij nu en dan aan Komrij laven.
Gerrit Komrij, De gelukkige schizo
246 pagina’s
De Arbeiderspers, 1985
in: boeken over schrijven, a-z, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Gerrit Komrij-pagina
reageer!
vrijdag 2 mei 2008
Merkwaardig aan dit boek was dat ik het al grotendeels meende te kennen. Toch was ik er zeker van het nooit eerder gelezen te hebben.
Maar Een mens als huisdier blijkt later nog eens opnieuw te zijn uitgegeven. Het komt onder de titel Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre voor in de Van Heerden-omnibus. Alleen is het dan ineens een ander boek. De volgorde van de opgenomen essays is helemaal gewijzigd, en er ontbreken drie stukken. In plaats daarvan werden essays ingevoegd uit een andere vroege Van Heerden-bundel, getiteld Tussen psychologie en filosofie.
Mijn verbazing leidde er wel toe dat ik dit boek heel anders las dan Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre.
Zo kan ik ineens niet zo veel met de premisse uit het titelstuk.
In het essay ‘Een mens als huisdier’ pijnigt Van Heerden zijn gedachten zich over de vraag wat het betekent als computers slimmer zijn geworden als wij.
Dat hele vraagstuk of computers ooit bewustzijn kunnen hebben, en wat bewustzijn dan is, vind ik alleen een merkwaardig academisch probleem. Omdat de vraag gesteld kan worden, betekent dit nog niet dat die nu veel relevantie heeft. Zolang computers niet in hun eigen energiebehoefte kunnen voorzien, maakt het vrij weinig uit wat hun vermogens precies zijn. Als ze gevaarlijk worden, knagen we de stroomkabels wel door. Onze huisdieren zijn er nu al goed in om kabels door te knagen, dus ik zie het opgeworpen probleem niet zo.
Nee, eerder getuigd het hele titelessay van een merkwaardig beperkt idee over technologie. Om Arthur C. Clarke maar weer eens te parafraseren, Van Heerden lijdt aan de merkwaardige illusie dat als technologie maar voldoende geavanceerd wordt, deze vanzelf magische eigenschappen krijgt.
Zeker, de mensheid heeft technologie gemaakt die nauwelijks in bedwang te houden is. Kernwapens genoeg om de aarde verschillende malen te ontvolken.
Maar het gevaar van technologische vindingen zit veeleer in de onbedoelde eigenschappen daarvan. Plastics zijn zulk goed materiaal, dat de natuur het spul niet kan afbreken; daardoor komt het in minieme partjes in de oceanen in levende wezens terecht, om maar éen voorbeeld te noemen. De vreze voor bezielde machinerie is daar tegenover een negentiende-eeuws, zo niet achttiende-eeuws, angstbeeld; dat is voort blijven leven in de science-fiction.
J. van Heerden, Een mens als huisdier
Essays
115 pagina’s
Boom, 1984
in: a-z, biologie, kennis, filosofie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J. van Heerden-pagina
reageer!
zaterdag 3 mei 2008
Een van de essays uit deze bundel heet ‘Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre’. Het is later opgenomen in een bundel waarvan het toen ook ineens het titelstuk werd. Ook het essay ‘Als het Oedipus-complex nu eens projectie was?’ werd daarin hergebruikt.
Maar wat betekent het dan dat de andere stukken uit deze bundel later niet nog eens zijn herdrukt? Vindt Van Heerden ze achterhaald, of gewoon niet goed genoeg meer?
Van Heerden houdt zich in dit boek vooral bezig met vragen die er over zijn vakgebied, de psychologie, te stellen zijn. Dat is heel begrijpelijk. Op een gegeven moment komt elke wetenschap namelijk aan een grens, waarop die wetenschap speculatief wordt. De onderzoeksvragen bestaan dan ineens uit afwegingen over wat het vakgebied is, of zou moeten zijn. Dan ook is er makkelijk een link met de wijsbegeerte te leggen. En wat mij betreft, heeft die hele filosofie ook alleen nog nut in deze betekenis; om de beoefenaren van een bepaalde wetenschap te helpen om betere onderzoeksvragen te stellen.
Voor een deel behandelt Van Heerden de kwestie waar de grenzen van de psychologie liggen door het werk van andere denkers te bespreken.
Deels ook gaat Van Heerden wat modes te lijf, zoals de psycho-analyse, of het Marxisme. Maar dat deed hij later toch sterker.
Verder geldt dat hij later ook aanmerkelijk leesbaarder is gaan schrijven. Of beter, gelukkig richtte hij zich later minder op sprekers van zijn vakdialect dan in deze bundel nog het geval was.
J. van Heerden, Tussen psychologie en filosofie
Essays
132 pagina’s
Boom, 1977
in: a-z, biologie, kennis, filosofie, bundels
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J. van Heerden-pagina
reageer!
zondag 4 mei 2008
Eerder heb ik op mijn andere weblog nog eens tussendoor de notitie ‘Anatomie van de angst‘ opgeschreven. Dat was een bescheiden poging om snel even hardop denkend aan te geven waarom bijvoorbeeld Geert Mak tekortschoot, in diens pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid.
Ook bij dit boek, van een Amerikaanse politiek wetenschapper, zou ik hier als reactie die ‘Anatomie van de angst’ licht bewerkt kunnen herpubliceren. Al heeft Fear voor mij wat andere problemen.
Goed eraan is wel dat Corey Robin angst als beheersmechanisme breder ziet dan alleen een politiek machtsmiddel. Hij geeft ook tal van treurige voorbeelden van wat werknemers in de VS zich laten welgevallen, om hun baan maar niet te laten verliezen.
Het idee dat arbeidsters in sommige fabrieken incontinentieluiers moeten dragen, omdat toiletbezoek hen verboden is, hakt er wel in. Helemaal in de wetenschap dat het eigenlijk nog erger is. Incontinentieluiers zijn vaak te duur, en door de alternatieven krijgen de vrouwen allerlei ontstekingen en andere narigheid.
Fear deugt daarom in de voorbeelden die Robin geeft, van hoe angst gedrag kan vormen. Maar dit gebeurt helaas pas in het tweede gedeelte, als het een sterk verdunde politieke filosofie mengt met een sociaal-economische geschiedenis van de VS van de laatste 120 jaar.
Voor pagina 160 slaagt het boek er voor mij niet in om de transitie te maken van de politieke filosofie die het biedt, naar de praktijkvoorbeelden die er later inkomen. Tussen beide mist er iets.
Het grootste gedeelte van Fear gaat over de ideeën van Hobbes, Montesquieu, Tocqueville, en Hannah Arendt. En het boek blijft me uiteindelijk te veel op ijle hoogten hangen, in de door die denkers geopperde luchtbel aan abstracties. Daarvan kan ik me voorstellen dat die ijle hoogten het overzicht op de wereld daaronder kan verbeteren, tegelijk zijn haast alle genoemde ideeën totaal speculatief, spreken sommige elkaar tegen, en worden ze daarmee onbewijsbaar.
De betekenis van angst als middel van machthebbers, of lobbyisten, of verzekeringsmaatschappijen, om gedrag van anderen te sturen, is immens. Dit boek slaagt er wel in iets van die betekenis te tonen. Maar bij mij riep het meer vragen op dan het beantwoordde.
Corey Robin, Fear
The History of a Political idea
316 pagina’s
Oxford University Press, 2004
in: a-z, economie, geschiedenis, politiek, cultuur, filosofie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Corey Robin-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
maandag 5 mei 2008
Hillenius moest een lezing komen houden over hem opgedragen onderwerp. ‘De psychobiologie van het feestvieren’. En het eerste wat hij deed toen, was uitleggen dat hij geen idee had wat het woord ‘pychobiologie’ zou kunnen betekenen.
Dus werd dit een heel andere lezing. Eén die onder meer gaat over over de betekenis van een opdracht, voor iemand die gewend is zijn eigen werk uit te kiezen. Over de uitdaging die daar in zit, om zo’n opdracht dan toch ook weer eigen te maken.
Maar meer was ik, weer eens, onder de indruk van hoe Hillenius speels zijn kennis uit de biologie gebruikt om iets te duiden dat normaal niet tot de biologie gerekend wordt.
Zoals het feest.
Nu is dit niet enige culturele onderwerp dat in deze lezing aan bod komt. Maar over dat feest trekt Hillenius de opvallendste conclusies. Daarbij voortredenerend op de definitie van ene Simmel, die feest gelijkstelde aan samenkomst.
Als een feest voorbij is heb je soms het gevoel dat je een tijdlang tot een grotere eenheid hebt behoord en dat die eenheid nu verbroken is. Een soort verweesd gevoel. Het aardige van mensen is dat ze zo’n goed geheugen hebben en vanuit de daarin levend gehouden wens tot feest ook in de toekomst kunnen besluiten om van tijd tot tijd samen te zijn.
Tegelijk vindt Hillenius het idee dat de herinnering aan feest weleens basis van de samenleving kan zijn, mooier klinken dan het lijkt.
D. Hillenius, De psychobiologie van het feestvieren
zonder paginanummering
Zeeuws Kunstenaar Centrum, 1986
in: a-z, biologie, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de D. Hillenius-pagina
reageer!
woensdag 7 mei 2008
Het boek A Pound of Paper heeft verschillende bijlagen, waaronder een lijst met 99 essentiële romans die Anthony Burgess ooit opstelde per jaar. Onverwacht toch nog, voor mij, prijkt daar ook deze roman op van Nevil Shute. Midden tussen werk van Aldous Huxley, Norman Mailer, en George Orwell.
Normaal wordt Shute nooit in dezelfde adem met die andere auteurs genoemd.
Nu vind ik dit zelf niet Nevil Shute’s beste, hoewel ik ook deze roman weer met veel plezier in éen zitting herlas. Er zit iets schematisch in, dat de ontwikkelingen wat voorspelbaar maakte. Steeds als het verhaal een wending ten goede lijkt te gaan nemen voor de hoofdpersonen, duikt er weer een nieuwe complicatie op.
Maar afgezien van dat schrijftechnische probleem is dit wel degelijk een goed boek, omdat het een aantal principiële vragen stelt. Bovendien is de eerste helft razend spannend terwijl er niets in gebeurt. Alleen kán er elk moment iets misgaan.
De held, of beter anti-held, van dit boek is per vliegtuig onderweg naar Canada om te onderzoeken of een ander toestel door metaalmoeheid is neergestort. Maar dan ontdekt hij in een vliegtuig van hetzelfde type te zitten, dat al meer vlieguren heeft gemaakt dan hij theoretisch gezien veilig acht.
Extra complicatie bij dit al is dat de man die de piloot nu moet gaan overtuigen te landen van zichzelf weinig overtuiging uitstraalt. Hij is weliswaar een op zijn gebied geniale onderzoeker van aluminiumlegeringen, maar meent daarbij ook dat anderen zo slim zijn onmiddellijk de portee van zijn onderzoeksresultaten te begrijpen. Dit is alleen niet zo. Bovendien bestaat er geen enkel fysiek bewijs dat het vliegtuig waarin hij reist elk moment uit de lucht kan vallen.
Nu goed, iedereen die voor een gevaar waarschuwt dat anderen niet vermogen te zien, komt daarbij over als idioot. Shute heeft die mogelijke waanzin nog eens extra zwaar aangezet in zijn hoofdpersoon. Voor het verhaal is dit misschien begrijpelijk, dat moet zich binnen een overzienbare spanne tijds afspelen. Van mij had ook dat niet gehoeven.
Nevil Shute, No Highway
281 pagina’s
Pan Books 1978, oorspronkelijk 1948
in: a-z, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nevil Shute-pagina
2 commentaren
donderdag 8 mei 2008
Het lezen van Voices of Time was zo af en toe een overweldigende ervaring. Ik heb toch anders nooit dat ik een boek moet wegleggen, met een ongelovige vloek, omdat de schrijfkracht van de auteur me even te veel wordt. Het lijkt ook zo simpel wat Galeano doet, door een verhaal zo uit te benen dat daar enkel de essentie van overblijft. Maar wat een kracht kan die essentie dan krijgen.
Voices of Time, of Bocas del tiempo, is volkomen te vergelijken met een ander boek van Galeano: El libro de los abrazos. Dat werk, in het Nederlands vertaald als Het boek der omhelzingen, werd op boeklog inmiddels al twee keer besproken.
Het is dan ook een lievelingsboek van mij.
En wat kan er dan mooier zijn om een verzameling te lezen die geheel nieuw is, maar minstens tweemaal zo dik als de vorige favoriet, die dan ook dat zo hoge niveau haalt. Elke lezer heeft zo nu en dan een geschenk als dit nodig, om te beseffen dat het nog mogelijk is geraakt te worden; om weer eens te weten dat lezen meer dan een routine kan zijn.
De 333 verhalen in Voices of Time zijn kort, en vaak zelfs ultrakort. Ze bestrijken niet zelden minder dan de halve pagina. Maar ze zijn diep. Veel bergen een geschiedenis in zich van eeuwen. En ze gaan over het leven; wat dit niet voor onderwerp is.
Toegegeven, Galeano heeft weleens magisch-realistische trekjes. Bovendien moest hij twee keer vluchten voor een hem vijandig bejegenend bewind. Eerst uit Uruguay, later uit Argentinië. Hij is ouderwets links, en zal dat nooit verhelen. In elk verhaal over een individu en een autoriteit mag bij voorbaat duidelijk heten aan welke kant hij staat. Sentimentaliteit is hem ook al niet vreemd.
Maar hij weet wel de verhalen te zien. Knap is dat hij verwonderd genoeg blijft om te kunnen zien. Bijzonder is dat hij immer denkend/voelend weet te schrijven.
The Voyage
Oriol Vall, who works with newborns at a hospital in Barcelona, says that the first human gesture is the embrace. After coming into the world, at the beginning of their days, babies wave their arms as if seeking someone.
Other doctors, who work with people who have already lived their lives, say that the aged, at the end of their days, die trying to raise their arms.
And that’s it, that’s all, no matter how hard we strive or how many words we pile on. Everything comes down to this: between two flutterings, with no more explanation, the voyage occurs.
Weinig is er mooier dan ineens een nieuw boek te bezitten dat eeuwig te herlezen zal zijn.
* extra: Galeano las zelf het verhaal Tik voor tijdens dit interview met de Amerikaanse radio:
Eduardo Galeano, Voices of Time
A Life in Stories
341 pagina’s
Picador, 2007
Vertaling van Bocas del tiempo, 2004
in: aanbevolen 2008, a-z, vertaald, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Eduardo Galeano-pagina
reageer!
zaterdag 10 mei 2008
De tweede roman van Toussaint is dit, en hij lijkt me wat mislukt. Veel vorm zit er niet aan. En anders dan in zijn latere boeken, maakt de schrijver ook niet de indruk complete controle te hebben over al die vormeloosheid.
Toch heb ik er een zwak voor.
Ondertussen bevat deze roman wel een aantal van de meest geslaagde scènetjes die Toussaint ooit schreef. Maar een hele reeks aan korte scènetjes maakt nog geen boek. Hoe grappig absurd sommige daarvan ook uitpakken. Hoe sympathiek de hoofdpersoon mij ook is.
Meneer heet niet anders als meneer in deze roman. Hij werkt als PR-functionaris voor Fiat-France. Maar dat werk doet er verder nauwelijks toe, al begint dit boek veelbelovend met de beschrijving van hoe meneer zijn nieuwe kantoor inricht.
En zo zwenkt Toussaint telkens een andere kant op dan de lezer denkt te mogen begrijpen. Gelukkig is het boek te kort om geheel onoverzichtelijk te worden.
Jean-Philippe Toussaint, Meneer
94 pagina’s
Van Gennep, 1987
Vertaling door Marianne Kaas van: Monsieur
in: a-z, en français [& vertaald]
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jean-Philippe Toussaint-pagina
reageer!
zondag 11 mei 2008
Boeklogjes worden nooit inhoudelijk nog eens aangepast achteraf. Hoogstens haal ik er nog weleens een spel- of typfout uit, of plaats ik een link. Maar dat is het wel.
Toch heb ik éen keer in de verleiding gestaan om een boeklogje geheel om te gooien. Mijn korte besprekinkje van Het zijn net mensen geeft namelijk misschien wat te goed mijn eigen ideeën over het boek weer. Ik waardeerde zeker hoe Joris Luyendijk’s zijn persoonlijke indrukken formuleerde over waarin de media tekortschiet. Punt is alleen dat hij me daar weinig nieuws mee vertelde.
Maar toen werd juist dat besprekinkje een tijdlang het meest bezochte boeklogje — ongetwijfeld omdat de auteur ineens een prestigieus TV-programma ging presenteren. En daarom heb ik in de verleiding gestaan die bezoekers toch wat beter te gaan voorlichten over de media.
Nu ik het zo formuleer, klinkt het ineens dom en lui dat ik dit toen heb nagelaten. Alleen heb ik het verhaal al zo vaak gedaan.
Nick Davies’ Flat Earth News riep dezelfde respons bij mij op als Joris Luyendijk’s Het zijn net mensen. Wat hij beschrijft, is inhoudelijk weliswaar nieuw, en soms heel interessant, maar beschrijft geen trends in de media waar ik van op kijk. Bovendien heb ik daar, ook in geschifte, al verdergaande conclusies uit getrokken als Davies doet in het boek.
Zo klaagt deze Guardian-journalist dat de meeste kranten ertoe over zijn gegaan te zeer te vertrouwen op wat de Press Association (PA) aanlevert aan nieuws. PA is zonder meer te vergelijken met een persbureau als ANP, omdat beide een semi-monopolie bezitten. Daardoor wegen de nadelen van deze nieuwsvoorzieningen nogal zwaar. Zo hebben ze wel erg weinig oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, en zijn ze relatief gesproken sterk onderbemand.
Maar dit probleem had ik al verder doorgedacht dan Davies doet. Als kranten allemaal vooral dezelfde PA-berichten brengen, onderscheiden ze zich nauwelijks meer van elkaar. Dat komt inmiddels door mechanismen als Google News onbarmhartig aan het licht. En kranten die niets extra’s brengen, concurreren daardoor ineens met de gratis nieuwsmedia, die ook niets meer dan dezelfde PA-berichten brengen. Kan zo’n betaalde krant op den duur niet meer uit. Dit maakt het inhoudelijk gezien misschien amper een probleem dat zo’n titel verdwijnt. Toch is dit alleen cultureel al een verarming, omdat er publicatiemogelijkheden en infrastructuren verdwijnen.
Voor mij is het al ruim tien jaar de grote onbeantwoorde vraag over de media: waarom zijn uitgevers ineens allemaal zo dor winstmaximalisatie gaan nastreven? Nu staan die bedrijven daar niet alleen in. Maar toch. Mediabedrijven konden altijd comfortabele winstmarges maken. Niets van dat gesappel als uit de supermarktbranche, waar 3% marge op jaarbasis al succesvol heet.
Flat Earth News begint met te beschrijven hoe het werk van de Britse journalisten is veranderd, doordat redacties steeds meer worden afgeknepen. De deur komen de journalisten niet meer uit, verslaggeving is bureauwerk geworden. Meestal ontbreekt de tijd om verhalen goed te checken, omdat ze dagelijks zo veel meer productie moeten leveren dan dertig, veertig jaar geleden.
Dus, zo is Davies’ impliciete conclusie, treedt daardoor ook als mechanisme op dat journalisten niet meer op hun eigen waarneming kunnen vertrouwen. Evenmin kunnen ze eigen contacten aanspreken, want een persoonlijk netwerk hebben ze doorgaans nauwelijks kunnen ontwikkelen vanachter hun bureau. Daardoor kijken redacties vooral naar elkaar. Iets is mogelijk nieuws als anderen het brengen, iets is absoluut nieuws als PA erover bericht.
Dit maakt de massamedia nogal gevoelig voor spin. Als een ontwikkeling door iets of iemand gehypet wordt, zijn er nauwelijks beschermingsmechanismen om zulke desinformatie te smoren. Als iedereen zulk nieuws belangrijk vindt, dan wordt dat nieuws belangrijk.
Davies gaat vrij diep in op de medeplichtigheid van de Britse media aan de leugen dat Irak een buitengemeen gevaarlijk land was; zo gevaarlijk dat een invasie gerechtvaardigd mocht heten. Dat is begrijpelijk, maar vond ik niet zo heel interessant meer. In 2008. De onderliggende principes blootleggen, is in deze zaak informatiever dan alle oude details uitserveren.
Boeiender vond ik een paar typisch Britse zaken. Zo is de concurrentie tussen dagbladen er veel feller dan hier, omdat die het van de losse verkoop moeten hebben. Daardoor ook kon een fenomeen als The Daily Mail ontstaan; een krant met een zeldzaam schofterige eigen agenda. Nieuws over niet-blanke Britten wordt principieel niet gebracht, behalve als het de ergste vooroordelen bevestigd, en de wet is maar een lastig opstakel als het erom gaat informatie over iemand te verzamelen.
In Flat Earth News is een uiterst informatief hoofdstukje gewijd aan de ‘zwarte kunsten’ die de Britse journalisten bezigen om gegevens in te winnen; ook bij instanties die deze eigenlijk niet mogen afstaan.
Maar uiteindelijk vond ik het éen-na-laatste hoofdstuk het interessantst. Dit komt omdat het een goed tegenargument oplevert op wat mij altijd ergerde aan de kritiek vanuit het vak op Luyendijk’s Het zijn net mensen.
Journalisten hebben er enorme moeite mee commentaar op hun werk te krijgen. Dit, terwijl ze zelf zogenaamd wel altijd kritisch hun werk doen. En wat door Nederlandse journalisten in reactie telkens tegen Joris Luyendijk wordt ingebracht, is dat hij de persoonlijke problemen in zijn correspondentschap niet had mogen veralgemeniseren. Er zijn wel degelijk journalisten die, ondanks alle problemen, beter over de ontwikkelingen in het Midden-Oosten berichten dan Luyendijk deed, zo klinkt het dan.
Dit achtte ik eerder altijd wat onnozel. Door die kritiek op Luyendijk persoonlijk te richten, worden structurele problemen voor de journalistiek mij te zeer ontkend.
Maar dan laat Davies zien wat er gebeurt als een redelijk onervaren correspondent — zoals Luyendijk — plots werk krijgt in een omgeving waar hij niemand kent, en feitelijk geen netwerk heeft. Zoals Luyendijk.
In Flat Earth News gaat het dan om de parlementaire verslaggeving van The Observer. Die krant verloor door onhandig personeelsbeleid twee ervaren krachten, en kreeg daar éen jongmaatje voor terug, dat op een ander terrein gespecialiseerd was. Deze onervaren politiek journalist werd door cynische parlementariërs allerhande onzin gevoerd, dat desondanks toch steeds de krant haalde.
Eén man, of vrouw, kan dus wel degelijk verschil maken, als het om de kwaliteit gaat van de journalistiek.
En toch toont bovenstaand voorbeeld voor mij ook het nut aan van een net wat meer abstracte benadering dan Davies biedt. Het is zinvoller om naar trends te kijken in hoe de media zich ontwikkelen, dan om alles vanuit voorbeelden te gaan bewijzen. Omdat de uitzonderingen op een algemeen falen altijd wel te vinden zijn — maar uiteindelijk niet zo veel zeggen.
Nick Davies, Flat Earth News
An Award-winning Reporter Exposes
Falsehood, Distortion and Propaganda
in the Global Media
408 pagina’s
Chatto & Windus, 2008
in: a-z, politiek, media, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Nick Davies-pagina
reageer!
maandag 12 mei 2008
Twee boeken ineen biedt deze titel. Lend My Your Character begint met een novelle, en vervolgt met een verzameling verhalen. Beide verschenen eerst apart, in de jaren tachtig; toen Joegoslavië nog éen land was, waar de inwoners éen taal hadden, in plaats van drie.
Wat opvalt aan beide boeken, is het uitgesproken eigen karakter. Ugresic gaat speels om met de literaire conventies. Soms werkt dit verrassend goed, maar niet zelden ook gelijkt die speelsheid een trucje .
Het best vond ik dit boek in die eerste novelle, Steffie Czek in the Jaws of Live. Deze vertelling begint elk hoofdstuk met een nuttige tip voor het huishouden, om vervolgens te tonen dat ook de beste tips een jonge vrouw niet helpen om het geluk te kunnen vinden.
Bridget Jones’s Diary dateert uit 1996, en heeft de klassieker Pride and Prejudice losjes als voorbeeld. Had ik dit niet geweten, en was de vertaling van Steffie Czek in the Jaws of Live er niet pas in 2005 geweest, dan zou ik de auteur van Bridget Jones toch verdenken sterk door deze novelle geïnspireerd te zijn geweest.
Ugresic mikt alleen iets minder opzichtig op de lach, terwijl de humor toch ruim aanwezig blijft.
De verhalen in de tweede helft van deze bundel vond ik te afwisselend van niveau om me altijd te boeien. De pastiche op de Kreuzer Sonate was wel aardig. Net als het titelverhaal. Daarin verzoekt een schrijver aan een schrijfster om een personage uit een verhaal af te staan, zodat éen van zijn karakters daar iets mee kan beginnen. Het ene leidt tot het andere. Ach ja. Verhalen die ongetwijfeld heel leuk waren om te schrijven, zijn lang niet altijd prettig te lezen. Zelfs al klinkt het plezier van de schrijfster in haar eigen bedenksels door.
Dubravka Ugresic, Lend Me Your Character
246 pagina’s
Dalkey Archive Press, 2005
in: a-z, vertaald, verhalen, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dubravka Ugresic-pagina
reageer!
dinsdag 13 mei 2008
Snow’s lezing over de kloof tussen culturen was typisch zo’n oertekst die ik altijd nog eens behoorde te lezen. Ik kende de reputatie. Ik wist van de soms overdreven heftige reacties die de tekst had opgeleverd in de jaren vijftig, onder meer van literatuurcriticus F.R. Leavis. En vanzelfsprekend was me niet ontgaan dat de lezing een sjibbolet had opgeleverd.
Doorgaans wordt Snow’s argumentatie samengevat met de wat domme vraag ‘Wat is de Tweede hoofdwet van de thermodynamica?‘ Bedoeling van Snow daarmee was om aan te geven dat er elementaire vragen bestaan, waarvan het werkelijk onnozel is dat mensen die niet kunnen beantwoorden. Terwijl geen Brit zal durven toegeven nooit een woord van Shakespeare te hebben gelezen, is die schaamte er niet als ze moeten toegeven basale kennis te missen over de wereld om hen heen.
Goed aan deze uitgave is dat niet alleen Snow’s oorspronkelijke lezing erin staat, maar dat die ook een reactie geeft van een paar jaar later. Toen dezelfde C.P. Snow het betreurde ooit die Tweede hoofdwet gebruikt te hebben als voorbeeldvraag. Want, het gaat natuurlijk niet om die vraag. Puur weten wat deze wet inhoudt, is bovendien nog iets anders dan begrijpen waar die voor staat; wat de manier van denken daarachter is.
Snow had misschien ook beter een testvraag over DNA kunnen stellen, zo meende hij in die latere lezing. Mede omdat kennis over wat leven is, meer mensen direct zal aanspreken. Omdat de daarbij horende vragen ook het probleem oproepen van wat de plaats van de mens in de wereld is. Waarmee Snow tegelijk hint naar de neiging van een instituut als de kerk om zulke kwesties te negeren.
Wat mij aan beide lezingen opviel, was allereerst de enorme breedsprakigheid van Snow. De tekst leest alsof iemand een woordelijk dictaat heeft verwerkt. Het aantal feitelijke mededelingen dat hij doet, is vrij beperkt.
Maar wat me bovenal opviel, is dat C.P. Snow’s visie de afgelopen jaren plots weer actueel werd. Uiteindelijk gaat de The Two Cultures over niets anders dan de vraag wat mensen weten moeten; met als toespitsing hoe het onderwijs daar dan op moet inspelen. Ofwel, de kwestie is of er een culturele canon bestaat, en welke kennis daar dan in hoort.
Elders heb ik al uitgebreid mijn weerzin uitgesproken tegen bijvoorbeeld de geschiedeniscanon, of al die lijsten met boeken die iedereen per se gelezen moet hebben. Mij ergert vooral de pretentie daarin dat een klein gezelschap specialisten nu wel even kan bepalen wat anderen moeten weten.
Zo ik tot onderwijshervormingen zou moeten adviseren, dan zou daarin vooral mijn weerzin doorklinken tegen het industriële karakter van vrijwel al onze scholing. Het rendement van een onderwijs dat iedereen door dezelfde mal perst, lijkt me aanmerkelijk lager dan zou kunnen. En zou moeten. Maakt daarmee niet uit hoe die mal eruit ziet, of uit welk edelmetaal die bestaat.
Blijf ik ondertussen wel in koor meehuilen met C.P. Snow dat bijvoorbeeld onze literatoren vrijwel niets weten van de wereld om hen heen. Gaat het nog niet eens alleen om het tekort aan natuurwetenschappelijke kennis. Wat éen reden is waarom ik steeds meer non-fictie lees.
C.P. Snow, The Two Cultures
with an introduction by Stefan Collini
176 pagina’s
Cambridge University Press 2006, eerste versie 1959
in: a-z, kennis, cultuur, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de C.P. Snow-pagina
helaas, er staat verder niets van dezelfde auteur of instantie op boeklog
reageer!
donderdag 15 mei 2008
Bij de boeken die ik eerder las van Frans de Waal miste er wat achtergrondinformatie. Hij verwees me steeds net te terloops naar zijn observaties van de chimpansees in Arnhem. Ook al ken ik bijvoorbeeld de film die Bert Haanstra maakte over dezelfde groep.
Dit boek vulde wat van die ontbrekende puzzelstukjes in. Bovendien heeft het een erg boeiend onderwerp; misschien wel het boeiendste onderwerp van alle De Walen die ik las.
Het gaat erover wat mensen, en mensapen, moeten hebben om in zo grote getale samen te kunnen leven. Want, deze sociale mechanismen zijn niet vanzelfsprekend. Ratten bijten elkaar dood, als ze te weinig levensruimte krijgen. Primaten en mensen kunnen met aanzienlijk minder ruimte toe.
Nu zijn die sociale mechanismen bij elke apensoort anders. En dit is boeiend. Er even van afgezien dat ik wel vind dat De Waal vrij snel conclusies trekt op basis van nogal beperkte observaties. Maar dit boek laat wel zien wat er van nature aan agressief en verzoenend gedrag in de mens zit. Want, verzoening blijft nodig, anders is er niet samen te leven. Hangt het bijvoorbeeld wel van de kwaliteit van het geheugen af hoe snel er tot verzoening wordt overgegaan.
Frans de Waal, Verzoening
Vrede stichten onder apen en mensen
289 pagina’s
Het Spectrum, 1988
uit het Engels vertaald door Midas Dekkers
in: a-z, biologie, politiek, vertaald
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Frans de Waal-pagina
reageer!
vrijdag 16 mei 2008
Had ik dit proefschrift gelezen als het niet van Jaap van Heerden was geweest? De vraag stellen, is hem beantwoorden. Er zijn in de afgelopen vijfentwintig jaar nogal wat boeken meer geschreven over bewustzijn, of het onderbewuste. Er heeft bovendien een enorme verschuiving in de aandacht voor het onderwerp plaatsgevonden, door een paar technische ontwikkelingen.
Kijk bij verschuivingen in aandacht of aanpak trouwens altijd naar wat er technisch ineens mogelijk werd.
Nu vind ik het immens grappig dat al de scans van levend denkende hersenen het raadsel alleen maar hebben vergroot. Zo blijken de hersens al doelbewust actief te zijn voor het bewustzijn het besluit tot actie neemt; en dat is dan nog maar éen van de nieuwe paradoxen.
Maakt dit alles, en mijn kennis daarover — ook al is die hoogstens van Reader’s Digest-niveau — het nog boeiend om filosofische beschouwingen te lezen uit een oude school van denken?
Dat hangt dan van de presentatie af. Maar dan weegt mee dat proefschriften doorgaans niet eminent leesbaar zijn.
En de presentatie viel me niet mee. Ook al is het uitgangspunt interessant dat er altijd inconsequent gedacht werd over dat onbewuste. Maar Van Heerden geeft ruiterlijk toe dat hij een vrij willekeurig stel denkers beoordeelt op dit punt; of met andere woorden dat hij vrij makkelijk over heel andere onderzoekers of filosofen had kunnen schrijven.
Ook was er iets anders. Eén van de weinig blijvende verdiensten van Freud is dat deze al éen der eersten uitgebreid over de betekenis nadacht van het onbewuste voor het gedrag van een mens. Dus kan ik billijken dat Van Heerden steeds nog vrij kritiekloos de zo door Freud geïnspireerde psychoanalyse in zijn betoog betrekt. Maar mij irriteerde het, omdat dit het boek nog meer zo’n verouderd tijdsdocument maakte.
J. van Heerden, De zorgelijke staat van het onbewuste
168 pagina’s
Boom, 1982
in: a-z, biologie, kennis, filosofie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de J. van Heerden-pagina
reageer!
zaterdag 17 mei 2008
Ik heb dit boek vooral geleend om de bibliografie achterin. Het leek me nuttig om te weten wat Lolle Nauta precies geschreven had, en waarin hij dat dan publiceerde. Toen bleek deze feestuitgave genoeg extra’s te hebben om nog leesbaar te zijn ook.
Nauta nam in 1994 afscheid als hoogleraar sociale filosofie aan de rijksuniversiteit Groningen. Als cadeau kreeg hij deze bundel aangeboden, gevuld met bijdragen van vrienden, collega’s, en anderen uit intellectueel Nederland. Doorgaans schreven die daartoe vlotte essays, als om Nauta nog eens extra te eren om de begrijpelijkheid van diens werk.
Centraal thema van de bundel zijn twee elementen dat telkens weer in de filosofische beschouwing van Nauta terugkeert. Dat is enerzijds de vreemdeling. Daarover schreef hij ook zijn dissertatie. Maar tegelijk kan die vreemdeling ook de filosoof zijn, in diens uitzonderlijke positie aan de universiteit.
De burger, en dan vooral zijn burgerlijkheid, is die andere bekende uit Nauta’s oeuvre. Waaruit ik vooral zijn venijn tegen alle zo weinig nieuwsgierige collega-filosofen waardeer.
Toch had ik de meeste waardering voor een bijdrage van Kees Schuyt, die zich alleen impliciet over de hoofdthema’s uitte. Schuyt gaf zijn opinie ‘Over de waarde van literatuur voor de cultuur’. En daarbij merkte hij vier onderscheidende kwaliteiten op:
- literatuur kan wapenrusting zijn. Equipment for living. Volgens Schuyt vindt literatuur daarbij steeds opnieuw het wiel uit, maar is dit ook de bedoeling;
- literatuur kan een afbeelding geven van de werkelijkheid. Schuyt gaat daarbij zo ver om te suggereren dat literatuur voor de sociale wetenschappen kan zijn wat wiskunde voor de natuurwetenschappen is;
- literatuur is leren iets te doen. Daarbij gaat het Schuyt er vooral om dat daden vaak zullen voortkomen uit eerder doen. Zelf doen, individualisme, en ontdekking, acht hij wezenlijk;
- literatuur biedt een culturele basis in een pluriforme samenleving. Al betekent dit volgens Schuyt nu juist niet dat die basis vastgelegd moet worden in lijsten, met duizenden feitjes die iedereen dient te kennen, of honderden boeken die tot een basisbibliotheek zouden horen. Het gaat erom dat mensen een goed oordeelsvermogen leren ontwikkelen, en dit blijven cultiveren.
En zeker met het laatste punt — en Schuyt’s specificering dat het lonender is om tien boeken goed te kennen, dan over honderd boeken oppervlakkig mee te kunnen praten — kan ik het niet anders dan eens zijn. Hoe gek dit ook lijkt voor iemand die zo meteen duizend titels geboeklogd heeft hier. Het ware lezen, is herlezen voor mij. Maar ik moet een boek nu eenmaal eerst gelezen hebben voor me daarover duidelijk is of het ooit de moeite loont het nog eens te bekijken.
Dick Pels en Gerard de Vries (red.), Burgers en vreemdelingen
Opstellen over filosofie en politiek
296 pagina’s
Van Gennep, 1994
in: a-z, politiek, filosofie, bundels, cultuur
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Dick Pels en Gerard de Vries (red.)-pagina
reageer!
zondag 18 mei 2008
O’Farrell is toch een merkwaardig auteur. Dit was het derde boek dat ik van hem las dit jaar, en geen ervan deugde in zijn geheel. In de uitvoering dan. Tegelijk is hij telkens zo inventief dat ik zijn boeken wel uitlezen moet; al was het alleen maar om te kijken wat er nu weer komt.
Deze roman drijft de spot met de celebrity-cultuur van het moment. Waarin mensen die geheel niets kunnen toch beroemd worden, alleen omdat ze op televisie zijn geweest. Maakt niet uit wat ze op televisie deden.
Het boek opent ook heel sterk, als de hoofdpersoon het toneel op moet voor een stand-up routine, in een rechtstreeks op TV uitgezonden BBC-gala. Punt is alleen dat onze held nog nooit eerder heeft opgetreden. Door een reeks van toevalligheden wordt hij desondanks door velen gezien als een groot humoristisch talent.
De roman gaat natuurlijk over die toevalligheden, en de gretigheid waarmee de hoofdpersoon zich alles laat welgevallen.
Diens motivatie wordt extra verduidelijkt, doordat er tal van brieven zijn opgenomen, die de hoofdpersoon als dertienjarige schreef aan zijn oudere ik. Er daarbij als vanzelfsprekend van uitgaand dat deze inmiddels wel geslaagd zal zijn in het leven.
Het is door die werkelijk tenenkrommende brieven dat dit boek nog wat heeft, voor mij. De uiteindelijk plot vind ik nogal vergezocht, alle toevalligheden in het boek te toevallig, en de humor er te duidelijk opgelegd. Maar juist in die brieven is er nog iets aan oprechtheid en verlangen te lezen, in dit boek zo vol met fake.
John O’Farrell, This Is Your Life
A Novel
315 pagina’s
Grove Press, 2002
in: a-z, humor, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de John O'Farrell-pagina
reageer!
dinsdag 20 mei 2008
Eerder dacht ik dat de inhoud van De illusie van gisteren hergebruikt was in deze bundel. Dat zou dan verklaren waarom ik alle teksten uit dat bibliografische boekje wel kende, zonder het ooit eerder gelezen te hebben.
Dit bleek niet zo te zijn. In deze uitgave van Schrijvers worden misbruikt staan weer heel andere teksten. Enfin, de Wet van Den Uyl luidt dan ook toepasselijk:
Je vindt niet wat je zoekt, maar alleen dat wat je niet zoekt.
Ook deze bundel kende ik al, maar het deed absoluut deugd die weer eens te lezen. Zelfs als voorspelbaar is waar Den Uyl mee komen zal, vindt hij altijd wel weer een formulering die milde vreugde brengt.
Hoogtepunt vond ik ditmaal de beschouwing ‘De terreur van de boekenbijlagen’. Daarin verbaast Den Uyl zich erover dat critici zo opvallend weinig te melden hebben, maar er dan toch al die pagina’s ruimte voor claimen. Geen recensie hoeft langer te zijn dan vijfhonderd woorden, volgens hem. Daarbij moet een roman zeker niet worden naverteld:
Dat dit in de eigen stuntelige woorden navertellen tot in het oneindige kan worden gerekt zal duidelijk zijn; slechts het integraal opnemen van de roman in de tekst is hier de grens. In ieder geval kan de schrijver zien dat de criticus zijn levenswerk in zijn geheel heeft gelezen. Tot zijn verbazing leest hij dan nog ook wat hij ermee bedoeld heeft. [42-43]
Bob den Uyl, Schrijvers worden misbruikt
En andere aanklachten
93 pagina’s
Uitgeverij Cadans, 1988
in: boeken over schrijven, a-z, bundels, verhalen
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Bob den Uyl-pagina
reageer!
woensdag 21 mei 2008
Auden stierf in 1973. Deze bundel is uit datzelfde jaar, wat ineens de vraag oproept of het een postume uitgave was. Voor dit idee spreekt dat de essays, recensies en boekintroducties in het boek uit een grote spanne tijds dateren. Maar er is tegen in te brengen dat Auden zelf nog de tekstredactie heeft gedaan, en er een introductie door een ander ontbreekt; hoewel de literatuurwetenschapper Edward Mendelson de teksten heeft uitgekozen.
Wat aan de bundel verder opvalt, is de ordening chronologisch op onderwerp; en dus niet in de chronologie van publicatie. Het boek begint met teksten over de oude Grieken, en eindigt zo wat met de bespreking van het boek over migraine van de nog altijd publicerende auteur Oliver Sacks.
De breedheid, en verscheidenheid aan onderwerpen, maakt dit daarom inhoudelijk een onmogelijk te bespreken boek.
Aan Forewords and Afterwords zal wat hetzelfde kleven als aan boeklog, zonder dat ik mij hiermee op dezelfde hoogte als Auden wil plaatsen. Maar de ene keer lees ik hem om mij te informeren over een nieuw onderwerp; en dan zijn de stukken misschien wel telkens te kort. Het volgende moment komt er iets te typisch Brits aan bod dat daarmee voor mij als buitenstaander te particulier wordt. En dan is er nog een klein restje onderwerpen waarover ik toevallig ook wat weet, waardoor het me eindelijk lukt wel iets te vinden van Auden’s inzicht en kennis.
Ondertussen blijft Auden, anders dan ik, eendachtig zijn achtergrond als dichter, een vaak prachtig stilist. Dus zo me iets zal bijblijven van dit enorme mozaïek van een boek, waar ik tijden in heb gelezen, dan zullen dit vooral zinnetjes zijn, en iets van een idee over de man die deze zinnen opschreef.
Dat is overigens indrukwekkend genoeg. Op elke pagina van deze bundel staat wel iets om aan te tekenen, en over na te denken.
The basic stimulus to the intelligence is doubt, a feeling that the meaning of an experience is not self-evident. [51]
Whatever the field under discussion, those who engage in debate must not only believe in each other’s good faith, but also in their capacity to arrive at the truth. [52]
A craftsman knows in advance what the finished result will be, while the artist knows only what it will be when he has finished it. But it is unbecoming in an artist to talk about inspiration; that is the reader’s business. [265]
Machines have no political opinions, but they have profound political effects. They demand a strict regimentation of time, and, by abolishing the need for manual skill, have transformed the majority of the population from workers into laborers. There are, that is to say, fewer and fewer jobs which a man can find a pride and satisfaction in doing well, more and more which have no interest in themselves and can be valued only for the money they provide. [279]
Etcetera.
W.H. Auden, Forewords and Afterwords
529 pagina’s
Faber and Faber, 1973
in: boeken over schrijven, a-z, bundels, poëzie, books in english
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de W.H. Auden-pagina
3 commentaren
donderdag 22 mei 2008
Elke bekende auteur heeft werken op zijn naam staan die nooit waren uitgegeven als hij geen bekend auteur was geweest. Dit is éen zo’n publicatie. Een curiosum.
In deze bundel staan zevenentwintig door Karel van het Reve bedachte limericks, en een in het Duits geschreven ballade.
De limericks zijn, zoals het genre voorschrijft, soms ietwat scabreus. De ballade is een gelegenheidswerkje dat voetnoten nodig had om begrepen te kunnen worden.
Ik heb er kennis van genomen. Er zal me in het geheel niets van bijblijven. Op de lange lijst van titels die ik nog niet kende, kan nu weer eentje worden doorgestreept. Soms is lezen helaas een soort boekhouden, waarin ik ook verliesposten moet aantekenen.
Karel van het Reve, Verbaast u dit, nuchtere lezer?
Zevenentwintig limericks en een ballade
36 pagina’s
C.J. Aarts, 1991
in: a-z, poëzie
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Karel van het Reve-pagina
reageer!
donderdag 22 mei 2008
Om éen of andere reden had dit boek in de bibliotheekcatalogus Bob den Uyl als auteur gekregen. Dit bleek een misverstand te zijn; diens verhaal was slechts het eerste in deze bundel.
De enige aanlieding om dit boek toch te lenen, was om te zien of Den Uyl’s biograaf gelijk had. Of Den Uyl er werkelijk een meester in was dezelfde tekst soms tien maal te verkopen.
Viel het eigenlijk wat tegen dat achterin uiteindelijk netjes verantwoord was dat diens bijdrage over Hindeloopen al in Vreemde verschijnselen stond. Ik kende dat dan ook al, net als bijna alle overige bijdragen.
Dit boek had daarom meer waarde als literaire quiz dan als introductie tot het oeuvre van de opgenomen schrijvers. Een fragment van Marga Minco, dat zal toch niet uit Het bitttere kruid komen? Maar jawel hoor. W.F. Hermans over Noord-Nederland? Dat maakt dan twee titels waarschijnlijk: Onder professoren of Uit talloos veel miljoenen. Fijn, dan wordt het de eerste.
Waarop de conclusie wel moet luiden dat sommige boeken niet voor mij bedoeld zijn, en dat ik dit nu eindelijk eens zou moeten begrijpen.
15 verhalen uit noordelijke oorden
128 pagina’s
Stichting Noorderbreedte, zonder jaartal [1987]
in: a-z, bundels, verhalen
[+] zie de gerelateerde titels |
reageer!
zaterdag 24 mei 2008
Toevallig las ik laatst ineens weer iets over de literaire activiteiten van schrijver Jaap Scholten. Hij leeft nog. Nu goed, Scholten heeft een column in een krant, helemaal ontgaan was me dit niet. Maar er is eindelijk een nieuwe roman, voor het eerst in acht jaar.
Scholten debuteerde ooit veelbelovend, zo vond ik, met deze bundel verhalen. Er zat iets laconieks in zijn toon dat me heel erg aantrok, toen.
Nu is het altijd gevaarlijk om favorieten te lezen van lang terug. De lezer ontwikkelt zich. Ik had dezelfde leeftijd als Scholten’s personages uit dit boek, maar heb die nu niet meer. Dus waren mijn verwachtingen niet vreselijk hoog.
En dat was deels ten onrechte. Scholten heeft een paar verhalen geschreven die nog altijd iets raken. Dat zijn voor het grootste deel de verhalen die in Nederland spelen, waarin ook telkens dezelfde personages terugkomen. Huisgenoot Elvis bijvoorbeeld, en de onbereikbare Anja Possa. Ik zie in die verhalen de rommeligheid zo goed in terug die het leven kan hebben in een bepaalde fase. Zo aan het eind van een studie, als het volwassen leven dreigt aan te breken, maar ook best nog even uitgesteld kan worden.
Helaas was ik vergeten dat er ook behoorlijk wat reisverhalen in deze bundel staan. En die vind ik veel minder, op een enkele uitzondering na. De breed uitgemeten avonturen van de auteur in Spanje bijvoorbeeld, zeiden me niets.
Jaap Scholten, Bavianehaar & Chipolatapudding
164 pagina’s
Thomas Rap, 1990
in: reizen, a-z, verhalen, fictie nederlandstalig
[+] zie de gerelateerde titels | of bekijk de Jaap Scholten-pagina
reageer!
zondag 25 mei 2008
In september 1968 kreeg Gerard Reve een aangetekend schrijven van een strenge Wim Hermans. Daarin werd Reve nadrukkelijk verboden om ook maar éen letter te publiceren uit de brieven ooit aan hem gericht.
Het is een klein veertig jaar later nu, en de biografen van Reve en Hermans brengen de briefwisseling tussen beide auteurs alsnog naar buiten. Deze schrijvers zijn dan ook dood, en eventuele bezwaren van tijdens hun leven tellen dan blijkbaar niet meer. Zo werkt de geschiedschrijving nu eenmaal.
Nu vind ik dit eerder een bronnenboek dan een brievenboek. Er had meer met de inhoud gedaan mogen worden om iets interessants te krijgen. Tachtig procent van dit boek is de moeite van het lezen niet waard.
Goed, het is op zich boeiend te weten dat Hermans en Reve aan het begin van hun schrijfcarrières iets in elkaar herkenden, zodat er een tijd een briefwisseling tussen hen beide is. Maar heel vriendschappelijk kan ik de band van die twee nu ook weer niet vinden. Dat het tot een brouille zou komen, was haast voorspelbaar. Evenmin brengen de brieven op zichzelf iets vreselijk bijzonders, aan formulering, anekdote, of inzicht.
In het oeuvre van de auteurs is deze verzameling niet eens een bijboek, maar iets ergers nog; een postume publicatie die op zichzelf nooit iets had betekend.
Handel.
Hermans en Reve hebben nog altijd zo veel bejaarde en dus kapitaalkrachtige fans dat het ongetwijfeld zal lonen om dit boek uit te brengen. En wie ben ik dan om daar iets tegenin te brengen. Het is alleen dat deze bundeling voor mij het raadsel vergroot.
Zowel Hermans als Reve publiceerden hun meest spraakmakende teksten voor mijn geboorte. Toen ik eenmaal toe was aan het lezen van serieuze boeken stond al heel lang vast dat zij tot de grootsten behoorden in de Nederlandse literatuur. Dat was namelijk al voor mij besloten. En door een paar boeken uit beider oeuvres kan ik wel reconstrueren waarom dit zo was. Ik heb het alleen zelf nooit vermogen te zien. Dus kijk ik er ook raar tegen aan dat elk toevallig bewaard gebleven tekstje van hen de moeite waard wordt geacht om enthousiast te besnuffelen..
Willem Frederik Hermans en Gerard Reve
Verscheur deze brief! Ik vertel te veel
Een briefwisseling
316 pagina’s
De Bezige Bij, 2008
Bezorgd door Nop Maas en Willem Otterspeer
in: boeken over schrijven, a-z, [auto]biografisch, fictie nederlandstalig