Dark Hero of the Information Age ~ Flo Conway & Jim Siegelman

► door: A.IJ. van den Berg

Vlot geschreven biografie van een curieuze Amerikaanse wetenschapper, die ik in éen zitting uitlas. Maar wel een boek met een merkwaardig gebrek. De auteurs hebben de wiskundige kennis niet, noch het wetenschapshistorische overzicht om de ideeën van Norbert Wiener in het lopende verhaal al gewicht te geven. Ze geven steeds alleen aan dat hij iets geweldigs nieuws bedacht had, zonder ooit de exacte details te bieden waar ik als nerd op te wachten zat. Dit heeft als gevolg dat de schrijvers in een eigenaardige epiloog alsnog heel erg proberen te bewijzen hoezeer Wiener’s ideeën de moeite waard waren — door aan te geven wie hij allemaal beïnvloed had. En dat is dan weer een willekeurig dom rijtje.

Tegelijk, het is ook heel raar om te beseffen dat ik uiteindelijk vooral van het boek genoten heb omdat Norbert Wiener [1894 – 1964] zo’n merkwaardige man was.

Het valt met de anekdotes nog mee in dit boek. Maar Wiener was het prototype verstrooide geleerde; zonder al te grote sociale vaardigheden; en met slechte ogen bovendien. Die aan het eind van de dag weleens wachtten moest tot de parkeerplaats helemaal leeg liep, omdat hij niet onthouden kon welke auto de zijne was. Dus hielp het als er geen andere meer stond.

Nadat Wiener verhuisd was, gaf zijn vrouw hem een papier met route-aanwijzingen mee, naar de nieuwe woning. Dat raakte hij kwijt. Dus reed hij in arren moede naar het oude adres terug, om daar op straat bij een jong meisje te informeren of zij misschien wist waar familie Wiener naartoe vertrokken was.

Yes, Daddy, Mommy said you’d probably be here, so she sent me to show you the way home.

Andere verhalen over Wiener zijn even interessant, maar tegelijk een stuk schrijnender. Zo was hij een wonderkind — tot grote intellectuele prestaties gedrild door zijn vader — dat op zijn dertiende naar de universiteit trok, en op zijn achttiende promoveerde.

Hij trouwde op zijn eenendertigste, maar pas nadat zijn ouders een vrouw voor hem hadden uitgezocht. Die was net zo oud als hem, kwam uit Duitsland, en werd in de jaren dertig een overtuigd aanhanger van Hitler. Wiener zelf was van Joodse komaf.

Norbert Wiener was verder nogal manisch-depressief, waardoor zijn vrouw Gretl van alles deed om anderen van hem af te schermen. Bovendien had ze een obsessie om haar stand op te houden — en schrok zij niet terug om daarvoor de gruwelijkste leugens te vertellen aan Wiener. De negentiende-eeuwse ideeën die Gretl had over de eer van haar dochters, leidden bijvoorbeeld tot valse beschuldigingen over het gedrag van een paar Amerikanen, waardoor Wiener plots een waardevolle samenwerking verbrak.

De kern van Wiener’s werk is vooral wiskundig. Hij vond tal van nieuwe mogelijkheden om statistische methoden toe te passen op onvoorspelbare ontwikkelingen of bewegingen. Werden die ineens toch een beetje voorspelbaar. Belangrijk daarvoor was het om daarbij de feedback te verwerken over welke situatie aangetroffen was.

Volgens de auteurs van deze biografie was hij zijn tijd soms wel dertig tot twintig jaar vooruit, voor de Tweede Wereldoorlog. Daarbij doelen zij er onder meer dat op de praktische toepassing van zijn kennis op zich wachten liet, omdat de techniek van toen er nog lang niet aan toe was.

Wiener’s methoden hielpen later onder meer mee om beter luchtafweergeschut te maken, omdat de kanonnen konden voorspellen in welke richting een vliegtuig zou gaan uitwenken na de eerste beschieting. Tegelijk wilde Norbert Wiener daar helemaal niets van weten. Hij kreeg er een steeds grotere hekel aan dat zijn werk gebruikt werd voor oorlogsdoeleinden. Helemaal nadat de eerste atoombommen waren gevallen. Dus weigerde hij voor het Amerikaanse militair-industrieel complex te werken — wat het weer logisch maakte dat hij in de McCarthy-tijd beschuldigd werd van anti-Amerikaanse sympathieën, en daarna ook wat door de geschiedenis vergeten werd.

Aardig is trouwens dat Wiener stevig bevriend was met de Nederlandse wiskundige Dirk Jan Struik [1894 – 2000]. Over diens leven — en dan vooral over hoe fel de Amerikanen in de jaren vijftig op zijn marxistische sympathieën reageerden — kwam terloops ook informatie langs die ik nog niet kende.

Wat ik vooral interessant vond aan dit boek, was dat het me leerde hoe zeer de geschiedenis van de moderne computer gekoppeld is aan die van het onderzoek naar informatiestromen in het brein. Dat hersenen tegenwoordig in computertermen beschreven worden, met termen als werkgeheugen en permanent geheugen, is dus niet enkel het gebruik van een metafoor.

Wat me minder beviel, zoals gezegd, is het gebrek aan weging van Wiener’s werk, en het simpele feit dat bijvoorbeeld de wiskunde daarin inhoudelijk blijkbaar te moeilijk werd geacht om er ook maar iets van te tonen.

Flo Conway & Jim Siegelman, Dark Hero of the Information Age
In search of Norbert Wiener
The Father of Cybernetics

423 pagina’s
Basic Books, 2005

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden