Broken Estate ~ James Wood

► door: A.IJ. van den Berg

Deze eerste bundel van de criticus James Wood eindigt met een essay waarvan ik aanvankelijk niet goed begreep waarom het was opgenomen. Goed, het had het hele boek zijn naam gegeven. ‘The Broken Estate’. Maar waarom moest ik ineens een persoonlijk verhaal lezen over de Brits-christelijke opvoeding die Wood genoten had, en diens gelukkige jeugd, in plaats van een geïnformeerde beschouwing over een schrijver? Een verhaal dat bovendien ooit als preek had gediend?

En toen bleek me dat Wood met dat persoonlijke stuk ook een programma had geschreven, van hoe hij de wereld bekijkt. En dat was interessant, omdat het altijd loont om de vooroordelen van een criticus te leren kennen.

Dus zag ik bijvoorbeeld ineens waarom ik zo veel opheb met de kritieken van Wood. Omdat wij – ijdele gedachte, maar toch – op een bepaalde manier hetzelfde denken over literatuur, ook al is die visie op totaal verschillende manieren ontstaan.

Een kind met een evangelische opvoeding wantrouwt voortaan onverschilligheid, zelfs wanneer hij niet meer gelooft, zo schrijft Wood. En meteen wordt duidelijk waarom hij telkens zo hard is voor schrijvers die de verdenking op zich hebben geladen te schmieren; die zo lekker een potje verhaal hebben verzonnen; doet er niet toe of dit waarschijnlijk is.

En Wood valt soms ongenadig stevig uit in deze bundel, naar alom geprezen grootheden.

Updike wordt aangeklaagd nogal eens ‘lyrische kitsch’ te produceren.

[…] he is, at his best, a fine pupil of Nabokov; and at his worst, his prose is a harmless, puffy lyricism, a seigneurial gratuity, as if language were just a meaningless bill to a very rich man, and Updike adding a lazy ten percent tip to each sentence.

[228]

DeLillo wordt beschuldigd op een onproductieve manier achterdochtig te zijn:

Paranoia, by its nature, has to be expressed. It is an odd paradox of paranoia that all its attention is towards what is hidden, but it exists only when it is given coarse voice, In fiction there is no such thing as a quiet paranoid; the neurosis is essentially voluble. Fiction exists the other way round. Fiction’s attention is toward what is tangible; yet it exists most effectively when its themes are unspoken.

[220]

En George Steiner wordt werkelijk geheel onderuitgemaaid.

Vladimir Nabokov once complained that one of Steiner’s essays was ‘built on solid abstractions and opaque generalisations’. But things are actually a little worse than that.

[115]

Maar het gaat niet om zulke oordelen, hoe heerlijk soms ook samengevat. Van belang is dat Wood kijken kan en lezen kan, en wat hij daardoor opmerkt zo goed weet over te brengen aan zijn lezers. Bovendien ben ik het ondertussen lang altijd niet meer met hem eens. Zo is me onduidelijk waarom hij bijvoorbeeld Updike aanvalt op wat evengoed Saul Bellow te verwijten valt, die bij hem telkens boven alle kritiek is verheven.

Merkwaardig vond ik verder niet eens dat deze bundel zo voortreffelijk was, maar dat zijn tweede bundel, The Irresponsible Self, me zo matig beviel.

In The Broken Estate doet Wood namelijk ook de canon, in de eerstopgenomen stukken. Tsjechov komt langs, bijvoorbeeld. Virginia Woolf. D.H. Lawrence. T.S. Eliot. Auteurs die ik niet alleen las, en waarover ik ook heel wat gelezen heb. En ditmaal verrijkt James Wood mijn interne beeld van deze auteurs wel. Soms zelfs zeer aanzienlijk.

James Wood, The Broken Estate
Essays on Literature and Belief

318 pagina’s
Pimlico 2000, oorspronkelijk 1999

[x]opgenomen in het dossier: