Snel, hoog, ver ~ Kees Sluys

► door: A.IJ. van den Berg

Van alle dingen die ik nooit heb gedaan, en wel niet meer zal doen, is er vooral spijt dat ik nooit een volwassen tienkamp heb afgerond. De meerkampen van mijn juniorentijd bestonden nog niet uit tien onderdelen. En toen ik wel oud en groot genoeg was om ook die vierhonderd meter te mogen lopen tijdens zo’n tweedaagse wedstrijd, werkte mijn lichaam al niet meer mee.

Speerwerpen heb ik trouwens nooit gekund. Het is niet dat ik een goede tienkamper zou zijn geweest. Maar de ervaring had me erg interessant geleken. Mijn atletiekcarrière bestond veelal uit lange reizen, om dan ergens vijftig seconden actief te zijn. Was het een keer twee minuten als ik een ander onderdeel koos. Klaar. Niets van wat me zo intrigeert in zo’n meerkamp. Met die voortdurende concentratie op het volgende nummer. Met het besef dat de prestatie op een onderdeel kan tegenvallen, maar dat dit de inspanning daarop niet al mag tekenen. Of omgekeerd, dat een persoonlijk record niet te uitbundig gevierd kan worden, omdat dit de concentratie voor wat daarna komt verstoort.

De tienkamp is het enige onderdeel dat ik intensief volg bij de kampioenschappen op televisie, terwijl de discipline vrijwel altijd slecht in beeld wordt gebracht. Specialismen zijn ook makkelijker te verkopen. Daar hoeft het grote publiek niets voor te begrijpen. Wie het eerst over de finish komt, die heeft gewonnen. Dat werk. Terwijl zo’n tienkamp met abstracties als puntentabellen werkt. En met atleten die wel heel goed kunnen lopen, werpen, en springen, maar zelden op éen onderdeel tot de wereldtop behoren; dit slechts zijn op alle onderdelen samen. Wat ze blijkbaar niet heel interessant maakt.

Dit boek van Kees Sluys had éen merkwaardig trekje. Hij vertelt er een aantal grote tienkampen in na die ik al rechtstreeks had meegemaakt. Op de televisie dan, met hulp van teletekst, en later van internet. Dat is heel raar om te lezen. Alsof mijn persoonlijke herinneringen ineens niet meer van mij alleen waren, maar van iedereen.

Dus was interessanter wat Sluys aan geschiedenis bracht. Met een verklaring waarom Duitsland ineens opkwam als tienkampland — de puntentabellen werden evenwichtiger, wat in hun voordeel was. Met levensverhalen van bekende helden en schlemielen — Jim Thorpe, Jürgen Hingsen — en ook de mij onbekende grootheden, als de Est Heino Lipp, die van Sovjet-autoriteiten het land niet uit mocht reizen, en daarom nooit de op de kampioenschappen uitkwam.

Sluys zocht ook een aantal tienkampers op, in binnen- en buitenland, om hun ideeën te vernemen. Want, had Hingsen zich bijvoorbeeld bewust in Seoul uit de wedstrijd laten schieten met drie valse starts op het eerste onderdeel, de honderd meter. En was dit om doping dan?

Maar het boeiendst vond ik uiteindelijk de materie die alleen voor insiders waarde heeft; en waarvan het boek me net wat te weinig bevatte. Zoals de vraag hoe je het best voor een tienkamp traint. Is het slimmer de sterke onderdelen te trainen, om tijdens de wedstrijd daarop meer punten te halen, of moet de aandacht juist naar de zwakke nummers gaan?

Daarbij is zelfs een wezenlijke vraag hoeveel trainers een tienkamper hebben moet. Eentje, die goed het overzicht houdt? Of is er juist het meest aan punten te winnen door van specialisten te leren… Het is een vraag die een richtingenstrijd oplevert binnen de sport. Waarbij degenen die vinden dat een tienkamper het met éen trainer af kan, voor mij de sterkste argumenten hebben. Uiteindelijk gaat het erom dat een tienkamper heel blijft tijdens al die maanden training — zo’n atleet doet hoogstens een paar meerkampen per jaar. En vooral de sporters met meerdere trainers lijken wel erg vaak geblesseerd.

Kees Sluys, Snel, hoog, ver
Geschiedenis van de tienkamp
320 pagina’s
Thomas Rap, 2008

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden