Broeder Ezel ~ A.J. Dunning

► door: A.IJ. van den Berg

Er is iets heel dubbels aan het beroep van medicus. En dat komt door het gegeven dat artsen al een stevige status hadden verworven als professionals, voor ze iets konden. Daardoor vallen doktoren nu niet rechtstreeks onder het strafrecht, maar hebben ze een eigen tuchtrecht. Daardoor kunnen ze iedereen uitsluiten van de medische stand die niet de door hen goedgekeurde opleidingen heeft gevolgd.

Tegelijk waren doktoren heel lang vrijwel machteloos tegenover ziekten, en hadden patiënten slechts een goede geneesheer als die hen niet eerder het graf in hielp dan had gehoeven. De nuttigste geneesmiddelen zijn pas in de twintigste eeuw uitgevonden. Maar zelfs basale kennis, zoals dat artsen toch echt zelf ook enige hygiëne in acht moesten nemen voor de behandeling, werd door de beroepsgroep ontstellend lang niet aanvaard.

Met de status van het beroep — en die is bij artsen hoog — komt ook de magie van het beroep. En patiënten hebben zich daar altijd vrij willoos aan overgegeven. Zelfs al betekende dit dat zij zich met bloedzuigers moesten aderlaten, of dat er tabaksrook in hun endeldarm geblazen werd. Bij sommige kwalen is het nu eenmaal zo dat mensen ervan genezen, omdat ze denken genezen te worden.

Al dit maakt het wel weer interessant om een medicus over de pretenties van zijn of haar vak te lezen. Of dit nu de Britse huisarts Ben Goldacre is, die momenteel de ergste uitwassen van de magische geneeskunde bestrijdt. Of dat A.J. Dunning [1930 – 2009] is, die in zijn werkende leven hartspecialist was.

Dunning’s Broeder Ezel — een klassieke metafoor voor het lichaam, van de heilige Franciscus — bleek helaas geen monografie te zijn, maar bestaat uit een reeks essays. Daardoor kwamen sommige onderwerpen uit de medische geschiedenis vrij uitgebreid aan bod, maar ontbrak bijvoorbeeld een inleiding in wat de status van het vak bepaald heeft; zoals ik hierboven in drie halen schetste.

Toch heb ik dit boek wel met plezier gelezen; Dunning wist soms wel heel bizarre geneeskunsten uit het verleden op te rakelen. En hij bleek soms prettig bescheiden over wat zijn beroepsgroep tot stand brengt. Maar ik miste iets als een synthese; een overzicht; terwijl Dunning, omdat hij zichzelf ooit gespecialiseerd heeft, die misschien wel helemaal wenste te geven, uit angst te makkelijk te oordelen.

Dus houd ik twee dingen over aan dit boek. Dunning’s uitspraken over de pretenties van de strijd tegen kanker:

Samenvattend moet worden gezegd dat ons beeld van kanker tot de mythologie behoort. Het is de boeman die ons leven aanvreet, de duivel die wij moeten uitdrijven met man en macht. Dat brengt ons tot militaire grootspraak inzake vorderingen bij het kankeronderzoek, waarbij alsmaar vooruitgang wordt bereikt, een sprookje dat met regelmaat verteld wordt door organisaties die beter moesten weten. [59]

En diens opmerkingen over waar de opleiding in de medicijnen toe leidt:

[…] wij [kweken] technici die een deelgebied tot in hun vingers beheersen, maar hun vak veelal uitoefenen in een maatschappelijk luchtledig en in een noest geloof dat meer beter is. Dat geloof wordt gevaarlijk wanneer wij meer doktoren opleiden dan gezond is en die situatie bestaat nu. Niemand heeft ooit de vaderlandse artsenbehoefte kunnen peilen omdat de welvaart die vraag elastisch maakte. Dat is niet meer het geval en wee de dokter die onvoldoende om handen heeft. Hij schept zich werk, van sportgeneeskunde tot plastische chirurgie, van psychotherapie tot consultatiebureau, van internist voor gezonden tot anesthesist voor chronische klagers. Medische overconsumptie bestaat al in allerlei vormen en het aantal keelamandelen, baarmoeders en galblazen dat in plaats van een haan aan Asklepios wordt geofferd is gigantisch. [267]

Dr. A.J. Dunning, Broeder Ezel
Over het onvermogen in de geneeskunde

269 pagina’s
Meulenhoff, 1981

[x]opgenomen in het dossier:

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden