Invisible Cities ~ Italo Calvino

► door: A.IJ. van den Berg

Bij sommige boeken geldt dat de herlezing ze beschadigen kan. Voor Italo Calvino’s [1923 – 1985] Città invisibili gaat nog iets anders op. Ik heb er een emotionele band mee, die veel moeilijker uit te leggen is dan de kwaliteiten, of de fouten van het boek.

Le città invisibili is een boek dat bestaat uit vele fragmenten, waarin nogal kernachtig steden beschreven staan. Dit lijken denkbeeldige steden, vanwege de merkwaardigheden die worden benoemd. Eens in de zo veel tijd worden deze fragmenten afgewisseld met een gesprek tussen de jonge ontdekkingsreiziger Marco Polo en de Chinese heerser Kublai Khan.

Vervolgens beginnen dan de interpretaties. Om te beginnen: zijn het wel allemaal verschillende steden, gaat dit boek niet alleen over Venetië?

Ik lees, of herlees, dit boek doorgaans als een poëziebundel. Laaf me dan aan een paar beschrijvingen van steden. Maar zoek al gauw de dialogen van Polo en Khan. Dat is doorgaans genoeg. Meer dan wat sfeer hoef ik dan niet te mee te krijgen.

Er zijn evenwel Calvino-uitleggers die stellen dat La città invisibili niet te begrijpen is zonder kennis van diens postume autobiografie. Eremita a Parigi. Kluizenaar in Parijs.

Zo zou het boek gelezen moeten worden als een reflectie op Dante’s Divina Commedia. Als een reis door de negen cirkels van de hel — want beschrijvingen van het voorgeborchte, en het paradijs vallen buiten het bestek. Vandaar dat het boek negen hoofdstukken telt. Vandaar de repetities daar weer in; een cirkel is dan doorlopen.

Ook zou er iets met de letter V zijn. Elke stad wordt op vijf elementen gewogen. En goed, Vergilius was de gids in Dante’s Commedia, en V. staat gelijk aan vijf.

Tja.

Voor deze interpretatie spreekt het einde van dit boek, hier helaas in de Engelse vertaling:

And Polo said: ‘The inferno of the living is not something that will be; if there is one, it is what is already here, the inferno where we live every day, that we form by being together. There are two ways to escape suffering it. The first is easy for many: accept the inferno and become such a part of it that you can no longer see it. The second is risky and demands constant vigilance and apprehension: seek and learn to recognize who and what, in the midst of the inferno, are not inferno, then make them endure, give them space. [126-127]

Voor deze interpretatie spreekt verder het gegeven dat Calvino nogal wat studie van Dante heeft gemaakt, en daar ook over publiceerde.

Mijn interpretatie is wat anders. Die Parijse periode, diens vriendschap met Sartre daar, gekoppeld aan Calvino’s teleurstelling in het communisme, had hem somber gemaakt. Ik ben daarom geneigd dit boek, en dan vooral de dialogen tussen Marco Polo en Kublai Khan, te zien als een gesprek tussen de jonge schrijver en de oude. Waarbij die gedachtewisseling gaat over schrijven, en wat er bereikt kan worden met taal.

In het begin is Polo telkens aan het woord, om over zijn grandioze ontdekkingen te praten. Naar het einde toe begint Khan zich steeds meer met de inhoud te bemoeien.

Marco Polo describes a bridge, stone by stone.
“But which is the stone that supports the bridge?” Kublai Khan asks.
“The bridge is not supported by one stone or another,” Marco answers, “but by the line of the arch that they form.”
Kublai Khan remains silent, reflecting.
Then he adds: “Why do you speak to me of the stones? It is only the arch that matters to me.”
Polo answers: “Without stones there is no arch.” [66]

Calvino heeft veel sympathie voor Marco Polo, die hij als een verwante geest lijkt te zien. Iemand die door de omstandigheden gedwongen werd om verhalen te vertellen. En dat is een bezigheid die moet worden geleerd.

Newly arrived and totally ignorant of the Levantine languages, Marco Polo could express himself only with gestures, leaps, cries and wonder and of horror, animal barkings or hootings, or with objects he took from is knapsack — ostrich plumes, pea-shooters, quartzes — which he arranged in front of him like chessmen. [20]

De reactie van Kublai Khan, door tenslotte eigen verhalen te gaan vertellen, zie ik als een soort innerlijke dialoog. Als een poging van de oude Calvino om uit te vinden hoe het kwam dat hij vroeger zo makkelijk schreef, en dacht, en om te bedenken welke technieken hij toen onbewust moet hebben gebruikt in zijn schrijven. Om telkens zijn jongere zelf tegenover zijn sceptische zelf te zetten om dat writer’s block te overwinnen.

Dit is allemaal hoogst speculatief natuurlijk, maar er zijn aanwijzingen in Calvino’s brieven en die postume autobiografie dat er een schrijfcrisis was. Omdat het allemaal zo weinig uitmaakt wat éen auteur vermag. Wat dan tegelijk het idee logisch maakt om de hel te beschrijven die desalniettemin gezien wordt.

Het maakt ook weinig uit wat ik denk. Dat boek kan voor elke lezer weer iets anders betekenen. Het is zelfs heel gewoon als een sprookjesachtig reisboek te zien.

The traveller recognizes the little that is his, discovering the much he has not had and will never have. [26]

Italo Calvino, Invisible Cities
127 pagina’s
Picador, 1979
Vertaling van Le città invisibili, 1974

[x]