Kritysk kerwei ~ Anne Wadman

► door: A.IJ. van den Berg

Recenseren is een vreemde activiteit. Zo vergt het schrijven van een serieuze recensie nogal wat inspanning, waar relatief weinig tegenover staat. Domweg omdat er tussen de bespreker en het besprokene zelden iets moois groeit, en hij of zij er dan toch over moet schrijven.

Het meeste wat gemaakt wordt, is niet opvallend goed. Noch opvallend slecht.

Recenseren is ook een merkwaardige activiteit door het verschil in beleving tussen makers en het publiek waartoe de bespreker hoort. Het kost tijd om een kunstwerk te produceren — terwijl dat werk altijd in een veel kortere tijd te consumeren is. Elke bespreking oordeelt daarmee ook of de inspanning van de kunstenaar de moeite waard is geweest; en is daarmee makkelijk als een opinie op te vatten over hem of haar als persoon.

Van alle recensies moeten besprekingen over Friese boeken wel het moeilijkst te schrijven zijn. Bij zo’n boek overheerst altijd de vreugde dat er toch weer een titel verschenen is, terwijl tegelijk de kwaliteit de ervaren lezer niet altijd zal meevallen. En, het wereldje is te klein. Iedereen die in het Fries publiceert, kent wie dat nog meer doet. Dus komt het regelmatig voor dat vrienden of collega-redacteuren elkaars werk bespreken. Dus ontstaan er ook al snel onwerkzame brouilles, die ondergronds decennia blijven smeulen.

Ik heb indertijd slechts enkele maanden Friese boeken gerecenseerd voor het literaire tijdschrift Farsk. Dit was voor het Skriuwersboun bij gelegenheid al voldoende aanleiding een Berufsverbot bij de provincie te eisen voor mij als beoordelaar van literatuur.

De auteur Anne Wadman [1919 – 1997] is meerdere decennia actief geweest als recensent van Friese boeken. Naast besprekingen voor het literaire blad De Tsjerne schreef hij tientallen, zo niet honderden, recensies voor Het Vrije Volk, en de Leeuwarder Courant. Een selectie daarvan uit de jaren 1950-1970 is verzameld in de bundel It kritysk kerwei. Daarnaast staan in dit boek nog enkele algemene stukken in over de Friese literatuur, en zijn de teksten opgenomen van enige radiocauserietjes.

Nu heeft Wadman de interessantste boeken uit de periode 1950-1970 niet gerecenseerd, zo bleek me al snel. Toen in 1964 een roman als Fabryk uitkwam, van Trinus Riemersma, had hij tijdelijk geen podium voor zijn besprekingen. En toch was ik ook niet direct geïnteresseerd in het luttele feit of Wadman het experiment in de Friese literatuur waardeerde.

Mij ging het bij het lezen om het grotere verband. Om de vraag hoe een recensent handelde die de wereldliteratuur kende, grootse ideeën had over wat literatuur moet zijn, en vervolgens veelal de brave voorspelbaarheid moest bespreken van publicaties uit de Kristlik Fryske Folksbibliotheek.

Wadman stelde zich daarbij vaak op als schoolmeester, zo viel me op. Wat op zich niet vreemd is, met dat vak verdiende hij zijn brood.

Zo corrigeerde hij meer dan eens in een recensie het gebruikte Fries van een auteur.

Opvallend vond ik ook dat Wadman weleens lui was als recensent. Hij deed soms stevige uitspraken zonder daar dan bewijs voor aan te dragen. Daarbij dan bijvoorbeeld een groot overzicht over iemands eerdere boeken suggererend, zonder dit ergens mee te staven. Dit kan een vorm van gemakzucht zijn geweest bij het schrijven, of misschien komt ook dat verschijnsel weer voort uit zijn schoolmeesterschap — iemands karakter wordt er zelden beter op als hij altijd slimmer is als zijn meest directe publiek, en dus te weinig tegenspraak krijgt.

Wadman won met zijn eerste bundel literaire kritieken in 1952 ook meteen de hoogste taalprijs in de Friese literatuur. Dat moet hem als criticus een zekere onaantastbaarheid hebben gegeven.

Over het geheel genomen leek hij me hard, maar helder te oordelen. En zo te zien werden boeken onbevooroordeeld bekeken. Als een boek waarvan hij niets verwacht had toch meeviel, gaf Wadman dit eerlijk aan. Alleen viel het meestal tegen. Wat het recenseren volgens mij toch tot een behoorlijk corvee moet hebben gemaakt. Al geldt dit vooral voor de besprekingen van romans — waar het verschil tussen lectuur en literatuur behoorlijk groot kon zijn — in de poëzierecensies had hij doorgaans minder te klagen.

Ik geloof best dat Anne Wadman iets had aan het inkomen dat het schrijven van recensies voor de krant moet hebben opgeleverd. Maar er moet toch ook wel meer hebben gespeeld. Mij intrigeert dus nogal waarom Wadman vrijwel zijn hele schrijvende carrière kritieken bleef schrijven. Vanwaar die opoffering, waarom dit masochisme?

Nu bevat de bundel It kritysk kerwei een titelstuk, dat bestaat uit een betoog dat Wadman in 1966 hield voor de regionale radio-omroep Rono. Daarin legde hij uit wat zijn opvattingen als criticus waren.

Elke vorm van literatuur had recht op toegewijde aandacht, zo zei Wadman bij die gelegenheid. Zelfs al was het misschien niet prettig om een boek te lezen dat ook in 1912 geschreven had kunnen zijn. Alleen betekende die aandacht ook dat een criticus daarop zijn eigen opvattingen hanteren mag. En dus dat hij vervolgens strijd mocht leveren.

Er moet toch iets aan die strijd zijn geweest dat hem ertoe kon verleiden telkens weer de pen op te pakken, en stevige correcties aan te brengen. Ook na die eerste tijd, toen hij zweeg over wat de Friese literatuur moest brengen.

Joke Corporaal schrijft hier alleen met geen woord over, in Grimmig eerlijk; de biografie die ze aan Wadman wijdde.

En ik denk: Wadman moet al die honderden kritieken haast wel uit een soort zendingsdrang hebben geschreven. Enerzijds om Friese auteurs aan te moedigen het volgende keer nog beter te doen, en aan de andere kant om het publiek zo goed mogelijk voor te lichten wat er allemaal verschenen was.

Of was er meer? Wilde hij zich misschien als autoriteit blijven positioneren? En verwierf hij door de positie als recensent niet ook een ideale verdedigingspositie tegen wie hem maar durfde kritiseren?

Het is jammer dat de vragen waar een biograaf antwoord op had moeten geven, vaak pas na het lezen van een levensbeschrijving worden geformuleerd.

Anne Wadman, It kritysk kerwei
Resinsjes en skogingen

332 pagina’s
Fryske Akademy, 1990

[x]opgenomen in het dossier: , ,

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden