Geur van geld ~ Marcel Metze

► door: A.IJ. van den Berg

Vanzelfsprekend is dit boek uit 1993 op een aantal punten inmiddels achterhaald. In 1992 werd vastgelegd om alle nationale munteenheden in de EU op te laten gaan in de euro; al heette die nieuwe munt toen nog niet zo. Daarom werd in 1998 de Europese Centrale bank ingesteld, en nam de politieke betekenis van de Nederlandsche Bank meteen drastisch af.

De huidige crisis van de euro is niet te begrijpen uit De geur van geld, en de bankencrisis van 2008 al evenmin.

Wat dit boek wel biedt, is wat nu dan maar voorgeschiedenis moet heten. De banken in Nederland veranderden in jaren tachtig en negentig structureel van karakter. Het volstond ze niet meer om enkel kredieten te verstrekken op basis van geld dat spaarders bij hen hadden ingelegd.

Dus werden allerlei manieren uitgeprobeerd om geld te creëren uit het niets.

En ondertussen haalden de banken ook meer omzet door samen te gaan, of andere banken over te nemen.

In die zin had ik dit boek eigenlijk voor De prooi van Jeroen Smit moeten lezen. Het verhaal over de uiteindelijk mislukte fusie tussen ABN en Amro volgt logisch gezien pecies op dit boek.

Marcel Metze is ook nog redelijk positief over het samengaan van ABN Amro — waarschijnlijk omdat het te vroeg was om daar iets over te zeggen. In De geur van geld krijgt vooral de vorming van de ING Groep veel aandacht. En uit dat verhaal had Metze toch iets kunnen afleiden. Van fusie komt al gauw ruzie.

De ING Groep ontstond door het samengaan van NMB Postbank, en de verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden. Waarbij NMB Postbank op zich al het product van een fusie was, tussen de Nederlandse Middenstandbank en de aloude Postgiro.

NMB was op een gegeven moment grof bezig om buitenlandse schulden op te kopen, voor een deel van de eigenlijke waarde. De Postgiro, die Postbank werd, was een organisatie van ambtenaren, die nauwelijks grote en zakelijke klanten had.

En toch verdwenen na de fusie in vrij korte tijd alle NMB-mensen uit de top van het nieuwe bedrijf; meestal door eigen schuld. Dat leverde interessante verhalen op.

Toch houd ik twee andere zaken over aan dit boek.

De eerste is Metze’s kritiek op het bestuur van de Nederlandsche Bank, dat ernstig tekortschoot in het toezicht op de activiteiten van de commerciële banken, die zo hun eigen geld begonnen te maken. En als er eindelijk wel werd ingegrepen, gebeurde dit ook niet goed — omdat het bestuur van de Nederlandsche Bank bestond uit hoge ambtenaren die het zakelijke bankieren niet begrepen.

De tweede is dat Marcel Metze ook ruimte besteed aan de verhouding van het Nederlandse publiek tot de banken. Daar heerst ergens nog steeds enig wantrouwen tegen de plicht om er een bankrekening op na te houden. En ergernis ook dat voor deze eer zelfs betaald moet worden.

Het is door signaleringen als deze, en ook door Metze’s uitleg over financiële constructies, dat ik dit boek beter vond als De prooi; terwijl dat boek in opzet en aanpak toch wel lijkt op dit.

Enfin, er is nog een derde gegeven dat ik overhoud aan De geur van geld. Het duurde werkelijk een tijd voor ik de voorkant van dat boek in verband bracht met het geld waarmee ooit in Nederland betaalden. De gulden, en de kleurige bankbiljetten die hoorden bij deze munt.

De herinnering aan wat ooit normaal was, kan snel vervagen.

Marcel Metze, De geur van geld
Een opmerkelijk bankafschrift

304 pagina’s
SUN, 1993

[x]opgenomen in het dossier:

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden