Veranderend getij ~ Marcel Metze

► door: A.IJ. van den Berg

Het thema dat onderzoeksjournalist Marcel Metze aansnijdt in Veranderend getij interesseerde me wel vooraf. Wat speelt er allemaal bij een dienst als Rijkswaterstaat? Zou het een plus zijn als hij daarbij wat geschiedenis zou geven. Zodat me bijvoorbeeld eens duidelijk werd waarom kantonniers de beroepsnaam kantonniers dragen.

Maar die geschiedenis van ’s Rijkswaterstaat staat in kort bestek weggestopt in een appendix, en begint bij een centraliseringslag in de Franse tijd. Wat wel de benaming kantonniers perfect verklaart, en tegelijk niet heel veel meer.

Wat uitgebreid in het boek behandeld wordt, zijn de veranderingen die er plaatsvonden in deze nog zo korte eeuw. En zoals inmiddels gebruikelijk bij Metze krijgt de lezer daarbij nogal wat kantoorpolitiek meegedeeld — de hoofdrolspelers krijgen ook portretjes, en hun karakter wordt daarbij in éen trefwoord gegeven. Veel van zulke passages lees ik eerlijk gezegd niet met de grootste aandacht. De uitkomsten van beslissingen zijn belangrijker dan wie wanneer wat zei.

Dit boek had overigens vorig jaar al zullen verschijnen. Metze schreef het in opdracht van Rijkswaterstaat. Maar de opdrachtgever was ontevreden, en verbood de uitgave aanvankelijk. Metze mocht de tekst al evenmin in eigen beheer uitgeven. Pas nadat Kamervragen over de zaak waren gesteld, werd uitgave alsnog toegestaan. Misschien omdat de dienst de tekst ook vrij had moeten geven, als iemand een beroep had gedaan op de Wet openbaarheid van bestuur.

Dus was het bij het lezen ook een beetje raden wat de heren bij Rijkswaterstaat nu zo vreselijk aanstootgevend hadden gevonden.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw was Rijkswaterstaat weinig anders dan een machtige en vrijwel autonome staat in de staat. Niemand controleerde het functioneren van de dienst. En iedereen die er werkte in de hogere echelons had aan de TU Delft gestudeerd, of was op een andere manier techneut. Daardoor trad sektevorming op, en kon Rijkswaterstaat niet bogen op een grote publieksvriendelijkheid.

Toch had dit al decennia geen problemen gegeven, tot er twee storingen optraden.

De heimelijke kartelvorming onder Nederlandse aannemers — tegenwoordig meestal Bouwfraude genoemd — deed vermoeden dat degenen die de opdrachten tot bouwen verstrekt, ofwel Rijkswaterstaat, ook niet helemaal zuiver op de graad was. Er leek een gevoeligheid voor steekpenningen te bestaan.

Verder kwam er de klacht vanuit de politiek dat Rijkswaterstaat te duur was, en dat onduidelijk bleef waar al dat geld daar aan opging. Waarom liepen de Betuwelijn, of de HSL Zuid zo veel vertraging op, en kostten ze telkens miljarden meer dan begroot?

Vervolgens bleek inderdaad dat de zeventien aparte regionale rijkjes, geregeerd door Hoofd Ingenieur Directeuren, binnen Rijkswaterstaat nauwelijks inzicht hadden in hun eigen begrotingen.

Daarop moest het hele apparaat in enkele jaren omgevormd worden tot een agentschap van de Rijksoverheid, met een bestuur van drie personen, in plaats van zeventien heren. Dat ging alleen al met problemen gepaard, doordat alles van bovenaf werd opgelegd. En wat Metze vervolgens aan wrijvingen heeft kunnen aantonen, zal gevoelig hebben gelegen. Al zal niemand kunnen ontkennen dat Rijkswaterstaat zijn eigenheid kwijtraakte, en dat bij de sanering veel expertise verloren ging doordat zo veel mensen vertrokken.

En toch denk ik na lezing dat het boek te kort op de reorganisatie geschreven werd, om de effecten daarvan werkelijk al te kunnen evalueren.

Marcel Metze, Veranderend getij
Rijkswaterstaat in crisis

326 pagina’s
Balans, 2010
© Staat der Nederlanden 2009/2010

[x]opgenomen in het dossier:

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden