Ogenspel ~ Elias Canetti

► door: A.IJ. van den Berg

Ik verwachtte in éen opzicht te veel van De fakkel in het oor. Toen Canetti in dit vorige deel van zijn memoires schreef over de totstandkoming van zijn enige roman, dacht ik dat daarmee alles gezegd was. Terwijl de geschiedenis van dat boek zo veel groter is dan alleen de problemen die bij het schrijven optraden.

Ook Het ogenspel, dat derde deel in de autobiografie, gaat voor een groot deel nog over Die Blendung — de roman die in het Nederlands Het martyrium heet, en in het Engels Auto Da Fé. Al was het maar omdat Canetti de roman schreef in 1930-1931, en tot oktober 1935 moest wachten tot er een uitgever kwam.

En dan nog sprak het niet vanzelf dat het boek werd uitgegeven. Met al het andere wat hij indertijd schreef, lukte dit namelijk niet. Canetti was nu eenmaal van joodse afkomst. En Oostenrijk zou weliswaar pas enkele jaren later in Nazi-Duitsland opgaan, maar dit betekende absoluut niet dat het nog vrij van openlijk antisemitisme was.

Overigens valt ook aan Het ogenspel op dat Canetti de evenementiële geschiedenis van zijn tijd vrijwel steeds buiten het verhaal houdt. Blijkbaar vertrouwde hij erop dat zijn lezers die wel paraat zullen hebben.

En dit kan, natuurlijk. Maar mij gaf het bijvoorbeeld een probleem toen Canetti aangaf waardoor hij ineens niet langer in de opinies van Karl Kraus geloofde:

Karl Kraus was kortgeleden gestorven en ik was werkelijk niet op zijn begrafenis geweest. Mijn teleurstelling in hem na de gebeurtenissen van februari 1934 was enorm geweest. Hij had zich voor Dolfuss uitgesproken, hij had de burgeroorlog in de straten van Wenen aanvaard en het verschrikkelijke goedgekeurd. Iedereen, werkelijk iedereen had hem laten vallen [291]

Ik wist nog net dat Engelbert Dolfuss als kanselier in 1933 de democratie in Oostenrijk had opgeheven, en vervolgens het Italiaanse fascisme als voorbeeld nam. Dat dit met soms fatale strubbelingen gepaard ging, is dan zo’n detail dat makkelijk verloren gaat als de geschiedenis je niet direct aangaat.

Alleen tekent het een auteur nogal, als deze zulke gegevens vrijwel negeert, zelfs als hij iets van nabij meemaakte — in De fakkel in het oor meldt Canetti nog net persoonlijk betrokken te zijn geweest bij de julirevolte op ‘Zwarte vrijdag’ in 1927. Maar meer dan de meest algemene bewoordingen wijdde hij niet aan deze gebeurtenis.

Hij verkoos het liever om te schrijven welke beroemde mensen hij allemaal ontmoette, en hoe deze hem waardeerden. Canetti vond ‘name dropping’ uiterst belangrijk. Al vermeldt hij dan weer niet dat de dr. Sonne, die zijn nieuwe leidsman werd nadat Karl Kraus uit de gratie raakte, later nog wereldjeberoemd werd onder de naam Avraham Ben Yitzhak.

Tekenend is dat hij het de moeite waard achtte om de miniemste ontmoetingen met Robert Musil in dit boek op te nemen. Die was van belang omdat Canetti Der Mann ohne Eigenschaften zo’n geweldig boek vond. Maar vermelding van het persoonlijke contact, dat er soms even was, woog nog net even zwaarder.

Musil kwam Canetti ook feliciteren, toen de eerste krantenrecensie over Die Blendung verschenen was. Alleen had Elias Canetti net een afwijzende brief ontvangen van Thomas Mann, aan wie hij ooit het manuscript van de roman had opgestuurd. En Canetti kon het niet nalaten om aan Musil te zeggen dat Mann hem geschreven had. Waarop Musil zich afwendde, en voortaan alle contacten vermeed. Een begrijpelijke daad, lijkt me.

In de periode die dit boek bestrijkt, trouwde Canetti met Veza Taubner. Haar leren we niet kennen uit deze memoires; of niet meer dan dat ze van lezen hield. Dit deel van de herinneringen eindigt met de dood van Canetti’s moeder; van wie er slechts een nogal eenzijdig beeld gegeven is.

Ook de beschrijvingen van dat sterfbed zijn geen wonderen van empathie.

En het is door deze, en de eerder genoemde zo openlijke gebreken, dat ik de drie delen van de autobiografie met gemengde gevoelens wegzet. Ooit vond ik het vreselijk jammer dat Canetti liefst drie boeken nodig had om de eerste 32 jaar van zijn leven te beschrijven; ook al omdat de laatste 32 me interessanter leken.

Ik geloof inmiddels alleen niet meer dat Elias Canetti ooit zijn enorme ijdelheid had kunnen overwinnen, en werkelijk autobiografieën had weten te schrijven die uitstegen boven de zelffelicitatie.

Elias Canetti, Het ogenspel
Mijn levensgeschiedenis 1931—1937

De Arbeiderspers, 1986
privé-domein nr. 121

[x]opgenomen in het dossier: ,