Brood op de plank | 2 ~ Adriaan Morriën

► door: A.IJ. van den Berg

Ik meende altijd dat het oeuvre van Adriaan Morriën [1912 – 2002] wel in éen verzamelbandje paste. Of hoogstens in twee, als zijn poëzie gescheiden zou worden uitgegeven van het proza dat hij schreef, in al die honderden korte losse stukken.

Maar dat was toch niet helemaal waar. Morriën heeft ook een soort schaduwoeuvre gewrocht. Om het geld vooral. Tijdens de jaren dat hij verder niet aan zelfstandig schrijven toekwam, maar voor uitgevers manuscripten las, vertaalde, en daarnaast ook vele recensies schreef.

Een bloemlezing van dat ‘Kritische proza’ werd in 1999 in twee nette deeltjes dundruk uitgegeven. Die vond ik te duur, dus kwam ik er pas toe dat werk te lezen toen die druk verramsjt werd.

Van de bibliotheek lenen had misschien ook gekund, maar boeken met literaire kritieken zijn nu eenmaal geen uitgaven om even snel van kaft tot kaft te lezen. Zo’n boek moet je een tijd kunnen wegleggen.

Interessant aan Morriën is onder meer dat hij betrekkelijk veel schrijvers ‘ontdekt’ heeft, en ook dat hij signaleerde hoe de Duitse literatuur van na de oorlog zich ontwikkelde. Maar daar is meer over te schrijven zijn als ik, bij gelegenheid, ook het eerste deel van Brood op de plank heb uitgelezen.

Ik begon met het tweede, omdat me de vraag intrigeerde hoeveel recensies ik van Morriën gelezen had, toen hij nog leefde. Mij stond bij dat hij voor NRC Handelsblad en Vrij Nederland weleens iets deed. En dat laatste bleek te kloppen.

Deel 2 van Brood op de plank begint in 1958. Het laatste opgenomen stuk dateert uit 1994. Maar het zwaartepunt in dit boek ligt duidelijk op het einde van de jaren vijftig, en het begin van de jaren zestig.

Dus is bijvoorbeeld te lezen hoe Morriën als éen der eersten Ik, Jan Cremer las, en op diens erotische opschepperij reageerde [een woest soort groepsturnen]. Hoe Judith Herzberg debuteerde, of Voskuil. Die daarbij dan wel meteen met Musil wordt vergeleken, zelfs al had hij zich vertild aan de roman Bij nader inzien. Het nawoord uit een verzamelbundel met werk van Jan Hanlo staat erin — éen van de zeer weinige stukken die ik al bleek te kennen. Jonge Duitse schrijvers kregen een introductie. De Franse literatuur werd niet vergeten.

En ook was boeiend om te zien hoe Morriën de klassieker Nooit meer slapen besprak, of welk boek er maar uitkwam van W.F. Hermans, omdat hij nu eenmaal die brouille met hem had.

van belang is niet of een schrijver misantropisch of menslievend is. Van belang is of hij in de werkelijkheid doordring op een wijze die de lezer niet als een moedwillige vereenvoudiging registreert, zelfs al erkent hij ook de werkelijkheid als een illusie. Richard kijkt niet verder dan zijn neus lang is, en hij doet dat met een te grote zelfverzekerdheid. [418]

‘Studies in zelfbeklag’. Over: Een wonderkind of een total loss?

En toch las ik deze verzamelde kritieken niet zo zeer om hun oordelen. Morriën deed namelijk zo af en toe meer algemene uitspraken, over de roman, of over de dichtkunst. En juist die opmerkingen bleek ik te hebben aangetekend:

Kleine volken en haastige tijdperken bezitten het voorrecht van de poëzie, maar missen de steun van een romankunst of een toneeltraditie waardoor men brede lagen van de bevolking voor de literatuur kan interesseren en de literatuur, zoals in Frankrijk, tot een zaak van nationale betekenis kan maken. [164]

scheiding

Niet de regering of de uitgever, maar de schrijver zelf is de Mecenas van de Hollandse literatuur. [241]

scheiding

‘Er zijn geen goede schrijvers’, beweert Hermans aan het begin van zijn boek. Maar enkele tientallen bladzijden verder windt hij zich vreselijk op over de Nederlandse critici die volgens hem de gewoonte hebben elk Nederlands boek met een verwijzing naar een zoveel beter buitenlands boek dood te slaan [312]

scheiding

Poëzie is aan slijtage en veroudering onderhevig. Wat nieuw en door zijn nieuwheid verrassend was, wordt bekend, vertrouwd, achterhaald. [317]

scheiding

Woorden als ‘welhaast’, ‘bijkans’, ‘doorgaans’, ‘steevast’, ‘voorts’, ‘vooralsnog’, ‘in zekere zin’ zien niet van de lucht, afkoelende woorden die in de jaren zestig in zwang waren bij de toenmalige journalisten

Als ik Meijer was zou ik proberen ze af te leren. Een boek knapt er altijd van op als je dergelijke woorden schrapt. [535]

Adriaan Morriën, Brood op de plank
Verzameld kritisch proza 2

red. Rob Molin
710 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1999

[x]

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

2 commentaren

Achille van den Branden  op 7 januari 2011 @ 14:44:13

Gewoon even melden dat achter ‘de Morriën-pagina’ de W.F. Hermans-blijkt te zitten.

boeklog.info  op 7 januari 2011 @ 17:02:22

Dat is het alfabet, en dit laat zich moeilijk dwingen. Bij verwijzingen naar meerdere auteurs wordt de alfabetisch eerste opgepikt, onder die link.

Maar, omdat vrijwel niemand die verwijzing gebruikt, wordt de toch al grote moeite iets beters te maken te veel.

En ja, alle tags met schrijversnamen moeten een keer worden getoond. En dat past dan weer niet prettig in deze opmaak, gezien bijvoorbeeld de bundels met Paris Review interviews. En zo blijft het compromissen sluiten.