Privacy in het internettijdperk ~ Brenno de Winter

► door: A.IJ. van den Berg

Privacy is een zeldzaam ingewikkeld begrip aan het worden — terwijl dit idee altijd al wat abstract was. De allersimpelste definitie luidt misschien dat privacy een recht is om met rust te worden gelaten. Maar ook die verklaring roept al de vraag op: met rust gelaten door wie, en van wat?

Zelfs als de discussie over privacy beperkt wordt tot wat op internet gebeurt met persoonlijke informatie, maakt dit het verhaal niet veel eenvoudiger.

Heel grof gezegd, spelen er zo al vier zaken dwars door elkaar heen.

Op internet zijn allerlei diensten gratis, zoals het bezoeken van een website, of het gebruik van een zoekmachine. Alleen wordt er wel degelijk voor dit gebruik betaalt, zoals onder meer Chris Anderson uitgebreid beschreef in het boek Free. Bedrijven kunnen goed verdienen aan internetgebruikers; al gebeurt dit dan met een omweg. Bijvoorbeeld door te kijken welke websites die mensen bezoeken, daar profielen van te maken; en deze profielen dan aan adverteerders te verkopen, opdat deze zeker weten dat hun reclame vervolgens gezien wordt door wie er belangstelling voor zal hebben.

Tegen dit soort zaken wil de overheid ons nu beter gaan beschermen; want niemand weet wat bedrijven over ons vastleggen; omdat zulke bedrijven in verre buitenlanden gevestigd kunnen zijn; met andere rechtsstelsels.

Maar tegelijk heeft diezelfde overheid afgedwongen dat al onze bezoeken, aan welke website ook, geregistreerd worden. Zodat dat wij onze internetaanbieders betalen om voor de Staat de gegevens te bewaren over met wie wij gemaild hebben. Dit zou dan weer om onze veiligheid zijn.

En dwars door dit alles heen is internet voor velen een verlengstuk van hun huiskamer geworden. Nu inmiddels iedereen online gaat, wordt ook alles er gedeeld. Menigeen die foto’s van zijn dronken feestjes op een webpagina deelt; niet wetende dat de hele wereld mee kan kijken; of dat wat eenmaal op internet staat daar moeilijk vanaf te krijgen is.

Het lidmaatschap van een sociaal netwerk als Facebook kan misschien wel worden opgezegd, maar daarmee blijven de foto’s en filmpjes gewoon op de servers van dat Amerikaanse bedrijf staan.

Dus pleiten activisten ineens voor een recht om vergeten te mogen worden — een recht dat bedrijven als Facebook, LinkedIn, of Google zouden moeten gaan eerbiedigen.

Inmiddels hebben Europese politici, waaronder die in de Europese Commissie, dit idee overgenomen. Eindelijk. Want, jarenlang was privacy een oninteressant onderwerp, waar geen eer aan te behalen was; mede omdat het zo complex was; en het niemand iets interesseerde. Met als gevolg dat politici blind allerlei technische maatregelen invoerden, waardoor ons hebben en houden nu in tientallen databases is vastgelegd. Meestal zonder dat ooit de meerwaarde van die opslag hoefde te worden aangetoond.

De protesten daartegen lijken eindelijk gehoor te krijgen.

Naast dit al hebben kwaadwillenden, door de privé-informatie die iemand online zet, het makkelijker dan ooit om iemands identiteit over te nemen. Waardoor ze, op kosten van een ander, fraude kunnen plegen. Identiteitsdiefstal is inmiddels een bloeiende tak van misdaad; waarbij de slachtoffers onmogelijk veel moeilijkheden te overwinnen hebben om gewoon verder te kunnen leven.

In zo’n landschap, met zijn vele onduidelijkheden, waarin van alles beweegt, komt dan dit boek uit. Privacy in het internettijdperk, dat werd geschreven door de ICT-journalist Brenno de Winter. En aan deze uitgave valt allereerst op dat De Winter geen partij wil zijn, in de vele mogelijke discussies over privacy.

Die afstandelijkheid is alleen al opmerkelijk omdat juist De Winter in 2011 aantoonde hoe ondeugdelijk de elektronische Openbaar vervoerkaart (OV-chipkaart) is, die in Nederland werd ingevoerd. Er bestaat namelijk inmiddels software waarmee iedere hampelman onzichtbaar de informatie op zijn, of haar, kaart zo kan wijzigen dat treinreizen daarmee gratis wordt.

Kleven er ook nog enige privacy-probleem aan de OV-Chipkaart. Zoals dat het bedrijf dat de kaart exploiteert de reisbewegingen van gebruikers voor zes of zeven jaar bewaart. Of dat wie anoniem met het openbaar vervoer wil, dan geen gebruik meer kan maken van de gebruikelijke kortingregelingen.

Maar in dit boek is De Winter juist heel terughoudend in wat hij schrijft over de OV-Chipkaart. En wat hij aanstipt, maakt hij vervolgens universeel. Het meest wezenlijke probleem van de OV-Chipkaart kan namelijk weleens zijn dat er zo meteen geen alternatief meer voor bestaat. Dus wordt iedereen in Nederland verplicht een systeem te gebruiken waarvan al voor de landelijke introductie duidelijk is dat het niet deugde.

Privacy in het internettijdperk toont de afstandelijkheid van de onderzoeksjournalist, die allereerst informeren wil. En uit het vele waar De Winter over informeren kon, zoals gezegd, heeft hij twee elementen gekozen.

De eerste is hoe de bescherming van de persoonlijke levenssfeer juridisch geregeld wordt. Waarbij hij onder meer uitlegt dat Europa anders aankijkt tegen privacy als de VS — en dit geen gegeven is om onverschillig aan voorbij te gaan, omdat op internet geen grenzen bestaan. Amerikaanse bedrijven zijn ook hier bijzonder actief.

En zelfs deze website wordt in de VS gehost.

Van mij had De Winter bij het uitleggen van een verschil als dit iets abstracter mogen worden, en de verschillen tussen ‘common law’, ofwel het gewoonterecht in Angelsaksische landen, en ons Romeinse en Napoleontische systeem er bij mogen halen. Maar, dat is zo’n opmerking die alleen gemaakt kan worden, omdat ik de materie ken.

Net zo vind ik De Winter wat voorzichtig in zijn behandeling van de Europese richtlijnen voor de databescherming, juist omdat deze regels momenteel herzien worden, en er daarom debat over is, met toch vrij fundamentele verschuivingen. Al heeft tegelijk niemand wat aan speculaties over de ontwikkelingen in deze; en maakt dat zijn terughoudendheid logisch. En politici zijn nu eenmaal alleen op hun daden te beoordelen, niet op hun woorden.

De tweede helft van Privacy in het internettijdperk is gewijd aan veiligheid, en het goed omgaan met gevoelige informatie. In dit boekgedeelte staan ook de tips voor organisaties, of managers, die met privacy moeten omgaan.

Die tips zijn ook breed gevariëerd. Ze beginnen er mee dat het ingewikkeld is om achteraf nog informatie te gaan beschermen — privacy-aspecten horen bij elk ontwerp van elektronische systemen, van welk niveau ook, vanaf het begin te worden meegewogen.

Uitgebreid wordt ingegaan op de veiligheid van data, en de vele niveaus waarop het daarmee mis kan gaan.

En het boek eindigt dan, opvallend, met een bijna activistische checklist vol tips voor de lezer om zo anoniem mogelijk online te kunnen gaan.

Want, dat blijft toch nog steeds het merkwaardige aan dit hele onderwerp. De voorhoede die wel iets begrijpt van privacy, heeft zich vaak ook bezig gehouden met hoe overheden internet gebruiken om de hen onwelgevallige stemmen te smoren; en wist daar dan tegenmaatregelen voor te verzinnen.

Principiële uitspraken over privacy zijn ook nog altijd absolute uitspraken; die terugverwijzen naar zaken als wat mensenrechten zijn, en hoe zorgvuldig daar mee om zou moeten worden gegaan.

Wie internet anoniem gebruiken wil, volgt nu bovendien niet alleen het spoor van dissidenten, maar net zo goed van criminelen die ontdekking willen voorkomen.

En van die associatie, het idee dat nadruk op privacy iets geheimzinnigs is, van mensen die iets te verbergen hebben, daar zouden we nu toch eens af moeten. Brenno de Winter heeft alleen al door het schrijven van dit boek, hoe neutraal verder ook, die stelling ingenomen; door uit te leggen.

[wordt vervolgd]

Brenno de Winter, Privacy in het internettijdperk
158 pagina’s
Academic Service, Sdu uitgevers, 2011
isbn: 978 90 12 58241 4
€ 24,95

[x]opgenomen in het dossier: ,


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden