Levende have ~ Koos van Zomeren

► door: A.IJ. van den Berg

Toen Koos van Zomeren ophield met zijn korte columns op de voorpagina van NRC Handelsblad, verschenen zijn stukken elders in die krant. En van het ene moment op het andere verdween de dwang om ze te moeten lezen.

Dus liet ik dat na.

Van Zomeren’s kwaliteiten komen ook niet zo tot hun recht in de krant, met alles wat daarin voor nieuws doorgaat. Zelfs al brengen de bijlagen dan tijdlozer materiaal. Want, blijft hij te verbaasd over alles wat hij ziet. En bij deze verwondering passen dan weer geen hard verwoorde opinies, of een snelle duiding van hijgerig gebracht nieuws.

In De levende have is twee jaar aan reportages verzameld, die tussen september 2001 en 2003 wekelijks in de krant verschenen. Van Zomeren begon een klein half jaar na de grote mond- en klauwzeerepidemie [MKZ], waarvoor honderdduizenden koeien geruimd werden. Ook al was er een vaccin. En is MKZ geen ziekte om dood van te gaan. Maar economische overwegingen gingen voor; Nederland moest kunnen blijven exporteren.

Tijdens de twee jaar dat van Zomeren rondkijkt, breekt de vogelpest uit. Dat gaat de belastingbetaler 400 miljoen euro kosten, omdat er miljoenen kippen worden afgemaakt.

En eenzelfde dreiging hangt onuitgesproken in het hele boek. Er wordt met boerderijdieren gedaan. En al gaat de auteur vooral kijken op plaatsen waar alternatieve methoden worden uitgeprobeerd om beesten te houden; ook onuitgesproken houden die een kritiek in op wat er elders gebeurt. Want, als hij ergens dan wel blij om kan worden, is het om de mensen in hun contact met de dieren.

Andere reportages gaan over wat er Nederland nog is aan natuur. Een populatie kanoeten, die zo sterk is afgenomen doordat de Waddenzee een wingewest werd voor schelpenvissers. Van Zomeren kijkt op vliegveld Twente, hoe daar wordt geprobeerd om torenvalkjes uit de luchtinlaat van straaljagers te houden.

Dan zijn er nog tal van portretten. Zoals van het Zeeuwse echtpaar dat een kanoet als huisdier opnam. Hij keek bij de boer met het koeienstoplicht.

En Van Zomeren’s oude hond, die in zo veel van zijn werk figureerde, is dood. Dus kwam er een nieuwe. Dat zijn baas daaraan wennen moet, wordt ook beschreven.

Eigenlijk deed de schrijver in De levende have niet heel anders dan in zijn korte columns uit het begin van de jaren negentig. Behalve dan dat ene reportage nu drieënhalve pagina telt, en niet slechts éen. Soms bood die ruimte voordelen, maar ook las zo’n stuk weleens als een wat lang uitgevallen column.

Mooi is in elk geval dat dit boek soms even het gemis goedmaakte dat er nog altijd is, sinds hij die columns niet meer schrijft.

Koos van Zomeren, De levende have
Een modern bestiarium

429 pagina’s
De Arbeiderspers, 2004

[x]