Blinde reus ~ Hans Ree

► door: A.IJ. van den Berg

Iedereen klaagt altijd over de overheid, maar niemand doet er iets aan. In die zin is wat de gemeente uitvoert, of het kabinet, zoals het weer. Er vindt van alles plaats, perfect voorspellen wat er gaat gebeuren, lukt bijna nooit, en je moet het allemaal maar over je heen laten komen; als je pech hebt.

Niet altijd kan ik het opbrengen zo lankmoedig te kijken naar de boven mij gestelden. Redelijkheid helpt niet, als er met mijn grondrechten gesold wordt; om een voorbeeld te noemen. Tegelijk heeft kwaadheid alleen zin als die tot samenwerking leidt, en een groot en goed gehoord collectief protest. En ook tegen die gezamenlijkheid verzet zich veel in mee. Waardoor er niets gebeurt.

In het lijstje met vormende boeken dat ik ooit opstelde, had het werk van Hans Ree niet mogen ontbreken. Zo besef ik nu, na het lezen van een tweede algemene bundel in korte tijd.

Op zijn best ontrekken de columns in De blinde reus zich aan de beperkingen van het krantenstukje. Tijdloze beschouwingen blijken het dan te zijn geworden. Waaruit door sommige details wel blijkt dat die zich in de jaren tachtig afspeelden, of dat ze geschreven zijn door een Nederlander. Maar die details doen zelden af aan de universele geldigheid van wat Ree beschrijft.

Bij herlezing maakten vooral de stukken indruk over de waanzin van de bureaucratie in Nederland, en hoe individuen geleerd hebben om zich daar tegen te verzetten; wat vooral gebeurt door de blinde reus te negeren.

En ooit las ik zulke beschouwingen dus nog met ongeloof, voordat het leven erover heen kwam, en alles nog ernstiger bleek te zijn.

Ree valt in deze bundel onder meer over onderzoek van Stephen Jay Gould, en anderen, wat zou aantonen dat sporters geen ‘hot hands’ kunnen hebben. Want statistisch is gewoon niet aan te tonen dat de ene succesvolle score de volgende oproept. Wat wel bestaat, is dat wij nu eenmaal altijd overal patronen in zien, dus worden scoringsreeksen overdreven.

Ree vindt die weerlegging van Gould niets, zonder met een goed tegenargument te komen. Maar ik heb dat focussen op statistiek altijd een te vergaande reductie gevonden van de levende sport naar dode cijfers. Al kan ik weinig anders tegenover Gould zetten dan het simpele geloof dat iemand die makkelijk scoort in een wedstrijd alleen daardoor weleens meer scoringskansen kan gaan opzoeken. Desnoods met het risico om daarbij te missen.

En om zoiets in cijfers te vatten, zijn er reeksen andere cijfers nodig. Wat zo’n sporter normaal doet bijvoorbeeld, en hoeverre die ene goede wedstrijd daar van afwijkt. Zoals: hoe veel balbezit zo’n sporter ditmaal heeft, ten opzichte van de mediaan?

Hans Ree, Een blinde reus
191 pagina’s
Meulenhoff, 1989

[x]