Meine Preise ~ Thomas Bernhard

► door: A.IJ. van den Berg

Hoeveel jaren gaan Thomas Bernhard en ik nu terug? Zijn dood in 1989 kwam als een schok — dus toen las ik hem al. Zijn testament, en de manier waarop hij Oostenrijk daarin verketterde was meesterlijk. Waarmee mijn bewondering nog weer groeide.

En als studentje heb ik nog een biografisch werkstuk over hem geschreven; dat me toen het beste leek dat ik ooit geschreven had. Er sprak in elk geval enige passie uit, voor het werk.

Gelukkig is die tekst inmiddels nergens meer te vinden.[1].

Sindsdien trad verwijdering op. Zijn romans kan ik niet kritiekloos meer lezen; de litanieën daarin, altijd en eeuwig, zijn me te zeer een stijlfiguur geworden in plaats van een wezenlijke klacht. Elke klacht verliest aan kracht bij voorspelbaarheid.

Dus roepen zijn boeken bij mij allereerst de vraag op: doorzie ik Thomas Bernhard inmiddels te goed?

En op zich zou dat jammer zijn, ware het niet dat zijn boeken me ooit wel degelijk iets hebben gegeven. Dat al meer is dan de meeste schrijvers bereiken.

De bundel Meine Preise verscheen postuum, voor het eerst, in 2009, onder grote kritische bijval. Vertalingen, zoals naar het Engels of het Nederlands, kwamen er gauw. De grootmeester had zich weer eens op zijn best getoond, zo ging de mare. Toch duurde het lang voor ik het boek lezen wilde.

Meine Preise zou me namelijk vooral de Thomas Bernhard geven waar ik het meest op uitgekeken was; de zo makkelijk gekwetste dwarskop, die futiele strubbelingen voor een leuk effect zou opblazen tot drama.

Dit bleek vrijwel steeds zo te zijn. Bernhard vergroot in dit boek telkens prettig de confrontatie uit tussen hem, de eenkennige schrijver, en de jury’s van literaire prijzen, en hotemetoten die bij de plichtplegingen komen opdraven — voor wie de literatuur er niet echt toe doet; maar cultuur hoort er nu eenmaal bij; dus loont het bij zulke gelegenheden gezien te worden.

Daar zaten de verrassingen dus niet, in deze bundel. Al is de taal waarin alles beschreven wordt fraai, en moest ik soms glimlachen.

Slechts eenmaal raakte Bernhard iets meer. En dat is als hij beschrijft hoe hij voor het geld van de Julius-Campe-Preis meteen, zonder te pingelen, zijn eerste auto koopt. Een witte Triumph Herald, met notenhouten dashboard, en rode bekleding. En dan zijn het die paar pagina’s van zeldzaam extatisch geluk die me deugd deden. Zelfs al is bij Bernhard duidelijk dat zoiets nooit lang kan duren, voor het noodlot, en de treurigheid weer toeslaat.

Dat hij vrij snel een auto-ongeluk kreeg, was bijna voorspelbaar.

Thomas Bernhard, Meine Preise
139 pagina’s
Suhrkamp 2010, oorspronkelijk 2009
  1. Toch niet. Het curiosum bleek gewoon in mijn digitale archief bewaard te zijn, en staat thans in al zijn onbeholpenheid ook op boeklog. []

[x]