Gele trui tegen wil en dank ~ Jan Cottaar

► door: A.IJ. van den Berg

Als het Nederlandse wielrennen ooit een gouden tijd heeft beleefd, dan was dat in jaren 1977 – 1982. En wie indertijd, zoals ik, net in die tijd de koers is gaan volgen, zit voor de rest van zijn leven opgescheept met melancholie. Wat ooit vanzelf sprak, gebeurt namelijk niet meer. Landgenoten worden weliswaar nog altijd heel hoog geschreven in de nationale media. De hoge verwachtingen die op hen rusten, lijken me onzinnig. Als ze winnen, is dat bijzonder, en geen wetmatigheid als toen.

Indertijd verscheen ook deze jeugdroman, over de Ronde van Frankrijk, van de oud-journalist Jan Cottaar. Geen idee of ik het boek indertijd heb gelezen.

Wel is er een sterke herinnering aan deze roman door de woorden die Tim Krabbé er ooit aan wijdde — waarbij hij keek of andere sporten dan voetbal zich leenden voor een jongensboek.

Dertig jaar na eerste publicatie vallen onmiddellijk enkel zaken op aan het boek. De eerste is dat de door het boek fietsende profs allemaal uit de traditionele wielerlanden komen, en dus Europeanen zijn. Er is weliswaar een exoot in het peloton, maar die komt uit Griekenland. Bovendien fietsen zij voor naamloze ploegen. Sponsoring lijkt niet bestaan. Land van afkomst is ineens het onderscheidende criterium.

En daarmee negeert Cottaar vrijwel alle mediacircus rondom de Tour. Als hij media opvoert, is dat om wat een dag later in de krant staat. Al wordt niet vergeten dat de Ronde van Frankrijk georganiseerd werd door een krant, en de Tour-directeur graag eens een stuk schrijft dat de heroïek van de wedstrijd benadrukt.

In die Tour-directeur herkent de wielervolger Félix Lévitan. Net als dat ook in de andere personages bestaande personen zijn te zien. Hoofdpersoon Bart Roest is deels gebaseerd op de renner Johan van der Velde. Zijn kopman, de Fransman André Bourillon, gelijkt Bernard Hinault; om diens jacht op een vijfde overwinning in de Ronde.

De roman heeft uiteindelijk slechts honderd pagina’s over voor de Tour de France waarin Bart Roest de meesterkecht mag zijn van Bourillon. En er dan gebeurt wat al in de titel verraden wordt.

Maar die Gele trui tegen wil en dank is het enige opmerkelijke aan het verhaal. Cottaar kon als schrijver alles laten gebeuren in de verzonnen reeks etappes, en hij maakte daar een vrij nietszeggend spel om seconden van.

Jongensboeken versimpelen natuurlijk de werkelijkheid, tot een reeks sjablonen. Zo simpel als nu hoefde het verhaal voor mij alleen ook weer niet te worden.

Ondanks alle informatie over het profwielrennen die Cottaar ook in het boek gaf — en goed, hij is eerlijk over de combines die ploegen tegen elkaar smeden — deed het boek me erg denken aan boeken zoals ze in het begin van de twintigste eeuw geschreven worden. Ofwel, romans uit Cottaars eigen kindertijd.

Jan Cottaar, Gele trui tegen wil en dank
272 pagina’s
Elsevier-Van Goor, 1981

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden