Renner | 2 ~ Tim Krabbé

► door: A.IJ. van den Berg

Elders schrijf ik De renner ieder jaar te herlezen. Dat is iets overdreven. Er gaat weleens een jaar voorbij zonder. Tegelijk zal er geen boek zijn dat ik vaker herlezen heb dan deze roman — of hoogstens een enkel stripalbum uit mijn jeugd.

En wat maakt dan dat De renner zo eminent herleesbaar blijft?

Als ik in de zomer van 2011 niet zo veel over fietsen had gelezen was het argument misschien niet eens in me opgekomen. Maar fietsboeken horen een persoonlijk verslag te geven van hoe het was om op dat ding te zitten. Verslagen van buitenstaanders, hoe geïnformeerd ook, zijn te weinig doorleefd.

En De renner is zo’n persoonlijk verslag, zij het vanzelfsprekend geromantiseerd. Waarin de hoofdpersoon, die dezelfde naam als de schrijver draagt, niet alleen vertelt over hoe hij een wedstrijd rijdt, maar ook hoe hij tot het hardfietsen kwam.

Daarnaast vertelt hij ook anekdotes over de koers van een meer algemene geldigheid.

Wat me ditmaal opviel bij het lezen, is de ongelooflijk grote hoeveelheid wedstrijden die Krabbé aangeeft te hebben verreden. Hij begon pas in de zomer 1972, als 29-jarige te koersen. Wedstrijd 308 vond plaats op 19 juni 1977 [1]. Dat zou dus een gemiddelde van ruim meer dan éen koers per week zijn. Daar spreekt een enorm fanatisme uit.

De wedstrijd in het boek vindt een week later plaats, op 26 juni 1977.

Deze leesweken leerden me dat vrijwel niemand zo goed in staat is om aan te geven hoe het fietsen ís. Zelfs al klopt de roman logisch gezien niet; zoals ik al eerder aangaf.

Op pagina 33 legt Krabbé uit:

Je bewustzijn is klein op de fiets. Hoe zwaarder de inspanning, hoe kleiner. Iedere beginnende gedachte is meteen helemaal waar, iedere onverwachte gebeurtenis is iets dat je altijd al geweten had maar even vergeten was. Een doorhamerende zin uit een liedje, een steeds opnieuw begonnen deelsom, een uitvergrote boosheid op iemand is voldoende om je gedachten te vullen.

Wat tijdens de wedstrijd ronddraait in het hoofd van de renner is een monolitische kegel, zó glad, zó egaal, dat je niet eens kunt zien dat hij draait. […]

Tegelijk lijkt het of de wedstrijd in de roman telkens aanleiding is voor de hoofdpersoon om hardop na te denken wat er gebeurt.

Die gedachtegang blijft overigens prettig onvoorspelbaar — zelfs al ken ik inmiddels alle anekdotes wel. Net als dat het wedstrijdverloop altijd weer nieuw blijft, op de afloop na.

Dus is er altijd weer voldoende te beleven aan het boek, naast dat het dus waarheden toont over het fietsen die weinig schrijvers zelfs maar benaderen. En dat maakt De renner altijd weer nieuw.

* update 15 iii 2012, lees ook: ‘de leegheid van die levens’

Tim Krabbé, De renner
130 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker 1987, 1978 oorspronkelijk
  1. zie bladzijde 46 []

[x]opgenomen in het dossier: