Kroniek van een karakter, deel 1 ~ Jeroen Brouwers

► door: A.IJ. van den Berg

Eerder benoemde ik hier eens een bloemlezing uit de brieven van Jeroen Brouwers [1940] tot lievelingsboek. Nochtans staat in die uitgave hoogstens een kwart van de tekst die de twee oerbundels, met dezelfde titel, aan epistels bevatten.

De bladzijden van de oeruitgaven zijn bovendien aanzienlijk groter dan in dat anthologietje uit de reeks privé-domein. En deze boeken zijn opvallend vol. In Deel 1 neemt bijvoorbeeld het jaar 1981 alleen al bijna honderd pagina’s in beslag aan correspondentie.

Hoe kan een bloemlezinkje uit die vermaledijde serie privé-domein dan meer te bieden hebben dan de bron? Heb ik op boeklog niet regelmatig geklaagd over de rare keuzes die de samenstellers van de delen privé-domein maken? Omdat die zo vaak wel heel veel wegsnijden uit een overvloed?

Ik vermoed dat mijn voorkeur voor dat enkele boek vooral te maken heeft met mijn leesgedrag. Die bloemlezing uit de Kroniek van een karakter levert een boek op dat me op een avond een paar heerlijke en intensieve uren lezen brengt. Alle emoties uit een klein decennium van een schrijversleven komen dan langs, in een levend Nederlands waar ik zeer van geniet. Zulk lezen is gelijk een achtbaanrit.

De oerboeken, met dezelfde titel, dwingen tot een veel langere en intensievere leesreis, met vele halteplaatsen onderweg. Waartoe er lang niet altijd lust is bij mij om verder te gaan.

Jeroen Brouwers acht ik hoog als schrijver — van brieven en andere spontane teksten weliswaar. Maar te veel Brouwers valt op een gegeven moment moeilijk meer weg te slikken. Hij is iemand met stevige stokpaarden, die bovendien zelden op stal blijven, en na een tijd is al bij opkomst voorspelbaar dat ze niet zullen huppelen, maar gaan stampen.

Desalniettemin werd het tijd om de beide oerbundels met brieven weer eens te lezen. Omdat mijn reactie op bepalende boeken als deze — want dat waren ze ooit zeker — ook iets zegt over mijn eigen ontwikkeling.

Zo knorde ik in 2011 ineens nogal op een polemisch geschrift van Brouwers — waarin hij uitlegde waarom hij de Prijs der Nederlandse Letteren uiteindelijk wel weigeren moest. Daardoor was mij duidelijk dat me inmiddels bij deze schrijver kon vervelen wat ik ooit erg aantrekkelijk aan zijn werk had gevonden.

Brouwers eeuwige klaagzang is dat hij onvoldoende gewaardeerd wordt. En dat ligt dan natuurlijk niet aan hem. Terwijl bijvoorbeeld deze boeken nu juist illustreren dat Brouwers zich in brieven en andere teksten weliswaar duchtig weert. Maar verder komt hij nauwelijks het erf af, van zijn woning in de Achterhoek.

Tegelijk weet hij heel goed dat hij om een bestseller te scoren — volgens mij de enige erkenning hem nooit ten deel gevallen — ook een handelsreiziger in zichzelf moet worden. Elk hoofd dat met regelmaat op televisie verschijnt, verkoopt beter dan een schrijver die slechts een naam op een kaft blijft; zelfs al kan dat televisiehoofd geheel niet schrijven.

Brouwers acht zich karakterologisch niet tot zulke publieke optredens in staat.

Het herlezen van deze bundels was voor mij een test. Ooit hebben Brouwers’ brieven voor mij een toon gezet. Hij was zoals ik meende dat een schrijver zijn moest. Zijn sterke opinies over het vak hebben mijn blik gevormd. Zo zal ik nooit een woord van Jan Siebelink kunnen lezen, zonder daarbij de vloek te horen die Brouwers uitsprak over deze auteur. Siebelink was al een onbetrouwbaar ijdel klootzakje geworden door deze boeken, voor ik bijvoorbeeld wist had van zijn plagiaat.

Thans nader ik bovendien al aardig de leeftijd die Brouwers had in 1986, toen hij deze verzameling correspondentie bundelde. Dit maakt dat ik zijn woorden anders lees dan een kleine vijfentwintig jaar geleden. Tegenwoordig zit er bijvoorbeeld minder strijd in mij. Niet omdat ik geen fel uitgesproken ideeën meer zou hebben — het tegendeel is eerder waar. Maar eerder omdat ik ervaren heb dat sommige ergerniswekkende zaken nooit zullen veranderen; wat het dan onnozel maakt om er energie aan te verspillen.

Dat zo vaak de meeste aandacht van het publiek uitgaat naar iets dat die attentie niet waard is, daar kan ik me niet meer druk om maken.

In 1976, bij het begin van Kroniek van een karakter had Jeroen Brouwers redenen genoeg om zich een miskend schrijver te voelen. Zijn hele oeuvre was net daarvoor kansloos verramsjt bij De Slegte. En hij was in eigen land nog zo onbekend dat velen meenden dat hij een Vlaams auteur zou zijn; mede omdat hij lang in België had gewoond.

De boeken beginnen met zijn terugkeer naar Nederland. Als hij zijn vorige vrouw en kinderen verlaten heeft, en een nieuwe stap zet, met een andere echtgenote.

Beide brievenboeken vallen uiteindelijk prettig genoeg samen met de tijd waarin de schrijver eindelijk doorbrak. Hij zal een paar bepalende boeken schrijven. [1] Zijn naam wordt ook buiten literaire kringen bekend vanwege een stevige polemiek.

wordt later vandaag vervolgd

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter. Deel 1
1976 – 1981
de Achterhoek

400 pagina’s
Uitgeverij H, 1986
  1. De nieuwe Revisor (pamflet), 1979
    Kladboek (essays), 1979
    Het verzonkene (roman), 1979
    De bierkaai. Kladboek 2 (essays), 1980
    Bezonken rood (roman), 1981
    De laatste deur (essays), 1984
    Winterlicht (roman), 1984
    De levende stilte van Stig Dagerman (essay), 1985
    Hélène Swarth: haar huwelijk met Frits Lapidoth, 1894-1910 (essay), 1985
    De zondvloed (roman),1988 []

[x]