Tomorrow, we ride ~ Jean Bobet

► door: A.IJ. van den Berg

In Britse kritieken werden deze memoires gauw eens vergelijken met de roman De renner van Tim Krabbé. Omdat beide boeken zo goed zouden vertellen hoe het ís om op niveau te wielrennen.

Ik vond die vergelijking meer vertroebelen dan verhelderen. Gemeenschappelijk hebben de boeken dat ze over fietsen gaan, en dit onderwerp middels vele losse fragmenten te behandelen — om dan toch telkens op het hoofdonderwerp terug te komen. Verder is De renner al een klassiek sportboek, en heeft Demain, en roule… werkelijk alles om dat ook te worden. Maar een fundamenteel verschil is alleen al de scope van de schrijvers. Krabbé was nooit meer dan een fanatieke liefhebber, voor Bobet was wielrennen enkele jaren zijn bestaan.

Jean Bobet werd weliswaar geen topper. Maar hij was goed genoeg om enige jaren als prof te fietsen. En hij heeft wel de etappekoers Parijs – Nice gewonnen, en elders mooie ereplaatsen gehaald.

Al is voor het boek nog belangrijker dat Jean Bonet het jongere broertje was van Louison Bobet [1925 – 1983] — en dat de eerste renner werd die drie keer op rij de Tour de France wist te winnen, en nog zo veel wedstrijden meer als eerste afsloot.

Tomorrow, We Ride is evenwel geen pure biografie van Louison, noch die van Jean Bobet; al gaat het boek wel grotendeels over de schrijver. Volledigheid wordt namelijk niet nagestreefd in de levensbeschrijvingen. In het boek kijkt de auteur allereerst terug op hoe het wielrennen was in de jaren veertig en vijftig. Hoe de boel georganiseerd werd. Wat iemand moest doen om professioneel wielrenner te worden. Wat het dan betekende om prof te zijn. En hoe het was om dezelfde stiel te beoefenen als je veel succesvollere broer. Waardoor het uiteindelijk iedere keer nog als een geschenk voelde als Louison op zaterdag tegen hem zei morgen een eindje om te willen.

Om vervolgens de ene keer te schrijven dat fietsen een te harde stiel is om als student of kantoorman nog eens aan te beginnen — Jean had als bijnaam ‘de professor’, om zijn bril, en zijn graad in de Engelse taal en letterkunde. En om een volgende keer jubelend te beschrijven hoe fietsen soms als vliegen voelt.

Een dramatisch hoogtepunt in het boek, dat misschien wel te weinig ruimte krijgt, is de Tour de France van 1955. Die werd gewonnen door Louison Bobet, met zijn broer als knecht in zijn team. Maar dit is een keerpunt om een andere reden dan die zwaarbevochten winst. Jean Bobet maakt mee hoe zijn broer zich in deze etappewedstrijd waarschijnlijk over de kop rijdt. En mede om een wond op zijn zitvlak zijn gezondheid voor heel lang ondermijnt.

Dus is dat keerpunt ook een drama omdat de medische verzorging in die dagen zo veel minder was als wij het nu gewend zijn. Jean Bobet verloor eens een heel seizoen omdat hij last had van een lintworm. Dat zou nu geen renner meer overkomen, zoals ook hij opmerkt.

En dat is heel mooi aan dit boek. Aan de ene kant verheerlijkt Bobet de jaren dat zijn broer éen van vier grote renners was die de grote prijzen zo’n beetje onderling verdeelden. Maar hij ziet tegelijkertijd dat Coppi, Kubler, Koblet, en Bobet legendarische renners konden worden omdat ze succes scoorden in de verder aan evenementen zo schrale jaren na de oorlog. En dat vervolgens voor iedere generatie andere voorwaarden gelden.

Jean Bobet, Tomorrow, We Ride
191 pagina’s
Mousehold Press 2010, oorspronkelijk 2008
vertaling van Demain on roule…, 2004

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden