Verhaal van mijn rampspoed ~ Pierre Abélard

► door: A.IJ. van den Berg

Vaak, heel vaak, is me tijdens mijn studie geschiedenis verteld over de castratie van Pierre Abélard [1079 – 1142]. Dat was een Franse theoloog en geestelijke, die wat kreeg met een veel jongere pupil genaamd Héloïse.

Alleen leefde Héloïse bij een oom in huis die kanunnik was, en die hun liefde een schande vond. Ook al omdat Abélard sluw bij hen op kamers was komen wonen, en beloofd had zich als mentor over de ontwikkeling van het meisje te bekommeren.

Héloïse raakte vervolgens zwanger. En kreeg een zoon.

Daarop gaf oom-lief opdracht de aanstichter van deze ellende passend te straffen.

Bekend was me vooral dat Abélard en Héloïse vele brieven hebben gewisseld, nadat ze gescheiden van elkaar verder leefden. Zij in een klooster, wat ze niet wilde, maar omdat Abélard dit zo beslist had. En het zijn die brieven waardoor hun namen, plus hun geschiedenis ons nog bekend kan zijn. Plat gezegd komt dit mede omdat er verder niet veel nog bestaat uit de elfde en twaalfde eeuw dat enige kwaliteit heeft, laat staan zo uitzonderlijk goed is.

Eén lange brief van Pierre Abélard, die hij overigens niet rechtstreeks aan Héloïse richtte, is te lezen als een autobiografie. Abélard schreef dat verhaal zo’n tien jaar voor zijn dood. En hij keek daarbij terug op een leven waarin haast alles hem overkomen was, en alle rampspoed voortkwam uit de jaloezie van anderen.

Die brief bleek vooral interessant om de feiten die nieuw waren voor mij. Zo werd bij de mannen die waren ingehuurd om Abélard te ontmannen als straf ook het zaakje eraf gesneden. Bovendien werd hen de ogen uitgestoken.

Ook vond ik de formulering aardig dat Abélard’s die eerste tijd tijdens de lessen gauwer zijn handen uitstrekte naar Héloïse haar borsten dan naar dat andere studiemateriaal.

Voor de rest is het vrijwel onmogelijk om zo’n tekst als deze te wegen — zelfs niet met de aanwijzingen van de vertaler István Bejczy erbij.

Weliswaar heet zo’n autobiografische brief in het jargon een ego-document. Maar wat weet ik over het ego van een Middeleeuwer als Abélard? Die God nog wel als Schepper zal hebben ervaren, en alziend, en almachtig. Wiens kennis over de wereld zo anders in elkaar zat dan de mijne.

Dat iemand opschept over zijn kwaliteiten en veroveringen lijkt me overigens op zich wel van alle tijden. En Abélard is soms behoorlijk aan het opsnijden in brief — ook al om te verklaren waarom iedereen altijd zo jaloers op hem was.

Heden ten dage zouden we al dat macho gedrag noemen. En dat er mensen zijn die alles wat hun overkomen is aan anderen verwijten, lijkt me evenmin een vreemd of historisch verschijnsel. Of dat vrouwen gebruiksgoederen zijn, is nog altijd voor menig man een peiler onder zijn cultuur.

Abélard schijnt in zijn egocentrisme vaak net een mens van nu. En misschien dat deze recente vertaling uit het Latijn daaraan bijdraagt. Toch kan dat niet echt.

Pierre Abélard, Het verhaal van mijn rampspoed
Vertaald en ingeleid door István Bejczy

95 pagina’s
Ad. Donker, z.j.

[x]


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden