Ikarusblau ~ Greet Andringa

► door: A.IJ. van den Berg

Nog niet eens zo lang geleden veranderde er iets fundamenteels aan de hele mensheid. Pas sinds het einde van 2008 wonen er meer mensen in de steden dan op het platteland. En dat is een verandering die goed te begrijpen valt. Zelfs de allerarmsten hebben een beter leven in de stad dan op het platteland, omdat ze er meer voorzieningen met anderen kunnen delen. Want die voorzieningen zijn daar tenminste.

De ontwikkeling dat mensen naar de steden trekken is ook niet nieuw. Stadsleven was alleen al die duizenden jaren lang zo ongezond dat de meeste mensen er te vroeg dood gingen. Steden konden pas in de twintigste eeuw in grootte exploderen, toen er zoiets elementairs als schoon drinkwater beschikbaar kwam, het riool werd uitgevonden, en er goedkope methoden waren bedacht om het eten hygiënisch te bewaren.

Ik heb nog altijd het idee dat dé grote Friese roman, zo die ooit geschreven kan worden, iets met dit oerthema zou moeten doen. En over die trek van de periferie naar het centrum hoort te gaan. Simpelweg omdat schrijvers vaak intelligent genoeg zijn om iets gestudeerd te hebben, en zo’n studie voor een Fries al gauw betekent dat hij of zij de provincie uit moet, eenmaal achttien jaar geworden. Waarna het voor de meesten vervolgens vrijwel onmogelijk blijkt te zijn om terug te keren. En er toch die emotionele verhouding tot de geboortegrond blijft bestaan. Er die taal kan zijn, bovendien, van thuis, die nergens anders nog nut heeft.

Iets van dit ideaal zag ik terug in de Friestalige roman Ikarusblau, van Greet Andringa (1971), maar dan toch heel anders dan gedacht. En gelukkig ook maar.

Deze uitgave is al haar vierde boek. Nadat ze met een verhalenbundel debuteerde, de roman Libben reach publiceerde 2008, en het geschenkboek schreef voor de Maand van het Friese boek in 2010.

Ikarusblau biedt een terugkeer naar het Friese platteland uit een jeugd. Alleen waren de omstandigheden daar niet helemaal Fries, en zeker niet eeuwig; eerder slechts typisch voor de jaren zestig en zeventig. Eén van de kernvragen in het boek is namelijk hoe het erom toe ging in een commune vol idealisten in een boerderijtje buitenuit. En hoe een kind daar opgroeit tussen mensen die allemaal een tik van de zweefmolen lijken te hebben gehad. Waarbij vader er telkens nieuwe vriendinnen op na houdt, niet zelden zelfs meer dan éen tegelijk, en moeder vooral omgaat met iemand die vader niet is.
 

Zonder kwaal geen verhaal
De hoofdpersoon in dit boek heet Tys. En Tys is geen gelukkige man. Hij werkt als wiskundeleraar op een middelbare school in de stad. Dat werd hij niet uit roeping. Ooit waren er grote plannen om een baanbrekende dissertatie te schrijven. Alleen bleef dat erbij, en werd die ambitie begraven.

Bovendien is Tys minder gezond dan zou kunnen. Hij kropt zijn onvrede op, waardoor hij weleens onmachtig wordt door hyperventilatie.

Overigens is er met vrijwel alle mannen in de roman wel wat mis. Wat enerzijds natuurlijk nodig is om een verhaal te krijgen. Maar anderzijds alle vrouwen wel erg praktische en grootmoedige wezens maakt.

Tys heeft een lief, genaamd Immy. En zij zorgt ervoor, met zachte hand, dat Tys eindelijk eens met zijn vader gaat praten over dat verleden, in die commune. Die plek waar alles mocht, en iedereen welkom was, en de liefde vrij werd rondgedeeld.

Tegelijk weet Tys heel goed niet uit een paradijs te komen. Ooit leefde er namelijk een ander kind in de commune. Een jongen met de naam IJsbrand, die iets ouder was als hem. En die toch even makkelijk weer werd uitgestoten, toen hij niet leek te deugen, als hij was opgenomen. Het jong had zijn naam ook niet mee. [1]

Bovendien ligt er het harde feit dat Tys zijn moeder jong gestorven is. En dat hij dit zijn vader verwijt. Omdat hij met zijn gezweef haar de gang naar de dokter belette. Waardoor een op zich simpele kwaal, die tegenwoordig met een injectie voorkomen kan worden — zoals Andringa opmerkt, die in het dagelijks leven dokter is — tot baarmoederhalskanker leidde. En daarmee de dood.

Daarmee scharniert het boek om een confrontatie, tussen vader en zoon. Bovendien zet Greet Andringa daarbij twee uitgesproken tegenpolen tegen over elkaar — wat op zich al veel zegt. Tys, de man die alles opkropt en niet over zijn emoties praten kan, en nu ineens toch wil. En Wouter, de ooit zo charismatische communeleider, die altijd zo makkelijk woorden vindt dat hij daarmee steevast iedereen betoveren kan.

Dat deze ontmoeting in het boek dan niet spettert, viel me in eerste instantie wat tegen. Terwijl ik me later bedacht dat confrontaties in werkelijkheid zelden heel groots uitpakken. Eerder is een verregaande lulligheid te verwachten. Dat mensen om de zaak heen praten, en van elkaar wegkijken, is aanzienlijk waarheidsgetrouwer. Greet Andringa heeft dus het realistische scenario gevolgd.

Het is ook heel moeilijk om een confrontatie goed te beschrijven, of om die geloofwaardig te filmen. Misschien gaat het hier wel om de meesterproef voor elke schrijver of regisseur. Misschien is het daarom geen wonder dat confrontaties, waarin het ene personage werkelijk lijnrecht tegenover het andere staat, meestal vermeden worden in fictie. Let daar maar eens op. Zulke scènes bepalen te veel; die zijn al gauw alles wat iemand van een boek of film herinnert. Die worden het duel met revolvers in de verder lege hoofdstraat, als de zon zijn hoogste punt bereikt. Een tumbleweed waait langzaam voorbij.

 
Het contract tussen lezer en auteur
In de roman komt het uiteindelijk wel goed met Tys, nadat er een aantal nieuwe mensen in zijn leven bijkwam. En die tournure naar ontspanning en verbetering van zijn leven zet al zo halverwege de roman in. Waardoor zich in de tweede helft van het boek misschien wat weinig nieuwe ontwikkelingen voor doen.

Ik had ook een wat valse start met de roman, waarna het eigenlijk niet meer goed kwam. Al zegt dit allereerst iets over mij, en pas dan iets over de kwaliteit van het boek.

De eerste hoofdstukken zetten mij te zeer tot nadenken aan. En door zulk denken begint eigenlijk de kritiek al meteen, en de neiging om de auteur te willen corrigeren op zijn of haar wegen.

Zo vielen me de eerste regels op die het eigenlijke begin van het boek zijn, na een korte proloog over een vrouw op zolder.

Us húshâlding telt seis soannen, doar ik no wol hast te sizzen. Stik foar stik binne it grutte keardels dy’t op harren heit lykje. Stik foar stik hawwe se harren eigen ferhaal, lykas alle minsken dat hawwe fansels. Mar it ferhaal fan ien fan dy mannen, fan Tys, is dochs krekt wat oars as oars, […] [2]

Geen regels zijn doorgaans belangrijker dan die waar het boek mee begint. Want over geen passage in het boek zal langer zijn nagedacht. Bij films is dit overigens net zo. Het begin vertelt veel meer over wat komen gaat, dan de meeste mensen beseffen.

Alleen had ik dus enkel mijzelf met deze wetenschap.

Toen iets verderop in de roman bleek dat de moeder van Tys al jong gestorven was, botste dit namelijk met de kennis uit die eerste regels. Maar, dit gegeven kwam later allemaal nog goed.

Veel storender was voor mij hoe in het boek de discussie begon over de afkomst van Tys. Want in het dorp, dat vriendelijke terpdorp, speelt al sinds Tys en Immy daar gingen wonen anderhalf jaar eerder, het gerucht dat hij toch wel erg op iemand lijkt. En die gelijkenis valt dan op omdat verder niemand in de streek zo donker van haar is als Tys, en daarbij zo wit van vel.

Daardoor werd ik bladzijde 8 al buiten het boek gegooid. De stilzijgende afspraak tussen de schrijver van fictie en de lezer dat alles wat in het boek staat voor nu even waar is, werd doorbroken. Omdat ik me direct moest afvragen waar in Nederland dan de bevolking nog zo puur en ongemengd is dat de mensen er aan de houding en het uiterlijk van iemand meteen ook diens stamboom aflezen.

En het boek speelt in deze tijd, de personages gebruiken internet.

Bovendien bracht de schrijver enkele hoofdstukken later een voor mij veel aannemelijker gegeven in om die zoektocht naar Tys’ verleden te motiveren. En dat wordt niet gebruikt. Immy raakt dan zwanger. En wat zou er dan logischer zijn om haar, nadenkend over de toekomst, in haar nesteldrang met de vraag te laten spelen wat haar vriend voor vader zal worden. Straks. Want wat heeft hij aan voorbeeld gehad?

Maar dit zijn details, die waarschijnlijk slechts de heel kritische lezers opvallen; de mensen die het boek niet alleen om het verhaal lezen. En ik moet deze aanmerkingen ook maken om iets op te merken te hebben. De boeken van Greet Andringa zitten namelijk heel goed in elkaar. Zelfs al vertellen haar romans hun verhaal nooit in éen keer rechtuit, en hebben de boeken meer van Russische matroesjka-poppen, waarin bij het openen altijd nog éen laag meer zit opgeborgen dan wel gedacht.

Ook speelt mee dat Andringa zo goed kan schrijven dat ik nog meer verlang. Dat ze een pakkend verhaal weet te maken over wat mensen elkaar aandoen, is na drie boeken wel duidelijk. Alleen verandert mijn wereldbeeld bijvoorbeeld niet door de wetenschap dat ook de meeste idealistische communes in de jaren zeventig leiders kregen die allereerst van anderen profiteerden. En dat daardoor mensen vernield zijn.

Als Greet Adringa toch nog iets meer aan wereld in haar boeken deed als deze keer, en wat daarin speelde. Zoals haar wel lukte in het geschenkboek Los sân. De thema’s liggen er. De vragen zijn er.

* Een Friestalige variant op deze tekst verscheen in de papieren uitgave van Ensafh, 4e jaargang nr.1

Greet Andringa, Ikarusblau
176 pagina’s
Friese Pers Boekerij/Uitgeverij Noordboek, 2011
ISBN 9789033009938
Prijs: € 17,50
  1. in Ikarusblau is de naam IJsbrand verfriesd tot Ysbrân []
  2. Onze huishouding telt zes zonen, durf ik nu wel haast te zeggen. Stuk voor stuk zijn het grote kerels die op hun vader lijken. Stuk voor stuk hebben ze hun eigen verhaal, zoals alle mensen dat hebben natuurlijk. Maar het het verhaal van éen van deze mannen, van Tys, is toch net wat anders dan anders. […] []

[x]opgenomen in het dossier:

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden