Gesticht ~ Menno Wigman

► door: A.IJ. van den Berg

Menno Wigman bleef lang stil als dichter, nadat hij in 2006 het dunne actieboekje had geschreven bij de landelijke Gedichtendag. Maar vroeg in 2012 haalde hij weer het nieuws. Zo is hij Stadsdichter geworden van Amsterdam. En er kwam een nieuwe bundel uit met de titel: Mijn naam is legioen.[1]

De beschouwingen daarover en interviews daarbij intrigeerden. Daarop werd het ook interessant om te kijken wat er ondertussen dan van hem aan proza was verschenen.

En éen van die twee boeken is Het gesticht, dat losjes opgezet werd als een geïllustreerd dagboek over Wigman’s verblijf op de terreinen van het gesticht in Den Dolder, als ‘writer in residence’. Hij was daar drie maanden. Dus heeft het boek drie hoofdstukken.

Tegelijk heeft Wigman het over zo veel meer dan zijn dagelijkse waarnemingen daar in dat reservaat. Hoe pregnant ook die in hun terloopsheid kunnen zijn.

Toen ik hier op de eerste dag wegwijs werd gemaakt door Boudewijn van Grunsven, de zakelijk leider van Het Vijfde Seizoen, bezwoer hij me dat er één plek was waar ik beter niet naartoe kon gaan: het zwembad. Daar zouden zwakzinnigen hun urine verliezen en kreeg je voor je het wist afbraakstoffen van allerlei medicijnen binnen. [64]

Zo schrijft hij interessante pagina’s over de positie van de dichter. Want, als er boeken worden verbrand, zijn daar dan weleens dichtbundels bij? Heeft poëzie wel klauwen?

Wigman vreest dan dat er geen echt gevaarlijke en werkelijk ontregelende dichtregels bestaan. Terwijl hij wel anders had gewild.

Het liefst zou ik gedichten schrijven die zich als een stiletto in het hart van de lezer omdraaien. [71]

In het boek staan verder onder meer enkele gedichten die Wigman graag zelf geschreven zou willen hebben, met een uitleg waarom. Waarbij dat commentaar natuurlijk ook te lezen is als een positiebepaling van hem als dichter — al lijkt die positie me ook duidelijk voor iedereen die eens een gedicht van hem leest.

Wigman citeert met instemming een Frans dichter die klaagt over de vloek van het vrije vers.

Maar mij trof vooral het evenwicht van alle losse elementen, waardoor het boek ver van de navelstaarderij wegbleef, en zelfs in zijn autobiografie over veel universeler zaken gaat dan alleen het bestaan van de dichter Menno Wigman.

[wordt vervolgd]

Menno Wigman, Het gesticht
Drie maanden Den Dolder

104 pagina’s
Prometheus/Bert Bakker, 2007
  1. Overigens staat die zin uit de Bijbel ook in éen van de motto’s in Het gesticht []

[x]

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden