Ik leef aan de rand van de wereld ~ A.L. Snijders

► door: A.IJ. van den Berg

Lang voor hij enigszins bekend werd om zijn zeer korte verhalen [zkv’s] publiceerde A.L. Snijders al wekelijkse columns. Stukjes van zo’n duizend woorden waren dat. Eerst voor Het Parool, maar dat stopte in 1988. Toen voor de Deventer Dagblad Combinatie. Daarna automatisch ook voor andere regionale bladen — want die kunnen lekker goedkoop inhoud van elkaar overnemen.

null

Dus stond hij tot zijn vreugde ineens in bladen als de Winschoter Courant. Al werd het met die blijdschap rap minder toen Snijders ontdekte dat de Groninger kranten vaak een heel andere kop boven zijn stukjes zetten dan hij had bedacht. Terwijl hij nu net zo’n hekel heeft aan mensen die zijn werk menen te moeten aanpassen. Ook al omdat journalisten een ander slag volk zijn dan schrijvers.

Weet u, die krantenjongens — tot hun nek in het bedrukte papier — begrijpen niets van mij. Ik maak me druk om ieder woord, om iedere wending van een zin, en als het niet lukt — wat vaak het geval is — dan weet ik in ieder geval hoever ik van de top verwijderd ben. Dat weet ik precies, en dan komt er een Groningse of Drentse redacteur, en die maakt met een achteloos gehuurde helicopter een valse landing op de top, met een eigen titel (d.i. een eigen interpretatie). Hij herkent mij niet, hij weet niet dat ik een schrijver ben, en schrijvers komen van beneden. Dat is het wezenlijke verschil met journalisten, die komen van boven, die dalen neer op het nieuws. Schrijvers duiken op, uit de modder. [342]

Het schrijverschap van Snijders toont zich er alleen al in dat deze columns uit het begin van de jaren negentig ook nu nog probleemloos te genieten zijn. Hij heeft bewust vrijwel alle actualiteit uit zijn zinnen gehouden. Als er een gebeurtenis langskomt die op dat moment speelt, is vrijwel steeds dat een memorabel ogenblik uit enkel zijn leven — er wordt een eerste kleinkind geboren; Snijders geeft dan nog Nederlandse les op de politieschool; zijn jongste zoon verlaat het huis.

Slechts in het allereerste begin is er indirect aandacht voor de actualiteit — later verdwijnt dat element geheel. De Eerste Golfoorlog begint dan, en Snijders vindt zich de ochtend daarop wat brak in het leslokaal terug, moe van de hele nacht oorlogsbeelden kijken.

Ooit ook debuteerde zijn ex-schoonzoon Jaap Scholten met een verhalenbundel. Waarop Snijders zijn column gewoon met een stuk uit een verhaal van Scholten begon, om daar pas later iets over te melden. [1]

Wat de columns vooral uniek haalt, is dat elk daarvan vergezeld gaat van een brief aan de hoofdredacteur. De heer Van der Moer. Die overigens zelden iets terug schrijft. Soms legt Snijders daarbij uit wat hij had willen zeggen. Ook vult hij zijn krantenstukje aan, door te vertellen waar hij zich dichterlijke vrijheden veroorloofde. En verder staan in die brieven weleens de hele gedichten uitgeschreven waaraan terloops gememoreerd werd.

Voor mij had deze keuze als gevolg dat ik column en begeleidend schrijven als éen tekst ging zien. Omdat me de aarzeling beviel die aan elke bijdrage kleefde. Al noemt Snijders dat dan weer anders:

Ik hoop maar éen ding: dat om mijn stukjes een vage, een zeer vage geur van vergeefsheid zal hangen. Liefst onaanwijsbaar. [174]

Snijders is wel een schrijver om je aan over te geven. Waar het erom gaat hoe hij het zegt, en welke tempi hij daarbij hanteert. Ik begrijp daarom goed dat eerdere pogingen om wat van hem te lezen toen niet gelukt zijn.

Maar éen keer had ik bijvoorbeeld behoefte om met de schrijver in discussie te treden. Dat was toen hij zich afvroeg of machines een ziel hebben, en iemand in zijn omgeving dat idee botweg afwees. Want daarbij dacht ik: ziel is een veel te groot woord voor het onverklaarbare gedrag dat technologie er op na kan houden. Humeur lijkt me een betere aanduiding. Omdat aan humeurigheid nu juist ook wat automatisch kleeft, iets onbezields — een reactie is eerder dan een zelfgekozen besluit — dat puur het gevolg kan zijn van iets dat eerder plaatshad. Of alleen omdat de maan niet goed staat. De wind in de verkeerde hoek zat. Het te vochtig is of juist te droog voor de tijd van het jaar.

Zelfs software kan humeurig zijn. Terwijl er niets zo zielloos als software is.

[wordt vervolgd]

A.L. Snijders, Ik leef aan de rand van de wereld
Heimelijke vreugde
352 pagina’s
Thomas Rap 2011, oorspronkelijk 2008
bevat: Ik leef aan de rand van de wereld, 1992
Het kalme glijden van de boot naar de waterval, 1992
  1. Toch is het een vreemd idee voor een lezer dat de legendarische Anja Possa uit de verhalen van Scholten dan weer de dochter van een andere schrijver blijkt te zijn. De wereld wordt daar kleiner door. En niet tot mijn genoegen. []

[x]