Einsteins poppenhuis ~ Rudy Kousbroek

► door: A.IJ. van den Berg

Optimistisch draagt Einsteins Poppenhuis als ondertitel: ‘Essays over filosofie I’. Toch is er bij mijn weten nooit een tweede deel gevolgd.

En een andere leugen is dat alle essays over filosofie zouden gaan. Want dat klopt hoogstens als dat begrip breder genomen wordt. En al Kousbroek’s eigenzinnige oordelen over wat hij onzinnig vond in de Nederlandse cultuur voortaan filosofie gaan heten.

Daar zou iets voor te zeggen zijn.

Rudy Kousbroek [1929 — 2010] was alleen ook weleens zeer strikt, in zijn leer. Zo weigerde hij de filosofoof Frits Staal nog serieus te nemen, nadat deze Harry Mulisch het voorwoord had laten schrijven voor de bundel Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap.

Mulisch had nu eenmaal geen enkel benul van wat kennis is, zoals meermaals uit de stukken in Einsteins poppenhuis blijkt. Dat maakte hem tot een charlatan, die het vertrouwen dat hij op een ander gebied gewonnen had, misbruikte op terreinen waar hij aantoonbaar van niets wist.

Bij herlezing bleek me dat Einsteins poppenhuis een bepalend boek is geweest. Het kwam op het goede moment, begin jaren negentig, op mijn pad. Omdat me toen al ergerde dat de meeste mensen, en daarmee de meeste cultuur, geheel onverschillig voorbijgaan aan al dat wat de grootste veranderingen veroorzaakte — technologie, en daarmee ook harde wetenschap.

Kousbroek bleek toen een geestverwant te zijn, die verklaarde veel te hebben geleerd uit eigen onderzoek:

Als ik in een bepaalde periode van mijn leven niet zoveel tijd had doorgebracht met het demonteren en weer in elkaar zetten van Bugatti’s en Hispano-Suiza’s zou ik nu zonder twijfel zelf anders in elkaar zitten. [15]

Daar begon de herkenning al.

Ruim twintig jaar terug las ik natuurlijk om éen reden anders dan nu. Toen aanvaardde ik Rudy Kousbroek nog stilzwijgend als autoriteit, omdat hij verder had gekeken en meer had gezien.

Dus werden zijn oordelen vrijwel automatisch mijn oordelen. Mulisch was vullis. Altijd had ik het al vermoed, bij het klassikaal behandelen van De aanslag op school, nu schreef eindelijk iemand beargumenteerd wat er op de schrijver was aan te merken.

Eerbied voor Heidegger? Was onmogelijk na Einsteins poppenhuis.

En dan vormden zich later vergelijkbare oordelen, en dan wel op basis van eigen ondervindingen. Maar soms is het nodig om iemand te hebben die je beter leert zien.

Bij herlezing viel aan de bundel op dat de boekbesprekingen het minst houdbaar zijn gebleven. Leest er iemand nog weleens in Gödel, Escher, Bach? Waar Kousbroek zo lyrisch over was? Pirsig’s Zen en de kunst van het motoronderhoud moest daarentegen nog altijd een keer herlezen worden.

En ooit hoefde ik Kousbroek natuurlijk niet meer te lezen om te weten wat hij te zeggen hebben zou. Waardoor er ook afstand kwam tot zijn werk.

Eigenlijk zou ik Einsteins poppenhuis hier het label aanbevolen horen mee te geven, gezien het belang in mijn persoonlijke leesgeschiedenis. Maar nu laat ik dat na, omdat net te veel essays in het boek me vlug maakwerk leken voor de krant.

Dus trad enkele malen déjà lu op — de vermoeidheid die de veellezer kwelt als een schrijver opnieuw overbekende voorbeelden aanhaalt, en toch meent daarmee iets nieuws te vertellen. Ooit kan Kousbroek best de eerste zijn geweest waarbij ik de anekdote las over Popper en Wittgenstein met de pook. Dat is niet meer na te gaan. In elk geval treft zo’n overbekend verhaal me nu als gemakkelijk cliché.

Rudy Kousbroek, Einsteins poppenhuis
Essays over filosofie I

184 pagina’s
Meulenhoff 1994, oorspronkelijk 1990

[x]

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden