Jaar in scherven ~ Koos van Zomeren

► door: A.IJ. van den Berg

Herlezen doet iets met een boek. Helemaal als er een aardige spanne tijds zat tussen de eerste kennismaking en een volgende lezing. Ik moet Een jaar in scherven al gelezen hebben kort nadat het uitkwam. Zeg zeker vijfentwintig jaar geleden.

Koos van Zomeren legde in dit boek zijn versie van 1987 vast, in dagelijkse aantekeningen. En aan het einde van elke maand volgt steeds een reportage waar hij als journalist aan had gewerkt voor éen van zijn opdrachtgevers. Las ik bij hem in dit boek, in éen van deze artikelen, voor het eerst een gerichte en dodelijke kritiek op de beroerde schrijfstijl van Willem Frederik Hermans? Of was mijn argwaan over dat oeuvre toen al op eigen kracht ontwaakt?

Van Zomeren werd in 1987 eenenveertig jaar oud.

Indertijd, vijfentwintig jaar terug, had ik daar geen enkele gedachte bij. Dat mannen op leeftijd de neiging krijgen op terug te blikken, zoals in dit boek ruimschoots gebeurde, leek me niet vreemd. Ditmaal, nu ik die eenenveertig alweer even voorbij ben, lag dat toch anders. Ineens maakte de auteur enkel door dat terugkijken een wat ouwelijke indruk op mij.

Tegelijk is dit een blij vlagen meesterlijk geschreven boek, waarover ik vele aantekeningen maakte. Mij trof vooral dat die dagboekbladen in toon en scherpte al zo’n duidelijke voorafschaduwing zijn voor de korte columns die Koos van Zomeren enkele jaren later even zou hebben, linksonder op de voorpagina van NRC Handelsblad.

In 1987 was De Muur nog niet gevallen. Evenmin gebeurde dat in 1988, toen dit deeltje privé-domein verscheen. En toch gebruikte Van Zomeren Een jaar in scherven om al terug te kijken op het communistische verleden. Alleen was dit vooral zijn eigen verleden, en dat van enkele partijgenoten — want ooit hoorde hij tot de top van de Socialistiese Partij [SP]; toen deze nog zo radicaal links was dat Mao er een inspiratiebron vormde.

Want, helemaal begrijpen wat hem ooit tot die stellingname bewoog, lukt hem inmiddels toch niet meer. Behalve dan dat hij protesteren wilde.

Voor dit protest zegde Van Zomeren zijn baan op als journalist bij het Vrije Volk, om na een cursus de fabriek in te gaan. Om daar metaal te bewerken. En om zo waarschijnlijk de revolutie van onderaf vorm te kunnen geven; dat gegeven wordt gemakshalve bekend verondersteld.

Maar het meest tekenend over dit aspect van het dagboek vond ik toch wat Van Zomeren opschrijft als hij de ooit zo geruchtmakende Vrij Nederland-bijlage leest over Nederlandse SS-ers. Dan herkent hij nogal veel in de grote onderlinge kameraadschap die zij voelden na hun keuze. De SS-ers gebruikten daarvoor zelfs dezelfde woorden als zij in de SP. Dan is hij ineens zelfs blij niet in 1940 al twintig te zijn geweest.

Een jaar in scherven dient ook om terug te kijken naar wat hij in zijn jeugd meemaakte in Herwijnen; dat dorp aan de rivier. Nu pas zag ik dat deze herinneringen ook dat grotere doel dienen van die terugblik op de ‘Socialistiese idealen’. Want de familie daar, die zo goed voor hem was, waren eigenlijk de eerste arbeiders die hij kennen leerde; wier positie zo overduidelijk verbeterd worden moest.

In 1987 ging het alleen ook niet goed met de das in Nederland, noch met de otter, zoals uit dit dagboek blijkt. Daar gaat het inmiddels beter mee. Alleen vragen nu andere fauna en flora om aandacht.

Tekenend voor deze verzameling aantekeningen is verder de enorme nadruk die de schaduwzijden van het literaire leven krijgen in het boek. Het lange wachten dat Van Zomeren voelt tot er eindelijk recensies van zijn nieuwe romans worden geschreven. De grote hoop om genomineerd te worden voor een literaire prijs. Het verlangen naar een doorbraak, zodat het allemaal wat makkelijker leven worden zou.

Ik tekende van zijn woorden onder meer aan:

scheiding

Waar standpunten worden betrokken maakt de waarheid zich klein. Heb ik in de politiek geleerd. [14]

scheiding

Wat iedereen altijd wil weten: hoe ik mijn huidige opvattingen en bezigheden kan rijmen met die van toen. Dat zou ik zelf ook wel willen weten. Niemand is zo benieuwd naar mijn ideeën als ik. [19]

scheiding

Het was geen verheffende bezigheid, maar ik heb mijzelf leren kennen. Ik zou mijn deelname aan een polemiek ten diepste wantrouwen. En die van mijn opponent ook. Te vaak blijkt in het schone woud van argumenten het smerige lijk van een standpunt te liggen. Alles wat tot betoog aanzet is bij voorbaat verdacht. [127]

scheiding

Ik vrees dat ik er nogal hard tegenaan ben gegaan. Een partijtrekje: gediscussieerd wordt er om te winnen. [151]

scheiding

Maar dit is NRC, kwaliteit omdat er kwaliteit op staat. Goed schrijven is niet alles, je moet vooral de suggestie wekken dat je goed schrijft en dat heeft met wat je schrijft maar weinig te maken. [157]

scheiding

Het lijkt wel alsof je de rest van je leven bezig blijft met het steeds opnieuw ontdekken van de dingen die je al wist toen je zeventien was. Hoe zou je je op je zeventiende voelen als je ook dát al wist? [216]

scheiding

In de Volkskrant beschouwt Heumakers de letteren: veel vakwerk, maar waar zijn de dwarsliggers?

Een interessante vraag, vooral daar zij gesteld wordt door een criticus. Juist van de kritiek gaat een constante druk uit tot eenvormigheid. Juist de kritiek beijvert zich voor een neuzelig soort proza, dat door analyse tot leven moet worden gebracht. [219]

scheiding

Wat je schrijft moet alles wat je had kunnen schrijven aan het oog onttrekken. Als een geschreven zin een lawine aan ongeschreven zinnen losmaakt ben je reddeloos verloren. [235]

scheiding

Als kop gebruikt Trouw een kreet uit Het verhaal: ‘Sinds ik weet dat niemand zich voor de waarheid interesseert lieg ik niet meer.’

Ik heb daar een tijdje naar zitten kijken en er toen zoveel achter geschreven. Daarna opgevouwen en weggeborgen. Het beroerde van interviews is dat ze niet helpen. [282]

scheiding

Boeken winnen, net als mensen, aan kwaliteit naarmate zij met grotere welwillendheid bejegend worden. Daarin schuilt geen kwaad, maar het betekent wel dat een schrijver al half in zijn opzet is geslaagd als hij zijn werk weet in te bedden in de fictie van een groot schrijverschap–fictie uiteraard in de beste betekenis van het woord.

[Hermans’ stijl, 323]
scheiding
Koos van Zomeren, Een jaar in scherven
352 pagina’s
De Arbeiderspers, 1988
privé-domein nr. 150

[x]opgenomen in het dossier: