Man die een hoofd groter was ~ Sybren Polet

► door: A.IJ. van den Berg

Het grote verschil tussen sprookjes die uit de mondelinge traditie werden opgetekend, en sprookjes die iemand nog eens bedacht, is souplesse. Zo lijkt me. Souplesse en patina. Verhalen die telkens herverteld werden, komen met een grote vanzelfsprekendheid. Alles wat niet heel goed paste in de vertelling is al lang aangepast, of inmiddels weggelaten.

Aan de sprookjes die Sybren Polet [1924] nog eens bedacht eind jaren vijftig valt namelijk direct op hoe beroerd ze zijn geschreven. Telkens moet hij in De man die een hoofd groter was bijvoorbeeld ingrijpen in het lopende verhaal, om dan uit te leggen hoe het kan wat er nu weer gebeurt.

Bovendien kloppen de verhalen lang altijd niet in hun interne logica. En zelfs in sprookjes mag niet alles, als dit niet innerlijk consistent is met de rest .

In het titelverhaal, dat ik nog het best uitgewerkte sprookje vond uit het boek, is de premisse dat iemand zijn eigen hoofd er af kan snijden en dan toch verder leeft. Zo’n los hoofd blijkt vervolgens nog handig te zijn ook. Til het op, en je kunt je er mee door ramen kijken die anders te hoog waren geweest.

En dan wil ik nog best meegaan in Polet’s logica, dat zo’n los hoofd kijken kan, en zelfs te eten is te geven, en te drinken. Hoewel me lijkt dat alles daar dan ook meteen weer uitloopt.

Nee, ik viel er vooral over dat de man die het waagde om groter te zijn dan de koning later onthoofd werd als straf.

Polet zal dit element enkel als grap hebben ingevoerd in het verhaal; want het verhaal heeft deze straf helemaal niet nodig. En iemand die zijn eigen hoofd er al af heeft gesneden, is immers niet meer te onthoofden. Toch toonde mij juist zo’n verhaalelement aan dat de auteur niet heeft nagedacht — of erger nog, niet goed kan denken.

Want als een samenleving de onthoofding kent als strafmaat, moet dat ook echt een straf zijn.

Het verbaasde de aanwezigen bij de executie nogal dat de man met het losse hoofd dat op kon pakken, om daarop te vluchten.

Dus is het grote wonder uit het verhaal dat de hoofdpersoon zijn eigen hoofd er af kan snijden, zonder enige gevolgen. En dat hij dit ook bij anderen kan doen. Want hij wisselt telkens van hoofd zo leert het verhaal merkwaardig terloops. Dit maakt het kortom vreemd dat Polet niet even wat langer stil staat bij deze unieke eigenschap van zijn belangrijkste personage — zoals normale sprookjes dat altijd wel trachten te doen.

Alle wonderen mogen daarin, als zo’n wonder eerst maar aangekondigd wordt. En dat kan dan al met éen luttel zinnetje.

Nu schreef de oude aforist Lichtenberg al dat lezen is als het denken met andermans hoofd — fysieke transplantaties zoals in Polet’s sprookje hoeven helemaal niet. En het denken met Polet’s hoofd was mij geen bijzonder genoegen. In de naam van het experiment werd door hem domweg te veel losgelaten dat tot de fundamenten van het schrijven behoort.

Bij schrijven geldt dan niets anders dan in de beeldende kunst, of de twaalftoonmuziek. Wie in deze kunsten denkt het beter te kunnen dan al het oude, moet eerst wel verdomd goed weten aan welke wetten het oude zich hield, om daar dan met reden van af te kunnen wijken.

Wie dan én beroerd schrijft én niet blijkt te kunnen nadenken, en deze gebreken goedpraat omdat in zijn schrijven vooral het nieuwe van betekenis is, vind ik een laffe lamlul.

Bij Polet vroeg ik me bovendien een keer of wat te vaak had wat hij aan roesmiddelen gebruikt had voor het schrijven. En waarom niemand hem daarna tegen zichzelf in bescherming heeft genomen.

Het piemeltje en het hassabasje gingen samen op reis. Het piemeltje was lang en smal, het hassebasje was kort en dik. Kom, we gaan rollebollen, zei het hassebasje, nee, zei het piemeltje, ik wil liever hinkelen. En zo hinkelden en rollebolden het hassabasje en het piemeltje samen over de weg. Rik tik rikketikketik, zei het piemeltje en boem boem boemeleboem, zei het hassebasje. Daar kwamen ze een boom tegen, hij stond midden op de weg. Ik ben groen, riep het piemeltje, ik ben blauw riep het hassebasje. Ik ben rood, ik ben geel, ik ben paars, riepen het piemeltje en het hassebasje. Ik ben maar een boom, bromde de boom en wilde ze pakken met zijn takken. Maar het piemeltje en het hassebasje glipten weg en het hassebasje werd een hoepel en het piemeltje werd een stok om tegen de hoepel te slaan. […]

[etc. etc. etc., ‘Het piemeltje en het hassebasje’]

Op de achterflap noemt Polet zijn sprookjes onder meer anti-autoritair. Terwijl alle sprookjes volgens mij anti-autoritair zijn — behalve dan de Disney-kitsch die meisjes leert dat je zelf niets hoeft te willen, omdat je altijd nog een prins op het witte paard trouwen kunt. Sprookjes zijn een volkskunst.

En goed, Gerrit Komrij had me uitgebreid gewaarschuwd tegen Sybren Polet, geboren Minnesma. Maar hoe onnozel ben je als auteur als je zelfs al niet kunt onderscheiden wat een genre als sprookjes al eeuwen tot sprookjes maakt?

Sybren Polet, De man die een hoofd groter was
111 pagina’s
De Bezige Bij, 1971

 


[x]


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden