Parijs dagboek 1943-1944 ~ Ernst Jünger

► door: A.IJ. van den Berg

Jünger werd plots weer actueel toen de iPhone op de markt verscheen, en hij in 1949 al voorspeld bleek te hebben dat iedereen met een smartphone op zak zou gaan lopen. Al heet dat apparaat de Phonophore bij hem, in de roman Heliopolis. Alles wat zo’n klein slim apparaatje kan — zoals het toegang bieden tot bijna alle informatie ooit door mensen geproduceerd — had Jünger al voorzien. Hoogstens schortte het nog aan wat details.

Voor Ernst Jünger was de phonophore het logische uitvloeisel van de kwaliteiten van radio en telefoon. Dat ook beeld, laat staan bewegend beeld, in zo’n zelfde apparaatje gevangen zou kunnen worden, was net éen stap te ver.

Sinds deze parallel opdook, wilde ik Heliopolis lezen. Al was het enkel om de vraag wat Jünger had gedaan met het gegeven dat zo’n handig apparaat tegelijk ook werkt als peilzender; waarmee een overheid op elk moment van elke onderdaan weet waar deze is, en hij of zij vandaan kwam. Jünger meldde al dat het bezit van de phonophore zou helpen om iemand te vinden in nood.

Ernst Jünger [1895 — 1998] hield er alleen een wat merkwaardig magisch wereldbeeld op na — dat voor mij zijn werk moeilijk leesbaar maakt.

In de Parijse dagboeken gaat het dan nog wel, met de voorafschaduwingen, en alle andere bewijzen dat alles met alles in verbinding staat.

Als hij in 1943 het gebombardeerde Hannover bezoekt — de stad van zijn jeugd — en daar ziet hoe er enkel herinneringen resten aan het huis van zijn grootmoeder, is er tegelijk een ander besef. In 1937 al heeft Jünger de steden van Europa in brand zien staan. Zo beschouwd viel het in Hannover dus nog wel mee.

Net zo wist hij voor de oorlog al wat er met de joden zou gebeuren. Hun lot lag vast.

Dagboeken als deze lees ik dan ook om andere redenen dan dat ik de auteur nu zo’n boeiend denker vind. Feit blijft simpelweg dat Ernst Jünger al een schrijver was, en daarmee een geschoold waarnemer. Zelfs in aantekeningen waarin hij zich eigenlijk verschuilt voor wat er in de werkelijkheid gebeurt, komen nog genoeg details uit die werkelijkheid terug om de Parijse dagboeken tot interessante lectuur te maken.

Helpt het soms ook als daar dan een oordeel bij wordt gevoegd.

In 1943 al lijkt de afloop van de oorlog voor Jünger bijvoorbeeld onvermijdelijk. Hitler — die bij hem Kniébolo heet, de dagboeken mochten eens gevonden worden — klinkt voor hem dan in dien toespraken als een bankroet man die zijn schuldeisers probeert te paaien door ze onmogelijk grote bedragen te beloven.

Het Tweede Parijse dagboek eindigt als de Wehrmacht de stad verlaat, bij de nadering van de Geallieerde troepen. Dan ook hebben Duitse officieren elders geprobeerd om Adolf Hitler om het leven te brengen. Jünger zag evenwel niets in die vorm van tirannicide — Der Führer was slechts éen kop van de Hydra — ondanks alle minachting die legerofficieren als hem altijd voor Hitler hadden gehad.

En daarmee wil ik nu eigenlijk weten hoe het verder ging met Jünger. Zoals wat er geworden is van de schrijfplannen die hij in zijn dagboeken ontvouwde.

Want de dagboeken tonen allereerst iemand die zijns ondanks meehelpt om een systeem draaiende te houden; zonder daar nu verder veel geloof aan te hechten. Bovendien is Jünger alle krijgshaftigheid kwijt, die zijn vroege romans — over de strijd in de Eerste Wereldoorlog — tot zulke merkwaardig ver in de tijd achtergebleven boeken maken.

Pas wie zijn illusies kwijt raakt, kan een eindje richting wijsheid opschuiven, lijkt me.

Ernst Jünger, Parijs dagboek 1943-1944
Vertaald door Tinke Davids
286 pagina’s
De Arbeiderspers, 1988
privé-domein nr. 149

[x]opgenomen in het dossier: , ,

nauw gerelateerd op boeklog:


© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden