Een derde factor, naast taal en verhaal ~ les 3 uit 10 jaar boeklog

► door: A.IJ. van den Berg

Wie weleens zijn of haar gedachten opschrijft over een boek, staat daarin opvallend zelden alleen. Over veel boeken bestaan er kritieken, recensies, of andersoortige beschouwingen.

Dit maakt dat er de interessante mogelijkheid bestaat om de eigen ideeën te vergelijken met die van anderen. Omdat al die teksten over dat ene boek gaan, en iedereen dus naar precies hetzelfde heeft gekeken; zonder daarbij dan hetzelfde waar te nemen. Lezen is een subjectieve daad. Elk boek een spiegel die allereerst terugkaatst wie of wat er in kijkt.

Daardoor toont zo’n exercitie dan bijvoorbeeld aan dat geen recensie ooit compleet kan zijn. Geen enkele lezer is er die alles ziet of alles weet.

Door mijn opvattingen naast andere te zetten, zoals die van professionele critici, heb ik dan weer ontdekt niet op dezelfde manier te lezen als zij doen. Want, ik ben vaak aanzienlijk strenger.

Waarschijnlijk komt dit omdat ik alles lees — filosofie én lachstrips; poëzie én wetenschap — en fictie principieel niet anders wens te beoordelen dan non-fictie.

Toch is de voornaamste eis die ik stel aan mijn lectuur niet heel bijzonder:

[…] Vertel me nu eens iets dat me verrast.

Of, zoals Kurt Vonnegut het beschreef:

#1, Use the time of a total stranger in such a way that he or she will not feel the time was wasted.

Of, zoals Patrick Demompere in het openingsstuk van de bundel Erg! aantekende:

Wat verlang ik van een boek? Dat ik er niet bij in slaap val. Voilà het laatste en enige woord over mijn literaire credo.

Heel ingewikkeld is het dus niet wat lezers verlangen. Bovendien meen ik, net als Vonnegut, dat veel in het vertellen van een verhaal pure mechanica is; op alom bekende en dus vrij goed berekenbare effecten neerkomt. Dat is in het schrijven niet anders als in het maken van muziek. Iedereen die er tijd in steekt, moet iets kunnen maken waar een ander plezier aan beleeft.

Genialiteit is daarbij nog niet eens gevraagd. Genialiteit is ook het enige dat niet te leren is door te kijken hoe anderen het doen.

Dus als mij een boek onder ogen komt dat als goed genoeg is beoordeeld om te worden uitgegeven, en er strikt dan vakmatig al fouten zijn aan te wijzen, dan kan zo’n boek als een persoonlijke belediging overkomen. Een slag in het gelaat zijn zelfs.

En goed, dan lees ik aanzienlijk meer non-fictie uit dan fictie. Omdat zelfs in de meest belabberd geschreven zakelijke tekst informatie kan staan die mij onbekend was, en daarmee nog even boeit. Daar waar de doorsnee roman eerder een eigen wereldje schept, waarvan de begrenzingen doorgaans al binnen vijftig pagina’s duidelijk zijn. Wat dan de verwachting over het vervolg eerder tempert dan aanwakkert.

Vergelijk ik mijn boeklogjes over literatuur met de recensies of kritieken van professionals — waaronder ik eenieder versta die geld krijgt voor het oordelen over boeken, linksom of rechtsom — dan valt onder meer op dat zij boeken voornamelijk beoordelen op stijl.

En ik kan niet heel veel met dat begrip.

Schrijfstijl bestaat volgens mij, Queneau volgend, namelijk uit twee elementen: uit de manier hoe iemand zijn verhaal vertelt, en uit de taal waarin dat gebeurt. [1].

De professionals hier vinden doorgaans die talige kant van een roman aanzienlijk belangrijker dan het verhaal. Welke gebeurtenissen er verteld worden, en hóe dat gebeurt, doet er bij hen doorgaans opvallend weinig toe. En een boek met een duidelijk plot is zelfs verdacht; want populistisch; zo wordt bijvoorbeeld telkens duidelijk in beschouwingen over De Roman. Ik vind dat vreemd.

Polemisch gesteld, de taal waarin een boek werd geschreven, is voor mij doorgaans het minst interessante onderdeel van zo’n boek. Zelfs op auteurs die me van vele zinnen laten genieten — zoals een Gerrit Komrij, die vaak op boeklog voorbijkwam — knap ik af als het vervolgens aan inhoud ontbreekt. Lege verpakking, hoe mooi ook, blijft leeg.

En dan valt inhoud toch ook niet helemaal samen met verhaal.

Om boeken te beoordelen ken ik aan drie factoren gewicht toe; zonder deze altijd bewust zo in te zetten. Naast de weging op taal en verhaal is er nog een derde eigenschap; waarvan het me niet lukt om die in éen woord te vangen. Mede omdat deze extra waarde verschilt per boek.

Sommige uitgaven waardeer ik omdat ze me intrigeren, andere omdat ze me ontregelen. Verrassing kan dus die derde factor zijn. Wijsheid zelfs, heel soms. Inzicht. Oorspronkelijkheid. Authenticiteit.

En aan die extra waarde mankeert het bij boeken doorgaans al gauw — al helemaal bij fictie. Te veel romans heb ik gelezen, of proberen te lezen, die me geen enkele reden toonden waarom juist dit boek zo geschreven moest worden.

Terwijl de toegevoegde waarde voor mij nu net grotendeels mijn oordeel over een boek bepaalt.

En dan is de manier waarop ik vaststel of een boek die derde factor heeft strikt subjectief, en waarschijnlijk zelfs arrogant te noemen. Toch. Terwijl ik mijzelf nooit belezen noem, heb ik ondertussen wel vele malen meer boeken en andere teksten onder ogen gehad dan de kleine drieduizend waar boeklogjes aan zijn gewijd. Leeservaring is er, al decennia; net als routine in het zelf schrijven van tekst.

Wegen er wel wat persoonlijke vooroordelen mee — waar dit reeksje nabeschouwingen later nog uitgebreid op terug zal komen. Zo heeft mijn studie geschiedenis het me bijna onmogelijk gemaakt om historische romans te lezen. Want daarin komen altijd mensen voor die zo niet bestaan kunnen hebben; wat dan stoort.

En soms levert deze vooringenomenheid een structureel probleem op. Bij boeken die spelen in de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld. Daar zijn er nogal veel van.

Werd zo’n uitgave geschreven door iemand die deze periode bewust heeft meegemaakt, dan is er niet per se iets aan de hand. Maar jongere auteurs die hun boek in die tijd laten spelen, scheppen daarmee historische fictie; en moeten vervolgens extra hun best doen mij te overtuigen dat zij geen Kitsch hebben geproduceerd [2].

Het is mij bijvoorbeeld een raadsel waarom een schrijver die geboren werd in 1952 een boek in de Tweede Wereldoorlog laat afspelen. Wat heeft zo’n jongen nog toe te voegen aan de bibliotheken die al over deze periode zijn volgschreven door mensen die er wel bij waren? Ik vind zo’n keuze naar onmacht neigen, of in elk geval weinig zelfvertrouwen tonen. In onze cultuur heeft die Tweede Wereldoorlog een onaantastbaar hoge status. Iedereen weet wat er toen gebeurde. Elke schrijver die zijn boek nu nog in die periode laat spelen, maakt daarmee gebruik van breed bestaande vooroordelen. Zijn boek is al spannend, zonder dat hij daar zelf ook maar iets aan hoefde te doen. Wie daar geen rekening mee houdt als auteur, wordt al te makkelijk tot een zielige partizaan in het naoorlogs verzet.

Dus mag ik het professionele critici waarschijnlijk niet eens kwalijk nemen boeken vooral te wegen op stijl. Mijn oordelen gaan namelijk gauw eens verder. En spreken zich dan niet alleen uit over een tekst. Ik weeg waarschijnlijk ook het benul van een auteur.

  1. Ik heb Steven Pinker’s recente boek over stijlgevoel nog niet gelezen; wellicht dat deze passage later nog wordt bijgesteld []
  2. Mijn recensie over De ladder, waar het citaat uit stamt, was voor de auteur overigens mede de reden om namen de Friese schrijversbond een beroepsverbod te eisen voor mij []

[x]opgenomen in het dossier: