Zeven hoofdzonden van de biografie ~ Hans Renders

► door: A.IJ. van den Berg

De biografie is een onmogelijk genre, zo heb ik herhaald op boeklog betoogd de afgelopen tien jaar. De enige portretten die me wel konden boeien, voldeden namelijk aan een hele reeks eisen.

Zo’n boek was dan op zich al goed geschreven; ongeacht de hoofdpersoon. Bovendien bleek er doorgaans een afstand in tijd te bestaan tot de periode waarin de geportretteerde leefde. Niet zelden werd zo’n gelukte biografie pas geschreven als er eerder al meerdere boeken over dezelfde persoon waren verschenen.

En dan wegen mijn eigen vooroordelen ook nog mee.

Van een biografie over Harry Mulisch bijvoorbeeld zou ik nogal wat eisen. Mulisch had een voor mij onverklaarbaar grote status als auteur in Nederland — ik kan hem namelijk niet serieus nemen omdat hij niet denken kon. [1].

De enige biografie over hem die ik daardoor zou lusten, moet dus ook verklaren hoe het kan dat zo’n ijdel warhoofd hier een enorme status kon krijgen; en zelfs hield nadat hij door mensen die wel iets wisten publiek toch grondig was ondergeschoffeld.

In De zeven hoofdzonden van de biografie geeft Hans Renders onder meer een beknopt overzicht van de soorten levensportretten die er zijn geschreven, en wie dat dan deden, de afgelopen honderd jaar. Dit boekje bevat een uitgebreide tekst van zijn intreerede, waarmee hij in 2008 bijzonder hoogleraar werd in de Geschiedenis en Theorie van de Biografie.

En Renders zag daarbij een tweedeling. Vanouds zijn er altijd al biografen geweest die iemand willen herdenken, en dit dan uit bewondering doen. Daarnaast staan dan degenen die pas een portret opstellen na kritisch bronnenonderzoek.

Beide hebben zo hun fouten. Want de bewonderaars is bijvoorbeeld te verwijten dat ze veel informatie over hun hoofdpersoon negeren. Ook al omdat ze nauwelijks onderzoek zullen verrichten.

Maar ook de ijverige onderzoekers maken vergissingen. Zo noemde Renders enkele biografen die veel te dikke boeken schreven, omdat ze teveel ruimte nodig hadden om de tijd te schetsen waarin de geportretteerde leefde.

Is er tegen beide genres volgens hem in te brengen wat voor alle geschiedschrijving geldt. Over enkele decennia heeft een nieuwe generatie weer andere vragen bij het verleden. Renders is nu eenmaal opgeleid tot historicus, oorspronkelijk. Geen enkel geschiedenisboek, en dus ook geen enkele biografie, kan in deze opvatting de definitieve beschrijving bieden van een leven.

Van Harry Mulisch vermoed ik bijvoorbeeld dat hij gewoon de tijd mee had; en dat buiten-literaire omstandigheden meehielpen om zijn reputatie te vestigen.

Alleen, zou hij over veertig jaar nog door velen worden gelezen, dan heb ik hierin dus ongelijk gehad.

Voornaamste pleidooi van Renders lijkt me zijn wens tot terughoudendheid bij biografen. Waarin ik hem niet helemaal ongelijk kan geven.

Een goede biograaf streeft niet naar compleetheid; niets is zo vervelend als een biograaf die elk gevonden feitje wil verwerken, maar wel probeert hij antwoorden te formuleren op de door hemzelf gestelde onderzoeksvragen. In die onderzoeksvragen is het maar beter bescheiden te zijn. Een biografie heeft een beperkte houdbaarheidsdatum en de houdbaarheid zal niet verlengd worden door almaar meer ambitieuze onderzoeksvragen te stellen. Bij een actuele vraagstelling is de kans het grootst dat de eigentijdse lezer een biografie waardeert, en zonder contemporaine waardering is er voor een biografie geen toekomst. [53]

Hans Renders, De zeven hoofdzonden van de biografie
Over biografen, historici en journalisten

64 pagina’s
Bert Bakker, 2008
  1. De door Wim Noordhoek aangehaalde radiouitzending staat hier []

[x]