Lezen als noodzaak ~ les 4 uit 10 jaar boeklog

► door: A.IJ. van den Berg

Nieuwsgierigheid heeft zijn eigen redenen om te blijven bestaan. Het beste is het om nooit te stoppen met het stellen van vragen. Dit citaat komt bij Einstein weg; al vertaal ik zijn woorden hier nu wat vrij. En het aardige van het quoten of parafraseren van Einstein als autoriteit, is dat niemand het zo maar oneens met hem durft te zijn. [1]

Toch. Wat een kwelling is het om altijd vragen te blijven stellen. Bij alles. En om dan nooit tevreden te zijn met het eerste antwoord — omdat zelfs zo’n antwoord dan weer de vraag oproept of het wel volledig is.

Ik ben helaas nieuwsgierig geboren, en heb me allang tevreden moeten stellen met de constatering dat ik daarom met vele vragen zitten blijf. Heel weinig is zeker, en waarheden zijn wel bijzonder zeldzaam gebleken.

Vandaar misschien dat ik die enkele algemene wet zo koester die onze cultuur ons wel gebracht heeft, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens. Vandaar wellicht dat ik de politici en machthebbers haat die zich in hun blinde kippendrift niets van zulke fundamentele bepalingen aantrekken.

Vandaar dat ik me blijf verbazen over wat mensen in hun onnozelheid durven uit te kramen.

En bij al mijn nieuwsgierigheid moet ik ook constateren slecht bediend te worden, door de professionals die samen ‘de media’ vormen. Die lijken zich vooral bezig te houden met al wat er niet toe doet. Die hebben een eigen wereldbeeld gecreëerd, waarvan vooral opvalt dat het opvallend simpel in stand te houden is. Die maken zo vaak de opinies en levens van mensen belangrijk die op zijn best nietszeggend zijn — terwijl deze mensen doorgaans bij een groot publiek bekend zijn om heel andere redenen dan hun denkkracht.

De neiging om vragen te willen blijven stellen, is dan ook een asociale bezigheid. ‘Not done’. En voor u mij nu verdenkt mij hierover op de borst te kloppen, of me hierom uitverkoren te voelen: ik wil helemaal zo asociaal niet zijn.

Ik zou gewoon passief televisie kunnen willen kijken als ieder ander, of lange series van DVD, zonder me daarbij te ergeren of te vervelen. Om er dan achteraf gewoon met anderen luchtig over te kunnen praten.

In plaats daarvan is gebleken dat mijn nieuwsgierigheid slechts te stillen valt met boeken. Honderden boeken. Duizenden boeken. En boeklog heeft even, tien jaar lang, getoond, wat vervolgens daarbij mijn ideeën waren.

Bracht boeklog hiermee dan niet ook een ode aan het lezen?

Soms, maar lang niet altijd. Vrees ik. Want hoe meer leeservaring ik krijg, des te minder waarde de meeste boeken overhouden. Schrijven is moeilijk. Om nog te zwijgen over hoe moeilijk denken is.

Het lijkt me zelfs vrij onzinnig het lezen heilig te willen verklaren, zoals zo veel auteurs altijd willen doen. Waarbij ze zelfs snobistisch worden over het al dan niet bezitten van een TV. Toch kan geen enkel medium alles.

Boeken blijven de meest ideale informatiedragers ooit bedacht. Voor mij. Ook voor mij. Het zou onzinnig zijn dit te ontkennen. Ideaal zijn daarnaast de infrastructuren die bestaan om mij altijd weer het volgende boek aan te reiken — ongeacht de taal, ongeacht het moment waarop dat verscheen soms zelfs.

Maar zo ik me intellectueel ontwikkeld heb, dan is die ontwikkeling onder meer gepaard gegaan met een steeds grotere wens tot controle.

Het gaat me bij het lezen dus wel om de inhoud van boeken, maar nooit om inhoud alleen. Zelfs mijn lievelingsboek interesseert me slechts matig als het wordt voorgelezen van CD. Audioboeken beluisteren, kost alleen al te veel tijd. Ik lees tien tot twintig keer sneller. Bovendien biedt een papieren boek me de mogelijkheid om zo nodig terug te bladeren, of een hinkstapsprong vooruit te maken als ik even te goed kan voorspellen wat of er komen gaat.

Ik lees boeken, omdat ik de dagelijkse kick nodig heb van nieuwe verhalen. Of van mij onbekende informatie. Of van taal.

Kon televisie me in dezelfde roes brengen, was ik nu een couch potato. Had ik vrienden en bekenden die me telkens zo wisten te verrassen, dan was ik uit hun gezelschap niet weg te slaan. De aanleg tot overmaat en verslaving bestaat. Maar het grote bezwaar tegen bijvoorbeeld TV is dat programmamakers de kijkers dwingen om zich over te geven aan hun verteltempo. Dat tempo ligt mij veel te laag. Bovendien mis ik daarbij de zo gewenste controle.

Die toegenomen drang tot controle gaat dus gepaard met ongeduld bij mij, en ook met de wens dat mijn inspanningen iets opleveren. Het leven is wat te kort voor gebeuzel gebleken. Waarom zou ik bijvoorbeeld dan mijn tijd verdoen met vage Franse filosofie, als die vooral vorm is waarin nauwelijks nog inhoud in onderscheiden kan worden?

Ook romans zonder enig verband met de werkelijkheid, tonen zo bezien een nogal leeg kunstje.

Schrijvers moeten verder niets van mij. Al mogen ze me nooit vervelen.

  1. Voor wie deze woorden bekend voorkomen. Ik heb voor dit tekstje weinig meer gedaan dan twee oude tekstjes licht te wijzigen en aan elkaar te plakken. Zelfplagiaat heet dat tegenwoordig, in academische kringen. Maar dit is geen wetenschappelijke publicatie, noch zijn mijn woorden bedoeld om mij ergens op een citeringsindex te krijgen. []

[x]opgenomen in het dossier: ,