Prijs! ~ Toine Spapens

► door: A.IJ. van den Berg

Waar ik wel nooit iets van zal begrijpen, is de willekeur in de keuzen van een Staat om te bepalen hoe hun ingezetenen moeten leven. Logica valt daarin namelijk niet te ontwaren. Terwijl ik toch al even over dit onderwerp nadenk — mede doordat mij als achttienjarige plots ruim anderhalf jaar dwangarbeid werd opgelegd in militaire dienst; een lot dat vrijwel geen enkele andere leeftijdgenoot trof.

Dat gokken en wedden voor geld enkel mag bij organisaties met een staatsmonopolie is ook al zo merkwaardig toevallig.

Dus vermoedde ik op dit gebied allereerst bemoeizucht van christelijke politici, omdat deze zo ongezond lang in Nederland de macht hadden. Religies binden zieltjes nu eenmaal altijd met stellige leefregels. Wat dan ietwat vervelend wordt, zodra ook niet-gelovigen aan dezelfde dwang moeten geloven.

En inderdaad werd mijn vooroordeel heel prettig bevestigd door de monografie Prijs!.

Vanaf 1911 verbood de uitgebreide zedelijkheidswetgeving, die bedoeld was om de strijd aan te binden met pornografie, verleiding van minderjarigen, koppelarij, abortus provocatus en speelzucht, de openbare organisatie van alle kansspelen. De exploitatie ervan werd strafbaar gesteld als misdrijf en de deelname als overtreding. Slechts de Staatsloterij bleef, maar niet dan na de nodige discussie als enige kansspelvorm toegestaan. [14]

Wat een fijne wetten moeten dat zijn geweest.

Toine Spapens doet in Prijs! vooral verslag van hoe de wetgevers reageerden op maatschappelijke ontwikkelingen. Zijn betoog begint, na een historische introductie, in de jaren vijftig — op het moment dat nogal wat Nederlanders meespeelden in de wekelijkse Duitse Lotto. Deze had bijvoorbeeld veel hogere prijzen dan de Staatsloterij, die bovendien slechts zes keer per jaar werd georganiseerd.

Boeiend aan dit boek is vervolgens niet eens wat de politiek daarop deed. Eerst werd een voetbaltoto toegestaan, toen kwam er een eigen Nederlandse Lotto; dat werk. Ik vond veel interessanter op basis van welke kennis zulke besluiten telkens werden genomen. Die kennis is namelijk vrijwel altijd boterzacht. En toch kwam die vrijwel steeds van gewichtigdoende commissies. Hoeveel mensen er niet via de staatsmonopolisten gokken, blijkt bijvoorbeeld telkens nauwelijks te kunnen worden ingeschat.

Ik kan me dan ook de vrijheid permitteren om te denken: nogal wat mensen houden van wedden en gokken. Dat is altijd en overal zo geweest. En toch vinden overheden vervolgens dat zulks niet mag. Het waarom van zo’n verbod wordt alleen nooit onderwerp van discussie.

Maar door te blijven verbieden, creëert zo’n overheid telkens weer nieuwe problemen.

En de oplossingen voor al die nieuwe problemen moeten dan ook weer worden verkocht. Het argument dat politici nog steeds gebruiken om de staatsmonopolies te handhaven op kanssspelen is bijvoorbeeld dat gokverslaving mensen zo ernstig kan treffen.

Tegelijk blijkt uit Prijs! dat niemand de reële aantallen problematische gokverslaafden kent, en de cijfers die wel gebruikt worden waarschijnlijk sterk overtrokken zijn.

Sinds enige decennia nemen de aanvallen op de staatsmonopolies toe van over de grens. Eerst is er de EU, met zijn eis tot vrij verkeer in handel en diensten. En ten tweede kwam daar internet bij met zijn vele nieuwe gokmogelijkheden.

In de VS, een nog veel puriteinser land als Nederland, is het banken en creditcardmaatschappijen al sinds begin deze eeuw verboden om transacties met gokwebsites te verrichten.

Spapens geeft uitgebreid aan welke invloed Europa had op het gokbeleid hier. Onze Staat mag bijvoorbeeld veel blijven bepalen, in naam om greep te houden op die gokverslavingsproblematiek.

Ik meen toch dat de EU daarbij ook eiste dat de werving van gok- en kansspelen beperkt werd. Vreemd dan dat de Postcodeloterij mij minstens éen keer per week een geadresseerde brief stuurt — waar ik nimmer om gevraagd heb — en ik altijd en overal reclame zie voor de Staatsloterij, de Lotto, en hoe die kansspelen verder heten mogen.

Politici blijven deze hypocrisie verkopen met de claim dat veel uit de opbrengst van deze spelen naar goede doelen gaat. Na eerst de schatkist te hebben gespekt, vanzelfsprekend.

En gek genoeg mag marktwerking dus niet in deze sector; terwijl vrijwel alle andere staatsbedrijven allang werden afgestoten. Alleen melden dan de mensen die aan zwarte lotto’s meedoen in interviews dat ze de staatsmonopolist in deze niet vertrouwen. Mensen kiezen dus al wel met hun geld.

Prijs! was daarom het interessants om alles wat de auteur niet wist; domweg omdat niemand nog iets met zekerheid kan zeggen op het moment dat activiteiten illegaal worden gemaakt. Een zekerheid is hoogstens dat politie noch Belastingdienst veel prioriteit hechten aan het opsporen van vergunningsloze gokpraktijken.

En daarom blijft bijvoorbeeld een vraag hoeveel sportwedstrijden er in Nederland verkocht worden. Als deze praktijk in Duitsland is aangetroffen en in België, zou het wel uitzonderlijk zijn als die hier niet bestond. Wie alleen heeft er baat bij om zulke omkopingspraktijken te onderzoeken? Als die, zoals in Zuidoost-Azië, er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat het publiek zo’n sport voortaan geheel negeert?

Huichelarij overheerst dus op dit gebied; wat me niet vreemd voorkomt bij een vanouds zo door christelijke normen en waarden gekleurd beleid.

Toine Spapens, Prijs!
Zwarte lotto’s en illegale sportweddenschappen in
Nederland en het kansspeldebat in de Europese Unie
187 pagina’s
Boom|Lemma, 2012

[x]


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden