Autophobia ~ Brian Ladd

► door: A.IJ. van den Berg

Lang terug, toen ik nog veel meer toekomst had dan verleden, kwam het gesprek met mannelijke leeftijdsgenootjes om éen of andere reden vaak op de vraag welke auto de beste auto was. Mij interesseerde dat onderwerp nooit zo. Ik was toen vooral verbaasd over de stellige zekerheden die sommige mensen al op jonge leeftijd hebben.

Er waren er bij die al precies wisten welke auto ze later wilden. Een dikke. Een gewone BMW, Mercedes, Porsche of noem het merk maar, volstond namelijk nooit. Nee, het moest per se een dikke BMW, Mercedes, of Porsche zijn.

Maar wat ga je dan doen met die dikke auto, wilde ik daarop nog weleens vragen. Waarop dan nooit een antwoord volgde.

Ik moest aan deze vanzelfsprekendheid denken bij het lezen van Autophobia. Brian Ladd meldt namelijk in de ondertitel in deze monografie over de liefde en haat voor de auto te zullen schrijven. Alleen is die voorliefde aanzienlijk minder duidelijk uitgewerkt dan de hekel die mensen door de decennia formuleerden tegen de autocultuur.

Tenzij ik deze liefde gelijk stel aan de ijver waarmee stedenplanners en daarmee de nationale overheden vrijwel de gehele twintigste eeuw de auto gediend hebben, en de hele ruimtelijke ordening daaraan opofferden. Blind was deze mateloze dadendrang zeker. En iets daarvan wordt ook beschreven. In het algemeen.

Want dat is toch de voornaamste tegenstelling die opvalt in het boek. De stemmen tegen de auto als verschijnsel kwamen traditioneel van enkelingen. Denkers. Sociologen. Systematisch protest ontstond pas in de jaren zeventig, onder meer in Nederland; toen ouders er stelling tegen innamen dat te veel van hun kinderen werden doodgereden in het verkeer.

Maar ondertussen stemmen jongeren ineens massaal ook met hun portemonnee tegen het eigen autobezit; omdat dit voor deze generatie doorgaans oninteressant is geworden — wat Ladd in dit boek uit 2008 nog niet signaleert.

Bij veel politieke vraagstukken speelt altijd de tegenstelling tussen de belangen van het individu en die van de samenleving waarin deze leeft.

En mij hoeft dan niet uitgelegd te worden wat er voor iemand persoonlijk aantrekkelijk is om een auto te bezitten. Zelfs al staat zo’n auto vervolgens bijna altijd stil, om ergens nogal veel ruimte in te nemen.

Wat ik alleen nooit heel goed heb begrepen is dat hele samenlevingen autoverliefd werden. Na de Tweede Wereldoorlog had alleen de VS al een autocultuur — driekwart van alle auto’s in de wereld bevonden zich toen daar.

Nu goed, Hitler was ook autogeil, met zijn Volkswagen-project en zijn aanleg van de Autobahnen.

Is er ook nog die link met olie en olieprijzen, en hoe de VS daarom de meest vreemde regimes te vriend houdt; om ze later tot vijand te verklaren en het land binnen te vallen.

En dan hoeft een auteur van mij echt geen antwoord te geven op de vraag waarom alles ineens voor de auto moest wijken. Zulke waarom-vragen zijn vrijwel nooit te beantwoorden. De kwestie negeren is alleen ook weer zo wat.

Dus was het aardigste aan Autophobia nu de uitgebreide geschiedenis van zo veel ontwikkelingen. Zoals de heftigheid van de protesten tegen de eerste auto’s bijvoorbeeld, ruim honderd geleden. Met boeren die de wegen omploegden, zodat automobilisten niet door konden rijden, in de VS. En met in Nederland tal van stenengooiers op het platteland.

Brian Ladd, Autophobia
Love and Hate in the Automotive Age

227 pagina’s
The University of Chicago Press, 2008

[x]opgenomen in het dossier:


© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden