Tumult bij de uitgang ~ Bert Keizer

► door: A.IJ. van den Berg

Maak een wet, en de werkelijkheid heeft zich daar dan ineens naar te voegen. Wat situaties niet zelden binair maakt. Iets mag dan, of iets wordt juist verboden. Andere smaken zijn er niet.

Wetten hebben daarom dikwijls onbedoelde gevolgen. Politici lijken dat nooit te begrijpen.

Aardigste voorbeeld van waar juridisering toe leiden kan, vind ik altijd nog de uitvinding van ‘de etnische Fries’, als gediscrimineerde minderheid, die er in 2004 zomaar ineens was op papier — door politiek gemanoeuvreer om wat Europese subsidietjes binnen te harken. Bijna jammer dat nog geen Fries de macht beseft die deze positie oplevert.

Nederland heeft sinds 2002 een Euthanasiewet — na in de jaren daarvoor met een soort gedoogconstructie te hebben gewerkt voor professionele hulp bij het sterven. Mensen die uitzichtloos lijden, zij het geestelijk of fysiek, kunnen, mits hun arts meewerkt, hulp krijgen bij het bespoedigen van hun dood.

Voorwaarde is wel dat ze deze wens aantoonbaar hebben geuit op een moment dat ze bij hun volle verstand waren. En ziet, daarmee ontstaan de juridische moeilijkheden al. Want nogal wat ouderen worden kinds, om dat oude begrip maar weer eens te gebruiken; die raken de weg kwijt in hun eigen hoofd. En zij voldoen daarmee dus al niet aan die ene eis uit de wet, dat ze toerekeningsvatbaar horen te zijn bij het nemen van de beslissingen over hun leven of dood.

Bert Keizer heeft nogal eens met dit probleem te maken. Hij is, of was gezien zijn leeftijd, verpleeghuisarts; werkzaam derhalve in het minst bedeelde hoekje van de zorg. En in dergelijke tehuizen belandden nu eenmaal slechts de mensen die helemaal niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Waaronder de flink demente bejaarden.

En Keizer heeft met regelmaat over deze problematiek geschreven, in bredere zin. Zijn debuutroman Het refrein is Hein ging er deels al over. En de recente bundel Tumult bij de uitgang bevat voor een groot deel korte teksten over de dood, en over niet dood mogen — die al gauw eens ergens anders zijn gepubliceerd.

Zo heeft Bert Keizer al tijden onder meer een column in het protestants-christelijke dagblad Trouw; wat ik altijd pikant heb gevonden. Christelijke partijen hebben zich nu eenmaal altijd blind gekeerd tegen euthanasie. En de christelijke kranten deden dit ook; die hadden nu eenmaal een doelgroep te bedienen.

Maar mooi aan de woorden van Keizer is alleen al diens eeuwige nuance.

Want zelfs al is er van alles op die Euthanasiewet aan te merken, dat de Wet bestaat is al van grote betekenis. Hij heeft bijvoorbeeld als beginnend arts nog net meegemaakt dat er werkelijk niets kon. Dat hij en zijn collega-artsen beurtelings, zonder daar over te praten, het lijden van doodzieke mensen wegnamen door hen telkens wat extra morfine toe te dienen; tot de dood eindelijk intrad. Overleg had zo’n dood toen nog tot moord gemaakt. Om de voorbedachten rade.

In landen zonder wetten of regels wordt oude en kwetsbare mensen nog altijd flink afgebeuld, door ingrepen die in Nederland al gauw als overbodig medisch handelen zouden worden gezien. Want in een verpleegtehuis hier staat elke patiënt onder de hoede van éen arts, die de hulp van collega’s desnoods inroept als dat nodig is. In Duitsland, dat Keizer als afschrikwekkend voorbeeld aanhaalt, bestaat zo’n coördinatie niet, en gaat elke specialist telkens nog op eigen gezag in de weer met doodzieke mensjes.

Komt daar bij, wat wel weer ook voor Nederland geldt, dat de medisch specialisten doorgaans veertigers zijn. Relatief jonge mensen, met al gauw eens jonge kinderen, die hun eigen doodsangst projecteren op hun oudere patiënten. En die daardoor al gauw te veel willen doen.

Artsen hebben ook levensjaren nodig om te beseffen dat ingrijpen lang niet altijd het beste hoeft te zijn.

En Keizer is inmiddels zo’n arts op leeftijd. Die enerzijds schrikt als een jongere collega in tranen uitbarst nadat er euthanasie gepleegd is. Maar die tegelijk moet toegeven dat het nooit helemaal went om een ander dood zien te gaan.

Nogal wat werk uit Tumult bij de uitgang bleek ik al eens eerder te hebben gelezen. Los. In het vrije wild wellicht [1]. Al kan het ook zijn dat ik Bert Keizer inmiddels wel erg goed ken als auteur. Zijn principiële boodschap verandert niet; zelfs al is het verhaal misschien net even anders waarin hij zijn conclusies giet.

Ik lees hem ook graag.

Alleen komt er nu ineens schoorvoetend een publieke discussie op gang, mede geëntameerd door Boudewijn Chabot, dat het eigenlijk vreemd is dat doktoren zo’n centrale rol hebben bij de vragen over de dood. En zelfs Bert Keizer maakt duidelijk dat die artsen helemaal niet op die verantwoordelijkheid te wachten zaten.

Alleen is er vervolgens die wet. Of domweg het gegeven dat er ook altijd partners of kinderen zijn die het sterven van iemand best willen bespoedigen, met een handig middeltje. Zelfs als er nog geen ondraaglijk lijden speelt.

Bert Keizer, Tumult bij de uitgang
253 pagina’s
Lemniscaat, 2014
  1. Nee, er is behoorlijk wat uit de bundel Alles wordt niets hergebruikt in dit boek []

[x]opgenomen in het dossier: