Rise of the Image the Fall of the Word ~ Mitchell Stephens

► door: A.IJ. van den Berg

De voornaamste functie van mijn telefoon is het om peilzender te zijn, voor de overheid. Omdat de aanbieders van mobiele telecom in Nederland nog steeds verplicht zijn bij te houden met welke van hun antennes dat toestel de hele tijd in contact staat. Zodat de Staat van elk moment vandaag kan weten waar ik was.

Zo belangrijk is deze functie, dat mijn grondrechten daarvoor zijn opgeheven.

Tegelijk kan ik het ding ook gebruiken als foto- én videocamera, in HD-kwaliteit zelfs. Als internetbrowser, satellietnavigatiesysteem, memorecorder, opnamestudio, FM-radio, gamecomputer, en als berichtendienst.

Vergeet ik nog heel wat andere mogelijkheden. Pleeg ik er zelfs weleens een telefoontje mee.

De huidige smartphone mag gerust een mirakel heten. En toch is de populairste toepassing van het apparaat bij nogal wat mensen om er éen of ander spelletje mee te spelen. Al zijn de boze vogels inmiddels uit. Tegenwoordig lijkt vooral het oplijnen van snoepgoed in.

En dan zou ik dus nu een hele beschouwing aan kunnen wijden hoe weinig mensen er zijn die de mogelijkheden waarderen hen door alle nieuwe technologie geschonken. Alleen zou dat dan een wat rare preek opleveren. Want zelf ben ik immers geen beter mens.

Al heb ik mij deze eeuw tal van vaardigheden aangeleerd, om daar toch eens wat mee te doen. De zelfopgelegde plicht om bij elk boeklogje het kaft af te beelden van het besproken werk heeft bijvoorbeeld mijn vaardigheden met Photoshop, en dus de beeldmanipulatie, aardig vergroot.

Maar, die kennis was tenminste telkens direct toe te passen.

Ik heb mijzelf deze eeuw ook videomontage aangeleerd, en geluidsbewerking, en die competenties zijn vervolgens nauwelijks ergens bij ingezet.

En, het gaat me zo veel makkelijker af om even te schrijven. Eén enkel zinnetje schrijven volstaat soms al, om de jeuk te krabben die er was. Hoeft die regel daarop niet eens de openbaarheid in.

Hiermee is ook mijn voornaamste bezwaar geformuleerd tegen The Rise of the Image the Fall of the Word van de Amerikaanse mediahistoricus Mitchell Stephens. Deze auteur trekt me te makkelijk éen trend uit het verleden door, die volgens mij niet zo hoeft uit te waaieren. Want waarom zou passief vermaak het enige vermaak zijn?

Zijn hele boek draait om het simpele gegeven dat toen de televisie werd uitgevonden, een meerderheid van de Amerikaanse huishoudens in acht jaar tijd een toestel had — waarmee hun avonden nooit meer hetzelfde zouden zijn. De standaard waarmee vermaak werd beoordeeld, veranderde. Want de professionals op TV waren beter in het maken van muziek dan de amateurs thuis.

Praatten de hoofdjes in beeld ook al zo dat de gesprekken in de woonkamer verstomden.

En dan is volgens Stephens televisie niet per se het roesmiddel dat onze verslaving aan beeld zal blijven voeden. In 1998 voorzag hij al wel een vinding als YouTube; dat ergens online video verzameld zou gaan worden om op afroep te bekijken.

Maar mijn probleem met dit boek bleef, ook bij deze herlezing, dat ik Stephens’ these zo slecht onderbouwd vind. Hoezo val van het woord?

Tegelijk past het ook niet om Mitchell Stephens’ werk a-historisch te noemen. Hij schreef nu net ook mijn favoriete geschiedenisboek over de media: A History of the News — dat zo prettig oneerbiedig uitpakt. Vooral zijn beschrijving over het nieuws dat de eerste Transatlantische telegraafkabel bracht is mooi. Want ook toen al werden vooral roddels over koningshuizen heel belangrijk geacht.

Twee boeken over de geschiedenis van het lezen hebben me alleen nu net geleerd hoe moeizaam het proces was om de bevolking overal geletterd te maken. Waardoor dat beeld er dus ook altijd al was. Naast het gesproken woord. Ging dat beeld pas kort geleden, relatief gezien, ook nog bewegen.

Historisch beschouwd is het geschreven of gedrukte woord allereerst van belang geweest voor een elite.

En wat verandert daar dan in, door de opkomst van televisie, of video? Behalve dat de voornaamste propaganda zich van de populairste media bedient?

Zelfs met wondermiddelen als de smartphone, die een merkwaardige cultuur hebben doen ontstaan waarin jonge mensen tal van zelfportretten de wereld in sturen, kunnen zulke ‘selfies’ het nog zelden zonder toelichting af. In woorden.

De jongste generaties gebruikers voeren ook nooit gesprekken met hun mobiele telefoon, die schrijven elkaar korte berichtjes.

Mitchell Stephens pastte in dit boek alle trucs toe van de futuroloog — zoals Toffler — door allerlei verschijnselen te benoemen, die zelfs van een verleden te voorzien, waaruit dan een ontwikkeling blijkt, en het vervolgens in het midden te houden wat er wanneer precies nog meer gaat gebeuren.

Alleen suggereert de geschetste ontwikkeling wel van alles. Omdat lezers als vanzelf gaan aanvullen — omdat lezers altijd van alles in- en aanvullen.

Mitchell Stephens, The Rise of the Image the Fall of the Word
259 pagina’s
Oxford University Press, 1998

[x]


© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden